Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5184

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
01/849287-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:130, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen met een hamer tegen het hoofd geslagen. Bewezenverklaring poging tot doodslag. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek voorarrest op.

De verdediging heeft het ondervragingsrecht ten aanzien van twee belangrijke getuigen niet kunnen uitoefenen. De getuigenverklaringen zijn desondanks bruikbaar voor het bewijs, nu er voldoende compenserende waarborgen zijn om het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/849287-08

Datum uitspraak: 02 september 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1977] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: PI Zuid West - De Dordtse Poorten.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 december 2014, 9 maart 2015, 3 juni 2015 en 19 augustus 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 november 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 april 2008 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen,althans eenmaal met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen en/of op het hoofd heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (tegen het hoofd) geslagen en/of gestompt en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2008 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelbasisfractuur en/of een (op meerdere plaatsen) gebroken kaak en/of verwondingen in het aangezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen en/of op het hoofd te slaan en/of meermalen, althans eenmaal (tegen het hoofd) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag in de medeplegen variant.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

De verdediging heeft aangevoerd dat de belastende verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] , afgelegd op 28 april 2008, moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om hen als getuige te ondervragen, terwijl deze verklaringen doorslaggevend zijn voor het bewijs of verdachte een hamer of een soortgelijk voorwerp heeft gebruikt. Volgens de verdediging heeft zij haar ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) niet effectief kunnen uitoefenen en nu geen maatregelen zijn geboden om dit afdoende te compenseren, kan niet gesproken worden van een eerlijk proces.

De rechtbank constateert met de verdediging dat het recht om de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te ondervragen niet kon worden uitgeoefend. De getuigen bleken niet meer te verblijven op de van hen in Nederland bekende adressen. Vervolgens zijn adressen in Polen bekend geworden waar de getuigen vermoedelijk zouden verblijven. Daarom is via een rechtshulpverzoek aan Polen geprobeerd hen voor de Poolse autoriteiten te doen verschijnen, echter dit is niet gelukt. Uiteindelijk heeft de Poolse rechter het rechtshulpverzoek als niet uitgevoerd naar Nederland teruggezonden. Aldus is voldoende ondernomen om de verdediging in de gelegenheid te stellen het ondervragingsrecht uit te oefenen, maar is dit zonder resultaat gebleven.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op onderdelen doorslaggevend althans van zeer groot belang zijn en derhalve als ‘sole and decisive’ kunnen worden aangemerkt. Daarom moet sprake zijn van voldoende compenserende waarborgen om het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen.

De rechtbank is van oordeel dat van deze voldoende compenserende waarborgen sprake is. De verklaringen van de genoemde getuigen vindt namelijk in belangrijke mate steun in de volgende bewijsmiddelen:

  1. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft geslagen. Weliswaar ontkent verdachte dat hij daarbij een hamer of voorwerp heeft gebruikt, echter zijn verklaring impliceert in elk geval zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit.

  2. De verklaring van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] dat verdachte met een hamer op het hoofd, de kaak en het been van het slachtoffer heeft geslagen, past goed bij het door een arts geconstateerde letsel (p. 50: diverse fracturen van de onderkaak en een schedelfractuur links), bij het op foto’s van het slachtoffer zichtbare letsel bovenop het hoofd en in het gezicht en voorts bij de later, op 8 mei 2008, door het slachtoffer afgelegde verklaring over het veel last hebben van de knieën.

  3. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (p. 35) blijkt dat zij op 27 april 2008 om 22.42 uur de melding kregen om te gaan naar [camping] , chalet [nummer] , omdat een manspersoon met een hamer of soortgelijk voorwerp meerdere malen geslagen was. De [getuige 3] heeft op 29 april 2008 verklaard (p. 62) dat hij de politie had gebeld nadat hij van getuige [getuige 1] , een werkneemster van zijn uitzendbureau, had gehoord dat het slachtoffer door verdachte met een hamer op zijn hoofd was geslagen. Hieruit blijkt dat de getuige [getuige 1] al zeer kort na het incident heeft gesproken over het slaan met een hamer op het hoofd.

Gelet op het voorgaande is sprake van voldoende compensatie om het proces in zijn geheel genomen als eerlijk te kunnen aanmerken zodat van een schending van art. 6 EVRM geen sprake is.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn en om die reden niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Volgens de verdediging zijn hun verklaringen innerlijk tegenstrijdig en heeft [getuige 2] niet alles kunnen zien en valt niet uit te sluiten dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Gelet op hetgeen elk van beide getuigen heeft verklaard over de momenten waarop zij tijdens het incident in de slaapkamer dan wel daarbuiten, respectievelijk in de woning dan wel daarbuiten zijn geweest, passen hun verklaringen bij hetgeen zij ieder voor zich hebben kunnen waarnemen. Dit in aanmerking genomen, zijn hun verklaringen in grote mate consistent. Voorts vinden onderdelen van hun verklaringen, bijvoorbeeld het spuiten van een vloeistof in de slaapkamer, steun in de verklaring van verdachte ter terechtzitting. De rechtbank acht de verklaringen betrouwbaar.

De verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zullen door de rechtbank voor het bewijs worden gebezigd.

De bewijsmiddelen.

[verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen op 27 april 2008 om 22.42 uur de melding om te gaan naar [camping] , chalet [nummer] , omdat een manspersoon met een hamer of soortgelijk voorwerp meerdere malen geslagen zou zijn.2

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan tegen verdachte ter zake poging tot doodslag gepleegd op 27 april 2008 tussen 22:00 uur en 23:00 uur te Heeswijk-Dinther. Aangever kwam verdachte buiten tegen en zag dat verdachte dronken was. Korte tijd later werd aangever in zijn woning door verdachte geslagen. Aangever zag dat verdachte iets in zijn hand had waarmee hij hem sloeg. 3

Een arts heeft bij aangever op 28 april [2008 1] een schedelfractuur en diverse fracturen van de onderkaak waargenomen. 4 Bij het opnemen van de aangifte heeft een politieambtenaar waargenomen dat aangever een grote wond en zwelling op de linkerzijde van zijn hoofd en meerdere verwondingen in zijn aangezicht had. 5 Voorts heeft aangever op 8 mei [2008 2] verklaard dat hij veel last heeft van zijn knieën.6

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2015 verklaard dat hij op 27 april 2008 onder invloed van alcohol naar de woning van aangever is gegaan en dat het daar tot een vechtpartij is gekomen tussen hem en aangever. Verdachte heeft aangever ten tijde van die vechtpartij geslagen. 7

Getuige [getuige 1] bevond zich op 27 april 2008 omstreeks 22:30 uur samen met [getuige 2] op de slaapkamer in hun woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Opeens zag zij dat de deur van de slaapkamer openging en dat aangever naar binnen kwam gerend. Tevens zag zij dat er nog twee andere mannen de slaapkamer inliepen, één van hen was [verdachte] . Getuige zag dat verdachte aangever met een hamer achter op zijn hoofd sloeg. Zij zag dat aangever zwaar bloedend in elkaar zakte. Voorts zag getuige dat, toen aangever op zijn knieën zat, verdachte hem voor de tweede maal met de hamer op zijn hoofd sloeg. Getuige vluchtte de slaapkamer uit en belde haar baas, [getuige 3] . Zij vroeg aan hem om de politie en ambulance te bellen. Vervolgens is getuige opnieuw de woonkamer ingelopen en zag dat verdachte de deur van de slaapkamer opende, waar aangever zich nog bevond, en dat hij met een spuitbus gas naar binnen spoot. 8

Getuige [getuige 2] bevond zich op 27 april 2008 samen met zijn vriendin [getuige 1] op hun slaapkamer in hun woning. Hij zag dat de deur van de slaapkamer openging en dat aangever naar binnen werd geduwd. Verdachte hield een hamer in zijn hand en kwam direct achter aangever aangelopen. Vervolgens zag getuige dat verdachte aangever met de hamer op zijn hoofd sloeg. Getuige zag dat aangever tegen het bed aanviel. Ook zag getuige dat er een tweede man de slaapkamer inliep. Aangever zat helemaal onder het bloed en was niet meer aanspreekbaar. Getuige duwde de twee mannen de woonkamer in, aangever bleef achter op de slaapkamer. Kort daarna kwam verdachte weer binnenlopen en spoot met een spuitbus een vloeistof bij de slaapkamer naar binnen. Toen aangever even later op de bank in de woonkamer lag, zag getuige dat hij zwaargewond was, onder het bloed zat en niet aanspreekbaar was. Vervolgens kwam verdachte de woonkamer binnen en getuige zag dat hij de hamer van het tafeltje pakte. Getuige dacht dat verdachte aangever met de hamer tegen zijn kaak sloeg. Getuige zag vervolgens dat verdachte aangever met een hamer op een van zijn benen sloeg. 9

[getuige 3] werd op 27 april 2008 gebeld door een werkneemster, genaamd [getuige 1] . Zij verteld dat er zojuist een andere werknemer genaamd [slachtoffer] (aangever) door ene [verdachte] , welke nog met iemand anders was, met een hamer op zijn hoofd was geslagen. Dit alles zou gebeurd zijn in hun chalet op [camping] . Getuige is vervolgens direct naar de camping gereden en heeft toen meteen de politie gebeld. Bij de camping aangekomen, heeft hij op de politie gewacht. 10

Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel.

