Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5093

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
14_1316
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft afwijzing verzoek planschadevergoeding als bedoeld in de Reconstructiewet (Rcw). De rechtbank is van oordeel dat de gestelde (vermogens)schade niet in een zodanig nauw verband met het reconstructieplan staat, dat zij in redelijkheid aan het reconstructieplan moet worden toegerekend. Schade ten gevolge van minder strenge milieunormen wordt naar het oordeel van de rechtbank niet veroorzaakt door de vaststelling van het reconstructieplan. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Reconstructiewet concentratiegebieden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/929
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/1316

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. W. Krijger)

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder.

(gemachtigden: mr. J.A.M. van Heijningen en R.G. Veurink).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rcw), verband houdende met de vaststelling van het reconstructieplan Beerze-Reusel, afgewezen.

Eiser heeft bij brief van 22 juli 2013 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 februari 2014, verzonden 28 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 april 2014 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de daarop betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 22 april 2015 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat, bij de beoordeling van de zaak, uit van de volgende feiten.

1.1

Eiser is eigenaar van de burgerwoning op het perceel [het perceel] .

Op 22 april 2005 hebben provinciale staten van de provincie Noord-Brabant het Reconstructieplan Beerze-Reusel (reconstructieplan) vastgesteld. Dit plan is op 29 juni 2005 in werking getreden.

Ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan is de woning van eiser komen te liggen in een zogenoemd verwevingsgebied. Gronden ten noorden van het perceel van eiser zijn opgenomen in het landbouwontwikkelingsgebied (LOG) Hulsel-Bladel.

Eiser heeft op 3 april 2012 een verzoek om planschadevergoeding ingediend, verband houdende met de vaststelling van het reconstructieplan. In het verzoek heeft hij aangegeven dat hij schade, in de vorm van waardevermindering van zijn onroerende zaak, lijdt, doordat in het LOG Hulsel-Bladel grotere aantallen dieren worden gehouden. Daardoor is sprake van een toename van stank, verkeer, fijnstof, etcetera, waardoor de gezondheidsrisico's zijn toegenomen.

1.2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan, bij uitspraak van 4 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2226), vernietigd, onder meer voor zover artikel 27 van de Rcw (rechtstreekse planologische doorwerking) van toepassing is verklaard op de werking van de integrale zonering intensieve veehouderij. De vernietiging heeft geen betrekking op de aanduiding en begrenzing van de concentratiegebieden in het reconstructieplan.

Bij besluit van 27 juni 2008 hebben provinciale staten het Reconstructieplan Beerze-Reusel, Correctieve herziening (correctieve herziening) vastgesteld. De Afdeling heeft op 24 februari 2010 uitspraak gedaan op de tegen dit besluit ingestelde beroepen.

1.3

Verweerder heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) te Rotterdam ingeschakeld, om hem over het verzoek om planschadevergoeding te adviseren. De SAOZ heeft op 15 februari 2013 advies uitgebracht. Volgens de SAOZ hebben de vaststelling van het reconstructieplan en de correctieve herziening daarvan voor eiser niet geleid tot een nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 30 van de Rcw voor vergoeding vatbare schade is voortgevloeid. De SAOZ heeft daarom geadviseerd om het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. Verweerder heeft dit advies opgevolgd.

2. Alvorens de beroepsgronden te behandelen overweegt de rechtbank het volgende.

2.1

De uitspraak van de Afdeling over de vaststelling van het reconstructieplan heeft tot gevolg dat, anders dan provinciale staten bij de vaststelling hebben beoogd, bij eventuele uitbreidingen van intensieve veehouderijen niet het reconstructieplan het planologische kader, in de vorm van een voorbereidingsbesluit, vormt waaraan die uitbreiding moet worden getoetst, maar het geldende bestemmingsplan.

2.2

Verder heeft de Afdeling op 24 februari 2010 uitspraak gedaan over de vaststelling van de correctieve herziening (ECLI:NL:RVS:2010:BL5398). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze uitspraak voor het perceel van eiser geen consequenties heeft. Eiser heeft dit niet weersproken.

In de uitspraak is overwogen dat volgens de tekst van de herziening de inhoud van de beleidsuitspraken voor het grondgebruik binnen de reconstructiezones onverkort is gehandhaafd, maar deze de status hebben van streekplanbeleid. Voor de beleidsuitspraken voor het grondgebruik binnen de reconstructiezones is geen toepassing meer gegeven aan artikel 27 van de Rcw. In een overweging ten overvloede heeft de Afdeling overwogen dat dit niet betekent dat daarmee rechtsbeschermingsmogelijkheden worden ontnomen. Rechtsbescherming wordt volgens de Afdeling niet geboden op het niveau van het reconstructieplan, maar eerst bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

3.1

Eiser voert allereerst aan dat het reconstructieplan al planologische vertaling heeft gekregen voordat de Afdeling zich, naar aanleiding van de beroepen over de correctieve herziening, definitief over de rechtstreekse doorwerking heeft uitgesproken.

