Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5236

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
WR 15-004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

Zaaknummer: WR 15/004

Beschikking van 11 augustus 2015

[verzoeker], te Purmerend, verzoeker,

tegen

mr. S. ter Braak,

in haar hoedanigheid van rechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch, bij de behandeling van de zaak met zaaknummer: C/01/288344/FA RK 14-7102.

Partijen zullen hierna respectievelijk verzoeker en de rechter worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- het proces-verbaal in de hoofdzaak van de behandeling ter zitting van

17 februari 2015;

- de brief van verzoeker van 24 februari 2015 met daarin opgenomen het voorliggende wrakingsverzoek en met als bijlage de brief van de zoon van verzoeker aan de rechtbank van 25 december 2014;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 3 maart 2015 op het wrakingsverzoek;

- de schriftelijke reactie van verzoeker van 9 maart 2015 op de schriftelijke reactie van de rechter van 3 maart 2015 op het wrakingsverzoek;

- de schriftelijke reactie van de belanghebbende, [belanghebbende], van 13 maart 2015 op het wrakingsverzoek;

- het dossier in de hoofdzaak;

- de beschikking van 9 april 2015 met rekestnummer WR 15/006;

- de beschikking van 30 juni 2015 met rekestnummer WR15/014.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 19 maart 2015 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van de wrakingskamer ingediend. Dit verzoek heeft geleid tot de beschikking van 9 april 2015, waarbij het verzoek is afgewezen. Vervolgens is de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van de rechter voortgezet op 21 juni 2015. Verzoeker heeft tijdens de behandeling een verzoek tot wraking van de wrakingskamer ingediend. Dit verzoek heeft geleid tot de beschikking van 30 juni 2015, waarbij verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot wraking. Vervolgens is de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van de rechter voortgezet op 4 augustus 2015. Verzoeker is ter zitting verschenen en heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht. De rechter is niet verschenen op de zitting van 19 maart 2015, 21 juni 2015 en 4 augustus 2015.

1.

2 Het verzoek en het verweer

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure C/01/288344/FA RK 14/7102. Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek heeft verzoeker, kort en zakelijk samengevat, het volgende aangevoerd.

Bij verzoeker is de schijn gewekt dat sprake is van partijdigheid.

De rechter opende de zitting in de hoofdzaak met een terugblik op de laatste beschikking die in haar opinie heel uitgebreid en duidelijk was. De toon van de rechter in deze was niet passend.

Vervolgens gaf de rechter de gelegenheid aan de advocaat van de tegenpartij om te zeggen wat ze wilde, maar toen verzoeker het woord kreeg, werd hij na twee zinnen afgekapt waarbij de rechter zei dat verzoeker haar begon te irriteren en dat dat niet verstandig was. Verzoeker mocht alleen praten over het voorstel van de moeder inzake de bezoekregeling met zijn zoon, terwijl de advocaat van moeder over alles kon praten.

Daarnaast mocht er niet gepraat worden over hetgeen de zoon van verzoeker in zijn brief had geschreven, want dit was geen discussiepunt. De rechter vond het voorstel van moeder inzake de omgangsregeling goed omdat het structuur biedt en het leek er op dat verzoeker alleen naar de zitting mocht komen om het voorstel van moeder goed te keuren.

Op de zitting van 4 augustus 2015 heeft verzoeker in aanvulling hierop nog toegelicht dat hij met de rechter niet alleen had willen praten over de omgangsregeling, maar ook over het gezag, omdat dit de punten zijn die zijn zoon in de brief aan de rechter heeft voorgelegd. Bovendien was de uitnodiging van de rechtbank afkomstig van de afdeling gezag en omgang zodat hij er ook om die reden van uitging dat op zitting over beide onderwerpen gesproken zou worden. De rechter liet evenwel weten dat hij alleen over de omgangsregeling mocht praten.

2.2

De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten en heeft naar aanleiding van het wrakingsverzoek het volgende opgemerkt.

De rechter heeft ter zitting melding gemaakt van de door de rechtbank op 7 oktober 2013 gewezen beschikking en het is mogelijk dat zij die beschikking uitgebreid en duidelijk heeft genoemd.

