Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5087

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
01/860396-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn personenauto gekeerd op een plaats waar dit niet was toegestaan. Een verdachte tegemoetkomende motorrijder kon hem niet ontwijken en er ontstond een aanrijding. Verdachte wordt voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van €500,-- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegheid van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/860396-14

Datum uitspraak: 26 augustus 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1947] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 augustus 2015. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 juli 2015. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 mei 2014 te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Proviciale weg N279 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te handelen als volgt;

verdachte heeft rijdende over de Provinciale weg een bijzondere manoeuvre uitgevoerd (namelijk het keren op de weg), terwijl die bijzondere manoeuvre aldaar en destijds niet was toegestaan en/of heeft daarbij een dubbele doorgetrokken streep (die tussen beide rijbanen was aangebracht) genegeerd en/of is over die dubbele doorgetrokken streep gereden en/of heeft daarbij (aldus) geen, althans onvoldoende rekening gehouden met het voor hem, verdachte (op het moment van het inzetten van die manoeuvre) tegemoetkomende verkeer en/of dat tegemoetkomende verkeerd niet, althans niet tijdig opgemerkt, tengevolge waarvan een voor verdachte (op het moment van het inzetten van de manoeuvre) tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets, genoodzaakt was om (abrupt en/of krachtig) te remmen (teneinde een aanrijding met die door verdachte bestuurde auto te voorkomen) en/of (daardoor/daarbij) ten val is gekomen en/of (vervolgens) met zijn motorfiets tegen de auto van verdachte is gereden/geschoven, waardoor de bestuurder van die motorfiets (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen, (24) gebroken ribben, gebroken bekken, een scheurtje in de ruggewervel en/of 2 ingeklapte longen) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 mei 2014 te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Zuid-Willemsvaart, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft verdachte rijdende over de Provinciale weg een bijzondere manoeuvre uitgevoerd (namelijk het keren op de weg), terwijl die bijzondere manoeuvre aldaar en destijds niet was toegestaan en/of heeft daarbij een dubbele doorgetrokken streep (die tussen beide rijbanen was aangebracht) genegeerd en/of is over die dubbele doorgetrokken streep gereden en/of heeft daarbij (aldus) geen, althans onvoldoende rekening gehouden met het voor hem, verdachte (op het moment van het inzetten van die manoeuvre) tegemoetkomende verkeer en/of dat tegemoetkomende verkeerd niet, althans niet tijdig opgemerkt, tengevolge waarvan een voor verdachte (op het moment van het inzetten van de manoeuvre) tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets, genoodzaakt was om (abrupt en/of krachtig) te remmen (teneinde een aanrijding met die door verdachte bestuurde auto te voorkomen) en/of (daardoor/daarbij) ten val is gekomen en/of (vervolgens) met zijn motorfiets tegen de auto van verdachte is gereden/geschoven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen worden deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Bewijsmotivering.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto zijn voertuig op de rijbaan gekeerd terwijl die manoeuvre daar niet was toegestaan. Bij het uitvoeren van die manoeuvre heeft verdachte het hem tegemoetkomend verkeer niet, althans niet tijdig opgemerkt. Nadat de keermanoeuvre was voltooid, heeft verdachte zijn weg vervolgd. Kort daarna is een aanrijding met een motorfiets ontstaan omdat de naderende motorfiets zijn voertuig niet tot stilstand kon brengen voordat hij verdachte was genaderd. Door die aanrijding heeft de motorrijder zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waarvan hij nog niet is hersteld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat tussen de door verdachte uitgevoerde keermanoeuvre en het ontstaan van de aanrijding causaal verband bestaat omdat de snelheid van verdachte na het uitvoeren van die keermanoeuvre zodanig laag was dat de motorrijder de door verdachte bestuurde personenauto niet kon ontwijken. De officier van justitie kwalificeert het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de keermanoeuvre had voltooid, dat verdachte zijn weg weer had vervolgd en dat verdachte al ongeveer 300 meter van de plaats waar hij de keermanoeuvre had uitgevoerd, was verwijderd toen de aanrijding met de motorrijder plaatsvond. De verdediging is van oordeel dat tussen de keermanoeuvre van verdachte en het ontstaan van het de aanrijding, geen verband bestaat.