De provincie heeft namelijk met alle gemeenten een convenant gesloten, inhoudende dat uiterlijk binnen vier jaar na de vaststelling van het reconstructieplan de bestemmingsplannen zullen zijn aangepast aan het reconstructiebeleid. Dit is ook in de gemeente Reusel-de Mierden gebeurd. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" is op 22 september 2009 vastgesteld.

Bovendien is gebleken dat, als gemeenten zich in het kader van de vaststelling van bestemmingsplan niet aan de spelregels uit het reconstructieplan houden, gedeputeerde staten een reactieve aanwijzing gaven.

Ook is in artikel 8.2 van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant voor gemeenten een verplichting opgenomen om voor landbouwontwikkelingsgebieden te streven naar voorrang van de agrarische economie boven andere ontwikkelingen, geheel conform de spelregels die in de reconstructieplannen zijn opgenomen. De daaruit voortvloeiende schade zal daarom door verweerder moeten worden vergoed, aldus eiser.

3.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het reconstructieplan geen verandering brengt in de planologische situatie op de percelen van eiser. De bestemming van die percelen is niet gewijzigd. Dit geldt ook voor de correctieve herziening.

Volgens verweerder brengt de mogelijkheid van provincies om een reactieve aanwijzing te geven geen verandering in de omstandigheid dat de vaststelling van een reconstructieplan geen rechtstreekse planologische doorwerking heeft.

Ten aanzien van de Verordening ruimte 2012 stelt verweerder zich op het standpunt dat daaruit voortvloeiende schade geen schade is die valt toe te rekenen aan de vaststelling van het reconstructieplan.

3.3

De rechtbank sluit niet uit dat het opnemen van gronden in een van de categorieën van reconstructiezones in het reconstructieplan indirecte effecten kan hebben op de waarde in het vrije economische verkeer van die gronden, of van in de nabijheid gelegen gronden. Dit brengt echter niet met zich dat de gestelde (vermogens)schade in een zodanig nauw verband met het reconstructieplan staat, dat zij in redelijkheid aan het reconstructieplan moet worden toegerekend. Daarbij is van belang dat, zoals verweerder terecht heeft aangegeven, het reconstructieplan geen verandering brengt in de planologische situatie van deze gronden. Het reconstructieplan voorziet namelijk niet in een wijziging van de bestemming en het gebruik van de gronden. Het oorzakelijk verband tussen de aanduiding van de gronden in het reconstructieplan en de door eiser gestelde waardevermindering van de gronden ontbreekt dan ook.

3.4

In de periode voorafgaande aan de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2007 over de vaststelling van het reconstructieplan kon nog wel sprake zijn van planologische doorwerking van het reconstructieplan als voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 21 van de toen geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening. Niet is echter gebleken dat zich in die periode, binnen het landbouwontwikkelingsgebied, in de nabijheid van de gronden van eiser ontwikkelingen hebben voorgedaan die hebben geleid tot schade die voor vergoeding op de voet van artikel 30 van de Rcw in aanmerking zou moeten komen.

3.5

De rechtbank ontgaat ten enenmale dat de door eiser aangehaalde wijzen van doorwerking van het provinciale beleid in bestemmingsplannen tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de daardoor ontstane schade moet worden aangemerkt als schade ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan. Het gaat om het gebruik van instrumenten die hun basis vinden in de Wet ruimtelijke ordening. Gebruikmaking daarvan kan niet worden aangemerkt als rechtstreekse planologische doorwerking op grond van artikel 27 van de Rcw. Schade ten gevolge van een reactieve aanwijzing of van de Verordening ruimte kan niet worden toegerekend aan de vaststelling van een reconstructieplan, omdat het daarvoor vereiste oorzakelijk verband ontbreekt.

Deze beroepsgrond faalt.

4.1

Volgens eiser heeft deze rechtbank in rechtsoverweging 4.4 van de (tussen)uitspraak 1 augustus 2013 (ECLI:NL:RBOBR:2013:4288), in een zaak waarin een verzoek om planschadevergoeding vanwege de vaststelling van een bestemmingsplan was ingediend, gesteld dat, vanwege de rechtstreekse doorwerking van de aanduiding en begrenzing van LOG’s, niet het bestemmingsplan maar het reconstructieplan de veroorzaker van de schade is.

4.2

Volgens verweerder is in deze overweging enkel aangegeven dat, wat de aanduiding en de begrenzing van het LOG betreft, het bestemmingsplan niet als schadeveroorzakend feit kan worden aangemerkt. In het reconstructieplan zijn geen planvoorschriften verbonden aan de aanduiding en begrenzing van LOG’s.

