Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4939

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
SHE 15/2175
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 13b Opiumwet. Softdrugs. Sluiting woning.

Wetsverwijzingen
Beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang ingevolge artikel 13b Opiumwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 15/2175

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2015 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Stevens),

en

de burgemeester van de gemeente Geldrop-Mierlo, verweerder

(gemachtigde: B.A. Brugman).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang aan verzoekster opgelegd. De last houdt in dat de woning met bijbehorende schuur aan [adres] met ingang van 11 mei 2015 om 14.00 uur wordt gesloten en gesloten blijft tot 11 augustus 2015.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 8 mei 2015 (SHE 15/1341) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken nadat verweerder heeft beslist op het bezwaar.

Bij besluit van 9 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters bezwaar, voor zover dat zich richtte tegen een ontoereikende motivering van het primaire besluit, gegrond verklaard. Verder heeft verweerder, onder verbetering van de gronden, bepaald dat de woning met bijbehorende schuur met ingang van 21 augustus 2015 wordt gesloten en gedurende drie maanden, zijnde tot en met 20 november 2015, gesloten dient te blijven.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer SHE 15/2111. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om hangende dat beroep een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder wordt gelast het bestreden besluit in te trekken, te wijzigen of niet uit te voeren zolang de bestuursrechtelijke procedure nog loopt. De gronden van het verzoek dateren van 28 juli 2015. De termijn voor het indienen van beroepsgronden is nog niet verstreken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Verzoekster is (mede)huurster en (mede)gebruikster van de woning met bijbehorende schuur. Zij woont daar met haar partner en twee kinderen van vier en zes jaar.

In een op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van 9 maart 2015 is

vermeld dat medewerkers van de Landelijke Eenheid van de politie, Dienst Landelijke Recherche, op 2 maart 2015 een onderzoek hebben ingesteld op het adres van verzoekster. Daarbij hebben medewerkers van de politie, in de bij de woning behorende schuur, 1200 gram hennep en 222 gram hasjiesj, zijnde stoffen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, aangetroffen. Dat sprake is van hasjiesj en hennep, is door middel van een indicatieve test vastgesteld. De aangetroffen hoeveelheden hasjiesj en hennep overschrijden ruimschoots de grens van vijf gram. Vanaf die hoeveelheid neemt het Openbaar Ministerie aan dat sprake is van een handelshoeveelheid softdrugs. Gelet hierop is aangenomen dat de aangetroffen softdrugs aanwezig waren voor de handel in verdovende middelen. Verder zijn bij het onderzoek ter plaatse twee vuurwapens en een alarmpistool aangetroffen. In de ouderlijke slaapkamer, in de woning, werd onder het hoofdkussen op het bed een revolver aangetroffen, waarvan uit forensisch onderzoek is gebleken dat het een geladen revolver van het merk HS, model 38S, kaliber .38 Special, met zes kogelpatronen in het rondsel betreft. Voorts werd in de voorraadkast in de keuken, aangrenzend aan de woonkamer, een half geladen vuurwapen aangetroffen, waarvan uit forensisch onderzoek is gebleken dat het een semiautomatisch pistool van het merk Walther, model P22, kaliber 6.35 mm Browning, met bijbehorend patroonmagazijn met daarin 4 kogelpatronen betreft. Ook werd in deze voorraadkast een

gas-/alarmpistool aantroffen, waarvan uit forensisch onderzoek is gebleken dat het een pistool van het merk Ekol, model 99, kaliber 9 mm P.A. Knall, met bijbehorend patroonmagazijn met daarin 8 knalpatronen betreft. Gelet op deze bevindingen hebben het Openbaar Ministerie en de politie verweerder geadviseerd deze bevindingen te gebruiken voor het toepassen van bestuurlijke maatregelen tegen de locatie en de personen die in dit onderzoek naar voren zijn gekomen.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij, gelet op wat in de woning en de bijbehorende schuur is aangetroffen, op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het toepasselijke beleid bevoegd was om een last onder bestuursdwang aan verzoekster op te leggen. Volgens verweerder is sprake van een dusdanig ernstig geval dat dit de sluiting van de woning zonder voorafgaande waarschuwing rechtvaardigt. Daarbij heeft verweerder de mate van gevaar of risico voor de volksgezondheid en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de woning van doorslaggevend belang geacht. Wel heeft verweerder in de omstandigheden van het geval aanleiding gezien om in dit geval een kortere sluitingstermijn dan in het beleid is bepaald vast te stellen, te weten drie in plaats van zes maanden.

3. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het belang van verzoekster bij het treffen van een voorziening dient in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure te worden afgewogen tegen het belang van verweerder. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in de bodemprocedure.

4. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend.

5. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en dat het bestreden besluit daarom disproportioneel is. Daartoe heeft zij gesteld dat, volgens het beleid van verweerder, een woning waarin voor de eerste maal een handelshoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen, in beginsel wordt gesloten, maar dat nadrukkelijk zal worden bezien of, gelet op de feiten en omstandigheden van het specifieke geval met een waarschuwing kan worden volstaan. Volgens verzoekster blijkt uit het bestreden besluit niet of verweerder heeft bezien of met een waarschuwing kon worden volstaan.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder bevoegd was handhavend op te treden ten aanzien van de woning en de daarbij behorende schuur. In geschil is of de specifieke omstandigheden van het geval verweerder aanleiding hadden moeten geven om met een schriftelijke waarschuwing te volstaan.

7. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot

oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet over beleidsvrijheid beschikt. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerde met enige terughoudendheid moet toetsen. Daarbij is de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet van belang. Ter invulling van zijn bevoegdheid heeft verweerder de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake een woning of lokaal 2013 (het Handhavingsbeleid) op 4 december 2012 vastgesteld.

9. Volgens het Handhavingsbeleid wordt een woning waarin voor de eerste maal een handelshoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen in beginsel gesloten, maar zal nadrukkelijk worden bezien of gelet op de feiten en omstandigheden van het specifieke geval met een waarschuwing kan worden volstaan. Het Handhavingsbeleid bevat de volgende, niet limitatieve opsomming van indicatoren die relevant zijn bij de zorgvuldige belangenafweging of sluiting noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de gewenste situatie van het woon- en leefklimaat en het weren en terugdringen van drugshandel gerelateerd aan de desbetreffende woning, dan wel wordt volstaan met een waarschuwing.

a. De hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet. Hierbij kan gedacht worden aan de aangetroffen middelen, in hoeverre is sprake van handelshoeveelheden van verschillende middelen, combinatie van hard- en softdrugs, maar ook aan de hoeveelheid. Het aantreffen van een handelshoeveelheid op zichzelf is al voldoende om handel aan te nemen en daadwerkelijke verkoop, afleveren of verstrekken hoeft niet aangetoond te worden. Echter, een minieme overschrijding van wat als handelshoeveelheid wordt aangemerkt kan een andere afweging rechtvaardigen.

b. De mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. Hierbij kan gedacht worden aan (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of -gebruik in verband kunnen worden gebracht, of het aantreffen van attributen die op handel in verdovende middelen wijzen zoals weegschalen, grote hoeveelheden cash geld, versnijdingsmaterialen, verpakkingsmaterialen, et cetera, in de woning.

c. Strafbare feiten, geweldsdelicten, wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie of andere openbare orde-delicten gerelateerd aan de woning. Hierbij kan gedacht worden aan gerelateerde feiten in de zin dat in de woning personen worden aangetroffen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit gedurende de afgelopen drie jaar, of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidivist hebben getoond. Ook kan aantoonbare (drugs)overlast met betrekking tot het pand of andere panden van de eigenaar een rol spelen.

d. Vermoedens van verwijtbaar gedrag van bewoner(s)/betrokkene(n) of betrokkenheid bij personen met antecedenten. Hierbij kan gedacht worden aan aantoonbare relaties van bewoner(s)/betrokkene(n) met personen die bij de politie bekend staan als drugshandelaren, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit.

e. De mate van gevaar of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of omwonende(n). Hierbij kan gedacht worden aan een buurt waarin de woning zich bevindt (staat de omgeving van de woning al langer onder druk in verband met drugsoverlast bijvoorbeeld blijkend uit een negatieve score op de veiligheidsindex, dan kan worden overwogen dat een drugsvondst sneller het toch al broze woon- en leefklimaat in gevaar brengt) of de drugsoverlast die in de directe omgeving wordt ondervonden.

f. De eigen getroffen maatregelen door de eigenaar om de openbare orde in en rond de woning in voldoende mate te herstellen.

