Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5155

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
28-08-2015
Zaaknummer
3145816 MU VERZ 14-2688
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd ter zake van 'overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom'. Vastgesteld is dat betrokkene met een gecorrigeerde snelheid van meer dan 50 km/u heeft gereden. De kantonrechter vindt begrijpelijk dat voor verkeersdeelnemers de indruk is ontstaan dat zij op de Overloonseweg te Vierlingsbeek buiten de bebouwde kom reden. Daarbij komt dat op voornoemde weg de bebording ten tijde van het plegen van het feit niet duidelijk was dan wel onjuist was geplaatst.

De onduidelijke wegsituatie in samenhang met de onduidelijke dan wel de onjuiste bebording geeft aanleiding om het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en de beslissingen te wijzigen. De sanctie wordt gematigd tot nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Afdeling Strafrecht, Mulderzaken

locatie Kanton 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 3145816 MU VERZ 14-2688

CJIB-nummer : 178172779

CVOM-nummer : CT5245

Beslissing d.d. 28 augustus 2015

inzake

[betrokkene 1] ,

geboren op [1993] ,

wonende te [adres 1] ,

hierna te noemen: betrokkene,

[gemachtigde] .

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 5 maart 2014;

  • -

    de tussenbeschikking d.d. 25 juli 2014;

  • -

    een brief d.d. 12 september 2014 van de officier van justitie en het daarbij gevoegde proces-verbaal d.d. 3 september 2014 van de [verbalisant 1] met drie bijlagen;

  • -

    een brief d.d. 12 september 2014 van de officier van justitie en het daarbij gevoegde proces-verbaal d.d. 3 september 2014 van de [verbalisant 2] met drie bijlagen;

  • -

    een brief d.d. 6 oktober 2014 van de officier van justitie en het daarbij gevoegd proces-verbaal d.d. 1 oktober 2014 van de [verbalisant 2] met twee bijlagen;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 14 november 2014 met elf bijlagen;

  • -

    een brief d.d. 2 december 2014 van [gemachtigde] met twee bijlagen;

  • -

    een brief d.d. 14 januari 2015 van D. van der Teen, zittingsvertegenwoordiger van de CVOM, en het daarbij gevoegde proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2014 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met acht bijlagen;

  • -

    een brief d.d. 5 februari 2015 van [gemachtigde] met zeven bijlagen;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 29 april 2015 met tien bijlagen;

  • -

    een brief d.d. 1 mei 2015 van K. van den Berg, zittingsvertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie;

  • -

    een brief d.d. 5 juni 2015 van [gemachtigde] .

De uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling

1.0

Betrokkene is tijdig in beroep gegaan. Voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten is zekerheid gesteld. Betrokkene is derhalve ontvankelijk in zijn beroep.

1.1

Aan betrokkene is als kentekenhouder bij de inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd, ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht met een motorrijtuig op 13 december 2013 op de Overloonseweg te Vierlingsbeek.

Betrokkene heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld. Op daartoe aangevoerde gronden, die hierna - samengevat - worden weergegeven, heeft betrokkene geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de beschikking.

Betrokkene stelt dat in de beslissing van de officier van justitie, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, niet gemotiveerd wordt ingegaan op een groot aantal beroepsgronden. Meerdere personen hebben op dezelfde gronden beroep ingesteld, maar de beroepen zijn op wisselende gronden ongegrond verklaard. Een nader ingediend stuk met bijlagen is niet in de beoordeling betrokken. Dit lijkt te duiden op willekeur, althans ongelijke behandeling van gelijke zaken.

2.2

De kantonrechter verwerpt deze stelling. Voor zover het juist is dat de officier van justitie niet gemotiveerd is ingegaan op alle beroepsgronden, is niet aannemelijk geworden dat betrokkene hierdoor in zijn belangen is geschaad. Betrokkene heeft immers de mogelijkheid om deze gronden in de onderhavige procedure bij de kantonrechter alsnog aan de orde te stellen. Gelet op artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal daarom de beslissing van de officier van justitie op de aangevoerde grond, voor zover al juist, niet worden vernietigd.