Nadat de rechter ter zitting verzoeker in de gelegenheid had gesteld te reageren op hetgeen (namens) de moeder was gesteld, heeft zij hem op enig moment in zijn betoog onderbroken. Daarbij heeft de rechter gezegd dat het haar irriteerde dat verzoeker in zijn reactie de hele echtscheiding weer over wenste te doen. De rechter heeft tevens gezegd dat ze daarin niet mee wilde gaan omdat daarvoor de zitting niet bedoeld was, maar voor de brief van de zoon van verzoeker waarin wordt verzocht om een omgangsregeling. De rechter heeft daarbij gezegd dat er niet met modder moest worden gegooid omdat dat niet bijdroeg aan een oplossing. Zij heeft verzoeker gevraagd zich in zijn reactie te beperken tot de door zijn zoon gevraagde omgangsregeling.

Daarnaast heeft de rechter aangegeven dat bij het vaststellen van een omgangsregeling tussen de zoon en verzoeker het van belang was dat die omgang een bepaalde structuur kent.

3 De beoordeling

3.1

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Daarbij dienen feiten en omstandigheden te worden gesteld, die de rechter betreffen tegen wie zich het wrakingsverzoek richt.

3.2

Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.

3.3

Naar het oordeel van de wrakingskamer is van voornoemde uitzonderlijke omstandigheden en zwaarwegende aanwijzingen geen sprake.

Niet valt in te zien dat de mededelingen van de rechter over een eerdere beschikking tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de rechterlijke onpartijdigheid schade leidt.

De zoon van verzoeker heeft in zijn brief aan de rechter aangegeven dat hij omgang wil met zijn vader. Verder heeft hij gevraagd of zijn vader weer het gezag over hem kan krijgen. Naar aanleiding van deze brief heeft de rechtbank, blijkens het dossier in de hoofdzaak, de zoon gehoord over een omgangsregeling en is vervolgens een zitting bepaald waarvoor (onder meer) ook de ouders zijn uitgenodigd. Deze zitting had alleen betrekking op de omgangsregeling en niet (ook) op het gezag omdat een verzoek tot wijziging van het gezag (anders dan een verzoek tot omgang) alleen kan worden gedaan door de ouder en niet door het kind. De rechter heeft er ter zitting daarom terecht op gewezen dat de behandeling alleen betrekking had op de omgangsregeling. Wellicht is dit voor verzoeker niet geheel duidelijk geweest en/of niet geheel duidelijk aan hem gemaakt (waarbij mogelijk ook de brief van de rechtbank van de afdeling gezag en omgang aan die onduidelijkheid kan hebben bijgedragen) maar dat maakt niet dat daarmee sprake is van (de schijn van) partijdigheid door de rechter. Het is aan de rechter om de orde op de zitting te bepalen, waartoe kan behoren het onderbreken van een partijen indien die in zijn betoog buiten het onderwerp van de zitting treedt, zoals ook de rechter in dit geval heeft gedaan. De door de rechter daarbij gehanteerde bewoordingen zijn niet van dien aard dat op grond daarvan het ontbreken van onpartijdigheid zou kunnen worden afgeleid.

Uit het vorenstaande volgt dat er geen sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de rechter moet worden geacht met betrekking tot verzoeker vooringenomen te zijn, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

3.4

Nu verzoeker in deze procedure meerdere ongegronde wrakingsverzoeken heeft ingediend en hij, zoals bij beschikking van 30 juni 2015 is overwogen en ter zitting is gebleken, een gebrek aan vertrouwen heeft in alle rechters van deze rechtbank respectievelijk volhardt in zijn gebrek aan vertrouwen jegens mr. Ter Braak, bepaalt de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker jegens de rechter in de onderhavige procedure C/01/288344/FA RK 14/7102 niet in behandeling zal worden genomen.

4 De beslissing

De rechtbank,

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van mr. Ter Braak met betrekking tot de zaak C/01/288344/FA RK 14/7102 niet in behandeling wordt genomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang, voorzitter, mr. E.C.M. de Klerk en

mr. J. van der Weij, leden, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.