Het Handhavingsbeleid kent een sluitingstermijn van in beginsel zes maanden. Indien de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de burgemeester besluiten tot een sluiting van maximaal twaalf maanden. In geval er aanleiding is tot matiging kan de duur van de sluiting worden beperkt tot een periode van drie maanden.

10. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3941) overweegt de voorzieningenrechter dat het, gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor bewoners, bij de invulling die verweerder in geval van een woning geeft aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, van groot belang is dat uitgangspunt moet zijn: een waarschuwing of een soortgelijke maatregel. In de Kamerstukken (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met het Handhavingsbeleid voldoende inhoud kan worden gegeven aan het uitgangspunt van de wetgever dat bij een overtreding zorgvuldig dient te worden bezien of in plaats van sluiting van een woning kan worden volstaan met een waarschuwing of een daaraan soortgelijke maatregel.

11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in het bestreden besluit alle relevante feiten, omstandigheden en indicatoren voldoende in kaart gebracht. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerder per indicator heeft gemotiveerd of en zo ja, waarom, deze in het nadeel of voordeel van verzoekster is meegewogen. Ook heeft verweerder inzichtelijk gemaakt welke van de indicatoren hij van doorslaggevend belang heeft geacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de feiten en omstandigheden van het specifieke geval maken dat sprake is van een ernstig geval, dat sluiting van de woning zonder voorafgaande schriftelijke waarschuwing rechtvaardigt. Verweerder heeft in het bijzonder gewicht mogen toekennen aan het door hem benoemde gegeven dat het potentiële gebruik van (vuur)wapens in een woonwijk met vooral jonge gezinnen maakt dat er gevaar bestaat voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning en voor omwonenden. Anders dan verzoekster heeft gesteld, heeft verweerder zich blijkens het bestreden besluit voldoende vergewist van de acties en bevindingen van het zogenoemde “Plus Team” en deze kenbaar in de besluitvorming betrokken. Zo is beschreven dat dit team is ingeschakeld voor het ondersteunen van verzoekster en haar gezin bij het vinden van vervangende woonruimte en het borgen van een veilig klimaat voor de kinderen en dat daarvoor ook inspanningen zijn verricht. Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat het “Plus Team” er is voor grensoverschrijdende zorgvragen. Het uitgangspunt is echter zelfredzaamheid. Het team houdt met name het belang van de kinderen in het oog. Als blijkt dat onderdak voor de kinderen beschikbaar is, doet het “Plus Team” een stap terug, wat ook is gebeurd nadat verzoekster desgevraagd te kennen had gegeven dat zij en haar kinderen tijdelijk bij familie terecht zouden kunnen. Dat haar partner daar niet welkom is, zoals verzoekster heeft gesteld, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf niet dat verweerder zich onvoldoende rekenschap zou hebben gegeven van de belangen van de kinderen. Voor het oordeel dat verweerder in dit geval aanleiding had moeten zien om van het door hem gevoerde beleid af te wijken, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Hierbij is in aanmerking genomen dat verzoekster geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die niet al bij de totstandkoming van het Handhavingsbeleid zijn betrokken, of moeten worden geacht te zijn betrokken. De door verzoekster eerst in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure gestelde omstandigheid dat de huurovereenkomst inmiddels per 1 oktober 2015 zal worden beëindigd en de gezondheidstoestand van haar vader, zijn omstandigheden die, zo is ter zitting gebleken, verweerder toen hij het bestreden besluit nam, niet bekend waren, zodat hij daar ook geen rekening mee heeft kunnen houden bij de besluitvorming. Die omstandigheden kunnen dan ook niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit dat hier ter beoordeling voorligt, onrechtmatig is.

12. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2015.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.