3.1

Betrokkene stelt dat uit nader ontvangen stukken van het Openbaar Ministerie niet duidelijk wordt wat voor opstelling is gebruikt voor de meetapparatuur. Niet gecontroleerd kan worden of de door het College van procureurs-generaal gehanteerde richtlijnen over de plaatsing van de meetapparatuur in acht zijn genomen. Niet blijkt dat de opstelling van de meetapparatuur is neergezet, zoals aangegeven in het ijkrapport.

3.2

De kantonrechter verwerpt deze stelling. In het zaakoverzicht wordt vermeld dat de verbalisant heeft gemeten met behulp van een voor meting geteste, geijkte en op voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeetmiddel en dat de daarmee gemeten werkelijke snelheid het resultaat is van een uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel afgelezen snelheid, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het College van procureurs-generaal (hierna ook te noemen: de Aanwijzing). De kantonrechter ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

4.1

Betrokkene stelt dat de NMI-verklaring voor de ijking van de meetapparatuur vermeldt dat de geldigheid van de ijking vervalt bij herstellingen of veranderingen van de meetapparatuur. Uit een van de politie ontvangen brief kan worden opgemaakt dat niet wordt bijgehouden wanneer dergelijke herstellingen en veranderingen plaatsvinden. Dit betekent dat de bewijskracht van het ijkrapport tekortschiet.

4.2

De kantonrechter kan betrokkene hierin niet volgen. Uit de overgelegde NMI-verklaring blijkt dat de ijking van de op 5 en 13 december 2013 gebruikte meetapparatuur heeft plaatsgevonden op 12 september 2013 en dat die verklaring vervalt twaalf maanden na datum van het onderzoek of bij herstelling of verandering indien dit op het meetresultaat van invloed kan zijn. In de brief d.d. 18 februari 2014 van de Politie Oost-Brabant, waar betrokkene kennelijk naar verwijst, leest de kantonrechter niet dat een herstelling van of verandering aan de meetapparatuur niet wordt bijgehouden. De kantonrechter ziet ook op dit punt geen reden om te twijfelen aan hetgeen in het zaakoverzicht, zoals hiervoor bij 3.2 is overwogen, en in de NMI-verklaring staat vermeld. Er mag daarom van worden uitgegaan dat gemeten is met geijkte apparatuur, waarvan de geldigheid van de ijking op het moment van de meting niet verstreken was.

5.1

Volgens betrokkene stelt het Openbaar Ministerie ten onrechte dat de snelheidsmetingen zijn verricht met onbemande apparatuur. Er zijn twee buurtbewoners die hebben gezien dat de metingen zijn verricht vanuit een auto met draaiende motor, waarin een persoon aanwezig was ten tijde van de constatering van de overtredingen. Uit de verkregen Wob-stukken blijkt dat de radarapparatuur op 5 december 2013 is bediend door de [verbalisant 1] (nr. 6557) en dat deze apparatuur op 13 december 2013 is bediend door de [verbalisant 2] (nr. 6722). Echter, het op ambtseed/belofte opgemaakt proces-verbaal is door geen van deze verbalisanten ondertekend.

Voorts wordt volgens betrokkene uit de stukken niet duidelijk waarom is volstaan met een bekeuring op kenteken en waarom de bestuurder niet staande is gehouden. Dit is in strijd met artikel 4 lid 2 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), waarin is bepaald dat de aankondiging van de beschikking zo mogelijk direct aan de betrokkene dient te worden uitgereikt. Betrokkene stelt ook dat de controles onopgemerkt hebben plaatsgevonden, in die zin dat er geen gebruik is gemaakt van flitsen. Dit heeft een aantal zeer donkere foto’s opgeleverd. Verder stelt betrokkene dat de meetapparatuur was opgesteld op een privéterrein van een bewoner, zonder dat deze hiervan op de hoogte was of hiervoor toestemming heeft gegeven.