De rechtbank overweegt het navolgende. Uit de inhoud van het procesdossier en met name uit de verkeersongevalanalyse noch uit het onderzoek ter terechtzitting van 12 augustus 2015, is gebleken van zodanige feiten of omstandigheden die het door verdachte geschetste beeld van de toedracht van de aanrijding kunnen weerleggen en waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat er een oorzakelijk verband tussen de keermanoeuvre van verdachte en het ontstaan van het ongeval bestaat. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan het ontstaan van de aanrijding schuld heeft gehad in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat het uitvoeren van de keermanoeuvre op een plaats waar dat niet was toegestaan, gevaar voor de overige verkeersdeelnemers kon veroorzaken. Dat dit gevaar zich ook heeft gerealiseerd, blijkt uit het ontstane ongeval. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 26 mei 2014 te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, als bestuurder van een voertuig, personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Zuid-Willemsvaart, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers heeft verdachte rijdende over de Provinciale weg een bijzondere manoeuvre uitgevoerd, namelijk het keren op de weg, terwijl die bijzondere manoeuvre aldaar en destijds niet was toegestaan en heeft daarbij een dubbele doorgetrokken streep die tussen beide rijbanen was aangebracht, genegeerd en is over die dubbele doorgetrokken streep gereden en heeft daarbij aldus onvoldoende rekening gehouden met het voor hem, verdachte, op het moment van het inzetten van die manoeuvre tegemoetkomende verkeer.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde [aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend].

  • -

    een taakstraf van 160 uur subsidiair 80 dagen hechtenis en

  • -

    een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van één jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder zijn draagkracht.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

In het nadeel van verdachte weegt mee

dat het door verdachte veroorzaakte gevaar zich heeft gerealiseerd, blijkend uit het ernstige letsel wat de fietser als gevolg van de aanrijding heeft opgelopen.

Verdachte heeft de door hem bestuurde personenauto, in strijd met de geldende verkeersregels, op de rijbaan gekeerd zonder goed te kijken of en zo ja waar andere verkeersdeelnemers zich tijdens die manoeuvre bevonden. Door dit handelen van verdachte kon gevaar voor andere verkeersdeelnemers worden veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich ook gerealiseerd, blijkend uit het ontstane ongeval en de aard, de ernst en de omvang van het bij dat ongeval betrokken slachtoffer.

In het voordeel van verdachte weegt mee

Verdachte heeft op geen enkel moment getracht zijn aandeel in of verantwoordelijkheid voor het ongeval te ontlopen. Nu verdachte niet eerder is veroordeeld en hij al lange tijd als bestuurder van een personenauto aan het verkeer deelneemt, ziet de rechtbank de bewezen verklaarde overtreding dan ook als een eenmalig misstap. Bovendien is er enige tijd verstreken tussen het plaatsvinden van het bewezen verklaarde ongeval op 26 mei 2014 en de behandeling van dat feit op de zitting van 12 augustus 2015. Al die tijd heeft verdachte in spanning verkeerd over de afloop van de tegen hem aanhangig gemaakte strafzaak.

De strafmodaliteit

De rechtbank acht oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden. Naast deze geldboete zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen aan verdachte opleggen, enerzijds om de ernst van het door verdachte gepleegde feit tot uitdrukking brengen en anderzijds om invloed uit te oefenen op het [verkeers]gedrag van de verdachte in de toekomst.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een geldboete van € 500,-- en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van zes maanden, passend en geboden is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 23, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en

5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

Spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op de overtreding:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

Ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde feit.

 een geldboete van € 500,-- [vijfhonderd euro] bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis.

Bepaalt dat deze geldboete desgewenst in tien termijnen van elk € 50,-- per maand kan worden voldaan.

 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. B. Poelert, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 26 augustus 2015.

Mr. Poelert is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.