Verdachte heeft met een hamer meermalen op het hoofd van aangever geslagen. Aangever heeft ten gevolge van het toegepaste geweld een schedelfractuur opgelopen en zijn kaak op meerdere plaatsen gebroken. Tevens had hij een grote wond en zwelling op de linkerzijde van zijn hoofd en meerdere verwondingen in zijn aangezicht. Het slaan met een hamer op het hoofd is naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het doden van die persoon dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bewust heeft aanvaard. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad om [slachtoffer] te doden.

Medeplegen.

Wat precies de rol van de onbekend gebleven man is geweest, blijkt niet uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank is van oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat bij de uitvoering van het feit sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de onbekend gebleven man en dat dit handelen naar uiterlijke verschijningsvorm geacht moet worden gericht te zijn geweest op het doden van aangever. De rechtbank acht, met de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van medeplegen. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Conclusie.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 27 april 2008 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een hamer tegen en/of op het hoofd heeft geslagen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde eist de officier van justitie gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachtes relatie is (mede) ten gevolge van het incident dat plaatsvond op 27 april 2008 beëindigd. Bovendien zit er een fors tijdsverloop tussen het plegen van het feit en de behandeling ter terechtzitting. Dit tijdsverloop kan niet enkel verdachte worden aangerekend; het openbaar ministerie is daar ook debet aan. Alles overziend verzoekt de verdediging aan de rechtbank om voor het subsidiair ten laste gelegde (zware mishandeling) aan verdachte een straf op te leggen welke gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een explosie van geweld het slachtoffer met een hamer meermalen op het hoofd geslagen. Verdachte verkeerde onder invloed van alcohol, terwijl hij wist dat alcohol een ontremmende werking op hem had. Dat het slachtoffer als gevolg hiervan niet om het leven is gekomen, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte te danken is. Niettemin heeft is het slachtoffer zwaar gewond geraakt. Naast de schedelfractuur die bij hem is geconstateerd, heeft hij tevens zijn kaak op meerdere plaatsen gebroken. Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daar nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen van kunnen ondervinden. Dat het geweld plaatsvond in de woning van het slachtoffer, maakt het des te ernstiger, nu de woning een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen.

Verdachte heeft zich niet bekommerd om het slachtoffer. Hij is gevlucht.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte zelf te wijten is dat de vervolging zo lang op zich heeft laten wachten en is geen sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte na de geweldsexplosie jegens het slachtoffer is gevlucht en zich jarenlang aan het zicht van justitie heeft onttrokken. Dat het bewezenverklaarde feit inmiddels meer dan zeven jaar geleden heeft plaatsgevonden, leidt niet tot strafvermindering.

Het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen een ander te gebruiken.

Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 29 december 2014 opgemaakt en ondertekend door M.D. Ligaj, psycholoog, volgt dat er door de jaren heen sprake is geweest van alcohol- en cannabisafhankelijkheid bij verdachte. Verdachte heeft er op 27 april 2008 zelf voor gekozen om alcohol te gaan drinken, ondanks het besef dat hij onder invloed van alcohol agressief wordt. Naar eigen zeggen was verdachte al eerder in Polen voor een vergelijkbaar delict veroordeeld tot een gevangenisstraf waarbij hij ook behandeling kreeg voor zijn verslaving. Verdachte kan derhalve voor het gebruik van alcohol en het daarmee gepaard gaande ontremmende gedrag verantwoordelijk worden gesteld en gehouden.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en de officier van justitie bij de eis met name onvoldoende oog heeft gehad voor de gevaarzetting voor het slachtoffer en de ernst van het feit.

Voorlopige hechtenis.

De verdediging heeft op grond van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf is de rechtbank van oordeel dat een situatie als in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet en wijst derhalve het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte af.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 45, 63, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primairpoging tot doodslag.Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van primair:gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte af.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. I.S. Peskens, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 2 september 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant Noord, genummerd PL2100-2014091421, aantal doorgenummerde pagina’s: 173.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 35

3 Verklaring van [slachtoffer] , aangever, d.d. 28 april 2008 p. 45

4 Aanvraagformulier medische informatie p. 50

5 Relaas van bevindingen opgemaakt en ondertekend door verbalisanten d.d. 28 april 2008 p. 46 alsmede foto’s van aangever, p. 41 en 42

6 Verklaring van [slachtoffer] , aangever, d.d. 8 mei 2008 p. 48

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2015

8 Verklaring van [getuige 1] , getuige, d.d. 28 april 2008 p, 51, 52

9 Verklaring van [getuige 2] , getuige, d.d. 28 april 2008 p. 55 t/m 57

10 Verklaring van [getuige 3] , getuige, d.d. 29 april 2015 p. 62