5.3

Naar aanleiding van hetgeen betrokkene aanvoert, zoals hiervoor onder 5.1 en 5.2 weergegeven, overweegt de kantonrechter het volgende. De [verbalisant 2] heeft in zijn nader ingekomen ambtsedig proces-verbaal d.d. 1 oktober 2014 gerelateerd dat de snelheidscontrole was bemand door hem en dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden omdat hij alleen was belast met de radarcontrole, waardoor hij niet in staat was om betrokkene een stopteken te geven en betrokkene aan te spreken op zijn gedrag. De [verbalisant 1] heeft in zijn ambtsedig proces-verbaal d.d. 3 september 2014 hetzelfde gerelateerd. Gelet hierop kan er geen twijfel over bestaan dat de snelheidsmeting met bemande apparatuur heeft plaatsgevonden. Voorts blijkt hieruit dat het voor de verbalisant niet mogelijk was om betrokkene aanstonds een aankondiging van de beschikking uit te reiken. Er is derhalve niet gehandeld in strijd met artikel 4 lid 2 Wahv. Het niet staande houden en het enkel maken van foto’s, die mogelijk donker zijn, heeft er niet aan in de weg gestaan om het motorvoertuig, waarvan het kenteken op naam van betrokkene staat, als overtredend motorvoertuig te identificeren. Voor zover het juist is dat de meetapparatuur was geplaatst op een privéterrein van een bewoner, raakt dat de privacy van betrokkene niet. Dit is daarom geen omstandigheid die gevolgen voor de procedure van de betrokkene kan hebben.

6.1

Volgens betrokkene is niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor het uitlezen van de gemaakte film. Dit is een opsporingshandeling die alleen door daartoe bevoegde ambtenaren mag worden verricht. Nu niet duidelijk is wie dit heeft gedaan, moet het er voor gehouden worden dat deze opsporingshandeling onbevoegd is verricht en derhalve geen sluitend bewijs vormt voor de gepleegde snelheidsovertreding.

6.2

De kantonrechter overweegt hiertoe het volgende. Uit het zaakoverzicht, de bijgevoegde foto, de geleidelijst digitale radarmobiel en de verklaring van verbalisant, die zijn verstuurd door de politie, blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat verbalisant met nummer 6722 ( [verbalisant 2] ) of de verbalisant met nummer 6557 ( [verbalisant 1] ) de gedraging heeft geconstateerd. Uit alle stukken (inclusief de foto) blijkt dat de verbalisant met nummer 6722 of die met nummer 6557 de gedraging heeft geconstateerd, vastgelegd en verwerkt. Daarmee staat voldoende vast welke verbalisant verantwoordelijk is geweest voor het uitlezen van de film. Van een onbevoegde opsporingshandeling is daarom niet gebleken.

7

Nu de verweren van betrokkene met betrekking tot de meting van de snelheid hiervoor worden verworpen en betrokkene op zich niet betwist dat met zijn motorvoertuig op het moment en de plaats van de meting is gereden met een gecorrigeerde snelheid van meer dan 50 km/u, is dit naar het oordeel van de kantonrechter gelet op de bevindingen van de verbalisanten, zoals die blijken uit het dossier, komen vast te staan.