4.3

In de door eiser aangehaalde uitspraak van 1 augustus 2012 is het volgende overwogen:

"4.4 De rechtbank overweegt dat de aanduiding en de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden heeft plaatsgevonden in het reconstructieplan. In paragraaf 11.6 van het reconstructieplan is hieraan rechtstreekse doorwerking in het gemeentelijk planologisch beleid toegekend in de zin van artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. In de uitspraak van 16 mei 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA5222) heeft de AbRS geoordeeld dat beleidsuitspraken over landbouwontwikkelingsgebieden geen rechtstreekse doorwerking kunnen hebben en het reconstructieplan in zoverre vernietigd. Dit geldt evenwel niet voor de aanduiding en begrenzing van de gebieden. In het licht van deze rechtstreekse doorwerking heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat voor wat betreft de aanduiding en de begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied het bestemmingsplan niet als schadeveroorzakend feit kan worden aangemerkt, terwijl de vaststelling van het reconstructieplan hier niet in geding is. In het nieuwe bestemmingsplan zelf zijn geen rechtstreekse planvoorschriften opgenomen als gevolg waarvan de ontwikkelingsmogelijkheden in landbouwontwikkelingsgebieden worden uitgebreid. Aan artikel 8 van de planvoorschriften over landbouwontwikkelingsgebieden heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant namelijk goedkeuring onthouden. Op grond van het voorgaande faalt het betoog van eiser."

4.4

De rechtbank heeft in de aangehaalde uitspraak, in overeenstemming met de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2007, een duidelijk onderscheid aangebracht tussen de rechtstreekse doorwerking van de aanduiding en de begrenzing van landbouwontwikkelingsgebieden enerzijds en beleidsuitspraken over die gebieden anderzijds. Slechts voor zover het ging over beleidsuitspraken kon, gelet op de uitspraak van de Afdeling, van rechtstreekse doorwerking geen sprake zijn. De rechtbank heeft louter ten aanzien van de begrenzing geoordeeld dat (de vaststelling van) het bestemmingsplan niet als schadeveroorzakend feit kan worden aangemerkt. Voor zover in het reconstructieplan geen beleidsuitspraken over landbouwontwikkelingsgebieden worden gedaan, is de vaststelling van het bestemmingsplan het schadeveroorzakende feit. Dit wordt bevestigd in de, in rechtsoverweging 2.2 genoemde, uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2010 over de correctieve herziening. Bij het ontbreken van beleidsuitspraken voor het grondgebruik binnen de reconstructiezones met rechtstreekse planologische doorwerking wordt rechtsbescherming niet geboden op het niveau van het reconstructieplan, maar eerst bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Eiser is verder van mening dat, ten gevolge van de aanduiding en begrenzing van het betrokken landbouwontwikkelingsgebied in het reconstructieplan, wettelijke normen met betrekking tot geluid, geur, fijnstof, ammoniak en dergelijke van toepassing zijn geworden die verschillen van de normen buiten dit gebied. Dit heeft geleid tot schade die aanwijsbaar een gevolg is van de vaststelling van het reconstructieplan.

5.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar niet valt uit te sluiten dat het scharen van percelen onder een in het reconstructieplan opgenomen landbouwontwikkelingsgebied indirecte effecten heeft op de waarde van percelen, maar dat dit niet tot gevolg heeft dat die schade in een zodanig nauw verband met het reconstructieplan staat, dat zij in redelijkheid aan dit plan kan worden toegerekend.

5.3

De SAOZ heeft in haar advies geconcludeerd dat het, ten gevolge van de vaststelling van een reconstructieplan, van kracht worden van een stanknormering die burgerwoningen in het buitengebied minder bescherming biedt niet maakt dat daardoor ontstane schade aan die vaststelling moet worden toegerekend. De SAOZ heeft daartoe, op de pagina's 21 en 22 van haar rapport, verwezen naar een tweetal uitspraken van de Afdeling. Hetzelfde geldt volgens de SAOZ ten aanzien van andere milieueffecten. Van een causaal verband is geen sprake. Volgens de SAOZ is sprake van een vorm van schaduwschade die op grond van vaste jurisprudentie niet voor vergoeding in aanmerking komt.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, mede gezien het advies van de SAOZ, op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat schade ten gevolge van het van toepassing worden van minder strenge milieunormen niet wordt veroorzaakt door de vaststelling van het reconstructieplan. Voor vergoeding van deze schade op de voet van artikel 30, eerste lid, van de Rcw, is dan ook geen plaats.

Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eiser voert tot slot aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij zijn schade onvoldoende heeft aangetoond. Volgens eiser is de schade wel degelijk, door middel van een taxatie door een beëdigd makelaar, aan verweerder voorgelegd.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de aanvraag enkel een kopie van het "Aanslagbiljet onroerende zaakbelasting/WOZ beschikking" is aangetroffen. In het aanvraagformulier is door eiser aangegeven dat de waardevermindering 50% tot onverkoopbaar is, met een summiere onderbouwing.

6.3

Eiser heeft weliswaar in beroep bestreden dat hij de schade onvoldoende heeft aangetoond. Hij heeft daartoe gewezen op een taxatie. Onder de gedingstukken bevindt zich echter geen taxatieverslag of -rapport. Verweerder heeft zich, gelet hierop, terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de schade onvoldoende is aangetoond.

Deze beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is, gelet op het voorafgaande, ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. G. Neelis, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.