Betrokkene stelt dat de infrastructuur van de Overloonseweg zich niet verenigt met een snelheidslimiet van 50 km per uur en niet voldoet aan de normen die daar uit veiligheidsoverwegingen aan gesteld worden. De weg is niet aangepast aan de (kennelijk) geldende maximum snelheid van 50 km per uur, maar is ingericht voor een maximum snelheid van 80 km per uur. Voorheen, vanaf 1999, gold voor deze weg een maximumsnelheid van 80 km per uur, maar men heeft de maximumsnelheid van deze weg in 2002 verlaagd naar 50 km per uur. Dit heeft men gedaan door enkel aan een zijde van de Overloonseweg, als men richting Vierlingsbeek rijdt, een bord met de aanduiding “bebouwde kom” te plaatsen. Gebruikelijk is echter dat aan beide zijden van de weg een dergelijk bord wordt geplaatst. Dit bord aan de ene zijde van de weg is bovendien op een onlogische plaats geplaatst, namelijk halverwege de Overloonseweg. Opvallend is dat hierdoor alleen de weg zelf in de bebouwde kom ligt en niet de aangrenzende percelen. De situatie is dermate verwarrend dat van de wegbeheerder aanvullende verkeersmaatregelen verlangd mogen worden. Inmiddels zijn ook enkele maatregelen getroffen door de gemeente en ook zullen er nog verdere aanvullende maatregelen door de gemeente worden getroffen. Daarmee erkent de gemeente dat de weg is ingericht als een weg met een maximum snelheid van 80 km per uur. Indien men het dorp Vierlingsbeek uitrijdt, is er sprake van een nog grotere onduidelijkheid. Na het oversteken van de spoorlijn en nog voor men de Overloonseweg oprijdt, ziet men wel een bord “einde bebouwde kom” met een snelheidsaanduiding 60 km per uur, maar dit bord is verderop naast de Hattertweg geplaatst. Dit is een zijweg van de Overloonseweg. Er is naast de Overloonseweg op geen enkele plaats een bord met de aanduiding welke snelheid men dient aan te houden. Een bord “einde bebouwde kom” aan de zijde van de Overloonseweg, als men het dorp uitrijdt, ontbreekt. De aangebrachte verkeerstekens zijn daarom ontoereikend.

8.2

Voorts stelt betrokkene dat op 5 en 13 december 2013 niet alleen de snelheden op de Overloonseweg te Vierlingsbeek, maar ook op de Vierlingsbeekseweg te Overloon zijn gecontroleerd. Beide wegen zijn verbindingswegen met de A73. Opvallend is dat in Overloon maar acht keer sprake was van een snelheidsovertreding, terwijl daarvan in Vierlingsbeek achthonderd keer sprake was. Dit verschil kan er in gelegen zijn dat in Overloon voor de weggebruiker sprake is van een duidelijke situatie omdat daar de bebouwde kom ook eindigt waar de bebouwing ophoudt, terwijl dit in Vierlingsbeek niet het geval is.

8.3

Naar het oordeel van de kantonrechter dient bij de beoordeling van de verweren vermeld onder 8.1 en 8.2 het volgende voorop te worden gesteld. Voor de geldende maximumsnelheid is niet bepalend de inrichting van de weg, maar geldt als uitgangspunt de geplaatste verkeerstekens (zie onder meer Gerechtshof Leeuwarden, 22 maart 2006, ECLI: NL: GHLEE:2006:AW1929).

Voor wat betreft het verkeer op de Overloonseweg, gaande in de richting van Vierlingsbeek, overweegt de kantonrechter het volgende. Uit foto II gevoegd bij de proces-verbaal d.d. 3 september 2014 van de [verbalisant 1] en foto 2 gevoegd bij de processen-verbaal d.d. 3 september 2014 van de [verbalisant 2] , alsmede uit de ter terechtzitting getoonde foto (zie onder meer bijlage 5 proces-verbaal terechtzitting d.d. 14 november 2014) blijkt dat er naast de Overloonseweg een bord H1 (begin bebouwde kom) is geplaatst met daarbij een bord A1 (50 km). Voorts blijkt uit deze foto’s dat er bij dit bord H1 op het wegdek meerdere witte strepen zijn aangebracht om de gewijzigde situatie onder de aandacht van de verkeersdeelnemers te brengen. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat ter plaatse een maximum snelheid van 50 km/u gold.

8.5

Voor wat betreft het verkeer op de Overloonseweg, komende uit de richting van Vierlingsbeek, overweegt de kantonrechter het volgende. De Spoorstraat, waar een maximumsnelheid van 50 km per uur geldt omdat deze binnen de bebouwde kom van Vierlingsbeek ligt, gaat over in de Overloonseweg. Ter terechtzitting zijn twee foto’s getoond van Google Maps (zie onder meer bijlage 3 en 4 proces-verbaal terechtzitting d.d. 14 november 2014). Hieruit blijkt dat voorbij de spoorlijn, naast de Overloonseweg geen bord H2 (einde bebouwde kom) is geplaatst. Uit deze foto’s blijkt dat dit bord wel is geplaatst naast de Hattertweg (een zijweg van de Overloonseweg) en op afstand van de Overloonseweg. Gelet op het een en ander staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat volgens de bebording de bebouwde kom van Vierlingsbeek op de Overloonseweg niet geëindigd was en dat derhalve de geldende maximumsnelheid ter plaatse niet hoger dan 50 km per uur was.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 8.3 tot en met 8.5 is overwogen en gelet op de gemeten gecorrigeerde snelheid (zie hiervoor onder 7) komt de kantonrechter tot de conclusie dat de gedraging is begaan.

9.1

De verweren van betrokkene, zoals hiervoor onder 8.1 en 8.2 uiteengezet, komen er ook op neer dat sprake is van een onduidelijke verkeerssituatie op de Overloonseweg. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie bestrijdt dit en heeft betoogd dat de borden H1 (aanvang bebouwde kom), alsmede de borden A1 (50 km) duidelijk zichtbaar zijn geplaatst, komende en gaande in de richting van Vierlingsbeek. Voorts heeft de vertegenwoordiger betoogd dat het bord H2 (einde bebouwde kom) naast de Hattertweg (bij het spoor) voor betrokkene een trigger had moeten zijn dat de Overloonseweg binnen de bebouwde kom viel. De kantonrechter overweegt dienaangaande het volgende.

9.2

Naar aanleiding van de ter terechtzittingen van 14 november 2014 en 29 april 2015 getoonde foto’s van Google Maps, de daarop gegeven toelichting en de ter zitting van 29 april 2015 getoonde film door de betrokkene [gemachtigde] is de kantonrechter met betrekking tot de verkeerssituatie van de Overloonseweg te Vierlingsbeek het volgende gebleken. Komende vanuit Vierlingsbeek gaat de Spoorstraat over in de Overloonseweg. De inrichting van de Spoorstraat verschilt in sterke mate met die van de Overloonseweg. Dit blijkt met name uit de aangebrachte strepen op deze wegen. De inrichting van de Spoorstraat duidt op een weg binnen de bebouwde kom en de inrichting van de Overloonseweg duidt op een weg buiten de bebouwde kom.

Verder is er naast de Overloonseweg aan de rechterzijde (komende vanuit Vierlingsbeek) nauwelijks enige bebouwing, maar vrijwel uitsluitend agrarische grond. Aan de linkerzijde van de Overloonseweg (komende vanuit Vierlingsbeek) is er wel wat meer bebouwing, maar deze is verre van aaneengesloten. Op de Overloonseweg zijn ook geen snelheid beperkende maatregelen, zoals bijvoorbeeld drempels of wegversmallingen aangebracht. De kantonrechter acht het daarom begrijpelijk dat voor verkeersdeelnemers de indruk is ontstaan dat zij op de Overloonseweg buiten de bebouwde kom reden. Dat aan de Hattertweg wel een bord H2 (einde bebouwde kom) is geplaatst rechtvaardigt geen andere conclusie omdat dit een zijweg is van de Overloonseweg.

9.3

Daarbij komt dat de bebording naast de Overloonseweg naar het oordeel van de kantonrechter niet duidelijk is, dan wel onjuist is geplaatst. Zo is ongeveer halverwege de Overloonseweg voor het verkeer gaande in de richting van Vierlingsbeek aan de rechterkant van de weg een bord H1 (aanvang bebouwde kom) en een bord A1 (50 km) geplaatst, maar aan de andere kant van de Overloonseweg ontbreekt ter plaatse, maar ook elders in de richting van de A73, de bebording H2 (einde bebouwde kom) voor het verkeer komende uit de richting van Vierlingsbeek, terwijl dat wel voor de hand had gelegen.

9.4

Verder is door [betrokkene 2] ter terechtzitting van 14 november 2014 aan de hand van een tekening en foto’s betoogd dat als men vanuit Vierlingsbeek over de Hattertweg, na het uitrijden van de bebouwde kom, naar de Overloonseweg rijdt men geen bord tegenkomt waaruit blijkt dat de maximum snelheid op de Overloonseweg 50 km per uur is. Omdat op de Hattertweg enkel een bord staat met de aanduiding dat de maximale snelheid 60 km per uur is, konden de weggebruikers van de Overloonseweg in de veronderstelling verkeren dat de maximum snelheid daar ook 60 km per uur was. In een aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2014 met bijlagen hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gerelateerd dat het alleen mogelijk is om van de Hattertweg naar de Overloonseweg te rijden indien men gebruik maakt van een eigen weg. Nu men niet op deze wijze via de openbare weg op de Overloonseweg kan komen, kan volgens hen bij een verkeersdeelnemer ook niet de indruk zijn gewekt dat het toegestaan was om op de Overloonseweg, een hogere snelheid dan 50 km per uur te rijden. Ter terechtzitting van 29 april 2015 is door [betrokkene 2] betoogd dat de verbalisanten in hun nader proces-verbaal de huidige situatie hebben beschreven en dat deze afwijkt van de situatie ten tijde van de gedraging, zoals eerder door hem uiteengezet. Nu de verbalisanten in hun aanvullend proces-verbaal niet aangeven welke situatie zij beschrijven, zal de kantonrechter de situatie, zoals beschreven door [betrokkene 2] , voor juist houden. Het moet er daarom voor gehouden worden dat het ten tijde van de gedraging vanwege een onjuiste bebording mogelijk was om de Overloonseweg op te rijden zonder dat men er op gewezen werd dat ter plaatse een maximum snelheid van 50 km/u gold.

Voorts is nog het volgende van belang. In de regeling Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeertekens is het volgende bepaald:

Hoofdstuk II. Verkeersborden

Paragraaf 1. Algemene bepalingen ten aanzien van de toepassing van verkeersborden

1. Borden worden slechts toegepast indien de inrichting van de weg in overeenstemming is met hetgeen bij de afzonderlijke borden is voorgeschreven.

……………

Paragraaf 4. Voorschriften voor de afzonderlijke borden.

……………

Borden H1 en H2 (bebouwde kom resp. einde bebouwde kom)

Toepassing

1. De grens van de bebouwde kom, aangegeven door bord H1 en H2, wordt gekenmerkt door het begin van een langs de weg gelegen aaneengesloten bebouwing van zodanige omvang en dichtheid, dat een voor de weggebruiker duidelijk herkenbaar verschil in het karakter van de wegomgeving aanwezig is met een buiten de bebouwde kom gelegen weg. Ter plaatse van de komgrens moet een zodanige wijziging van wegkenmerken voorkomen dat het verschil in karakter van de weg voor en na bord H1 of H2 aldaar zoveel mogelijk benadrukt wordt.

……………

Gelet op de hiervoor onder 9.2 beschreven kenmerken van de Overloonseweg stelt de kantonrechter vast dat de bebording H1 (aanvang bebouwde kom) naast de Overloonseweg (in de richting van Vierlingsbeek) niet op de voorgeschreven wijze volgens de regeling Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeertekens is geplaatst en dat volgens deze regeling daar waar de Spoorstraat overgaat in de Overloonseweg (vanuit Vierlingsbeek) een bord H2 (einde bebouwde kom) geplaatst had moeten worden. Hoewel de regeling Uitvoeringsvoorschriften BABW is gericht aan de wegbeheerder, dient hieraan in het onderhavige geval naar het oordeel van de kantonrechter toch gewicht te worden toegekend omdat betrokkene gelet op de onduidelijke wegsituatie (zie hiervoor onder 9.2) er een extra belang bij had dat de bebording volgens de geldende regels was geplaatst.

9.6

In de onduidelijke wegsituatie (zie hiervoor onder 9.2) in samenhang bezien met de onduidelijke dan wel de onjuiste bebording (zie hiervoor onder 9.3 tot en met 9.5) ziet de kantonrechter aanleiding om het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing van de officier van justitie, alsmede de beslissing waarbij de sanctie is opgelegd, te wijzigen en wel in die zin dat de sanctie wordt gematigd naar nihil.

10

Gelet op de gedeeltelijke gegrondverklaring hoeven de overige verweren van betrokkene, met name het beroep op willekeur omdat in vergelijkbare gevallen de strafbeschikking is ingetrokken, geen bespreking meer.

11.1

De gemachtigde heeft om een proceskostenveroordeling verzocht. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie heeft bij brief d.d. 1 mei 2015 verzocht zich hierover nog uit te mogen laten. De kantonrechter acht daartoe onvoldoende grond aanwezig. De vertegenwoordiger heeft voldoende mogelijkheden gehad om dit eerder tijdens de loop van procedure aan de orde te stellen.

11.2

Nu het beroep gedeeltelijk gegrond is en de sanctie wordt gematigd naar nihil, bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter aanleiding om het verzoek om een proceskostenveroordeling in te willigen. Dit betreft de kosten van de door de gemachtigde in de fase van beroep bij de officier van justitie en bij de kantonrechter beroepsmatig verleende rechtsbijstand, een en ander overeenkomstig hetgeen is bepaald in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage. De gemachtigde heeft twee beroepschriften ingediend, waarvoor twee punten worden toegekend. Voor eenmaal op een hoorzitting en eenmaal op een nadere hoorzitting verschijnen wordt anderhalf punt toegekend. Gelet op de aard van de zaak geldt een wegingsfactor ½ (licht). Er is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 lid 2 van voornoemd besluit. Aangezien het meer dan 4 zaken betreft wordt factor 1,5 toegekend. Dit resulteert in een vergoeding van € 1.286,25 (€ 490,- x 3,5 x 0,5 x 1,5). Uit praktische overwegingen zal slechts in een van de samenhangende zaken het volledige bedrag aan proceskosten worden toegekend.

De beslissing

De kantonrechter:

verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond en wijzigt de bestreden beslissing, alsmede de beslissing waarbij de sanctie werd opgelegd, in die zin dat de sanctie wordt gematigd naar nihil;

bepaalt dat het door betrokkene betaalde bedrag aan zekerheid aan hem/haar wordt gerestitueerd;

bepaalt dat aan de [gemachtigde] een bedrag van € 1.286,25 ter zake proceskosten wordt toegekend, uit te betalen op een nader door de gemachtigde aan het openbaar ministerie aan te geven bankrekening.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.J. Appelhof, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2015 in tegenwoordigheid van H.P.M. van den Berg, griffier.

VERZONDEN D.D.:

Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen 6 weken vanaf bovengenoemde datum van toezending hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, doch alleen indien:

  1. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 70,00 bedraagt (artikel 14, eerste lid Wahv), of

  2. het beroep niet ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld of omdat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener wat dat betreft redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest (artikel 14, tweede lid Wahv).

Het beroepschrift moet tijdig worden ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant, team strafrecht, afdeling kanton (Postbus 70584, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch) en bevat tenminste uw naam en adres, een dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht en de gronden van het beroep. Het beroepschrift dient voorts door u of door uw gemachtigde (indien van toepassing) te zijn ondertekend.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift om een zitting wordt gevraagd om uw standpunt mondeling toe te lichten.