Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4931

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
01/845085-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dollemansrit door Eindhoven.

Vrijspraak poging doodslag/zware mishandeling wegens ontbreken (on-)voorwaardelijk opzet.

Overtreding van art. 5 WVW'94 en art. 107 WVW'94 (rijden zonder rijbewijs).

Hechtenis 2 maanden en hechtenis 1 maand met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01/845085-15

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2015 en 5 augustus 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 april 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 05 februari 2015 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer onbekend gebleven fietsers opzettelijk van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig, (personenauto) rijdende over de Bilderdijklaan, gekomen nabij de kruising van die Bilderdijklaan met de Wal, rijdende met een zeer hoge snelheid, een verkeerslicht welke in zijn, verdachtes rijrichting rood licht uitstraalde, heeft genegeerd en/of (vervolgens) over de rijbaan voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gereden, op een moment dat zich daar meerdere fietsers bevonden en/of (vervolgens) rijdende over de Geldropseweg, gekomen nabij de kruising van die Geldropseweg met de Vestdijk en/of de Hertogstraat, met zeer hoge snelheid, een verkeerslicht welke in zijn, verdachtes, rijrichting rood licht uitstraalde, heeft genegeerd en/of (vervolgens) over de rijbaan voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gereden op een moment dat zich daar meerdere fietsers bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 februari 2015 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (personenauto merk, BMW), rijdende over de Bilderdijklaan, gekomen nabij de kruising van die Bilderdijklaan met de Wal, rijdende met een zeer hoge snelheid, een verkeerslicht welke in zijn, verdachtes rijrichting rood licht uitstraalde, heeft genegeerd en/of (vervolgens) over de rijbaan voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gereden, op een moment dat zich daar meerdere fietsers bevonden en/of (vervolgens) rijdende over de Geldropseweg, gekomen nabij de kruising van die Geldropseweg met de Vestdijk en/of de Hertogstraat, met zeer hoge snelheid, een verkeerslicht welke in zijn, verdachtes, rijrichting rood licht uitstraalde, heeft genegeerd en/of (vervolgens) over de rijbaan voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gereden op een moment dat zich daar meerdere fietsers bevonden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. hij op of omstreeks 05 februari 2015 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Frederik van Eedenplein, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – poging tot doodslag in het verkeer, zoals aan verdachte onder feit 1 primair (impliciet primair) is ten laste gelegd. Zij heeft daartoe gesteld dat verdachte door zijn gedragingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de onbekend gebleven fietsers. Verdachte heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gevolg, in casus de dood van de fietsers, zou kunnen intreden. De aard van de verkeersgedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op dat gevolg, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Naar algemene ervaringsregels bestaat de aanmerkelijke kans op een aanrijding met dodelijke afloop indien een bestuurder van een auto een fietser, zijnde een onbeschermde verkeersdeelnemer, met hoge snelheid aanrijdt en dit geldt onverkort indien een dergelijke aanrijding plaatsvindt indien verdachte op een drukke kruising een voor hem geldend rood verkeerslicht negeert.

De verdediging heeft bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van feit 1 primair vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De verdachte wordt onder feit 1 primair verweten dat hij heeft gepoogd een aantal onbekende fietsers van het leven te beroven, dan wel aan hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 5 februari 2015 in Eindhoven als bestuurder van een personenauto van het merk BMW is opgetreden en dat hij op enig moment met die auto voor de politie is gevlucht door de binnenstad van Eindhoven. Daarbij heeft hij – kort gezegd – hoge snelheden bereikt en heeft hij een rood verkeerslicht genegeerd en heeft hij op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer gereden.

De vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is of de feitelijke gedragingen van verdachte, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat bij verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het van het leven beroven van een of meer onbekend gebleven fietser(s), dan wel op het zwaar lichamelijk letsel toebrengen van die fietser(s).

Vooropgesteld moet worden dat voornoemd opzet in onvoorwaardelijke vorm niet bewezen kan worden. Daarvoor zou vereist zijn dat verdachte willen en wetens de gevolgen van zijn handelen daadwerkelijk heeft bedoeld te veroorzaken of deze als een noodzakelijk gevolg van zijn handelen zou hebben aanvaard. Daarvan is echter geheel niet gebleken.

Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Dat kan aanwezig worden geacht als de verdachte willens en wetens de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans dat hij door zijn hiervoor beschreven verkeersgedrag de dood van andere verkeersdeelnemers, dan wel zwaar lichamelijk letsel bij hen zou veroorzaken, ten minste bewust heeft aanvaard. Was verdachte zodanig duidelijk onverschillig omtrent de afloop van zijn verkeersgedrag dat hierin reeds een welbewuste aanvaarding van de mogelijke gevolgen ligt besloten? De rechtbank is van oordeel dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van de onbekend gebleven fietser(s) of het aan hen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel onvoldoende grond aanwezig is. Meer in het bijzonder kan de rechtbank niet uit het hiervoor omschreven rijgedrag van verdachte, mede gelet op wat hierover in het dossier verder nog is gerelateerd, noch uit de verklaring van verdachte ten aanzien van zijn (bedoeling van zijn) rijgedrag, noch uit de afgelegde getuigenverklaringen, afleiden dat het verdachte evident onverschillig was wat daarvan de gevolgen zouden zijn en dat hierin een welbewuste aanvaarding van de dood van de onbekend gebleven fietser(s) of het aan deze fietser(s) toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ligt besloten.

Aannemelijk is wel dat verdachte, gelet op zijn wijze van rijden, grote risico’s (op het veroorzaken van een of meerdere ernstig(e) verkeersongeluk(ken) met mogelijk zelfs fatale afloop) heeft genomen en dat hij zich daarvan ook bewust is geweest. De rechtbank acht daarmee aldus de wetenschap van de aanmerkelijke kans op een dergelijke afloop bij verdachte aanwezig. Niet aannemelijk is echter dat hij zich een concrete voorstelling gemaakt heeft – of wel gemaakt moet hebben – van de mogelijkheid dat zijn verkeersgedrag tot een dergelijke afloop voor de onbekend gebleven fietser(s) zou leiden, en dat hij, niettegenstaande de ernst van dat gevolg, toch volhard heeft in zijn wijze van rijden. Met andere woorden: het wilsaspect dat opgesloten ligt in het begrip opzet acht de rechtbank niet aanwezig.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de onbekend gebleven fietser(s) of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan deze fietser(s). Verdachte zal derhalve van het onder feit 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewijs ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Bronnen.

I. Een eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, afdeling Eindhoven-Stratum, met registratienummer PL2100-2015026957, afgesloten op 16 maart 2015, in totaal 46 doorgenummerde bladzijden.

II. Een proces-verbaal opgemaakt van de behandeling van deze zaak op de terechtzitting van 5 augustus 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair.

De rechtbank bezigt voor haar oordeel de navolgende bewijsmiddelen.

Bron I.

Een proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2015, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 27-29, in onderling verband en samenhang bezien met een proces-verbaal aanvullend van 6 februari 2015, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd, p. 24-25.

Op 5 februari 2015, om 15:13 uur, stonden wij met ons dienstvoertuig stil voor het rode verkeerslicht op de Hoogstraat in Eindhoven. Voor ons stond een zwarte personenauto van het merk BMW, type 5 serie, met kenteken [kenteken] . Op het Frederik van Eedenplein in Eindhoven gaf ik, verbalisant [verbalisant 2] , de bestuurder van het voertuig een stopteken. Wij zagen dat er zwarte rook uit de uitlaat van het voertuig kwam. Tevens zagen wij dat de achterzijde van het voertuig omlaag ging en dat de afstand tussen ons dienstvoertuig en het betreffende voertuig snel groter werd. Hierop werd door ons de achtervolging ingezet, waarbij er door ons gebruik werd gemaakt van optische en geluidssignalen. Het voertuig reed de Bilderdijklaan op. Wij zagen dat het verkeerslicht op de Bilderdijk met de kruising Wal rood uitstraalde. Wij zagen dat voor dit rode verkeerslicht een auto stilstond. Wij zagen dat het voertuig met kenteken [kenteken] op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer reed, het rode verkeerslicht negeerde en vervolgens bijna een aanrijding veroorzaakte met meerdere fietsers en een personenauto, die op de Wal in de richting van de P.C.-Hooftlaan reden. De snelheid was onverantwoord en hoger dan toegestaan. Wij zagen dat de verdachte met het voertuig rakelings langs de fietsers afreed. Wij zagen dat de fietsers abrupt moesten remmen om een aanrijding met de verdachte te voorkomen. Vervolgens zagen wij dat de bestuurder op de Bilderdijklaan, in de richting van de Geldropseweg reed. Op de kruising Geldropseweg/Vestdijk/Hertogstraat zagen wij dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Wij zagen dat het druk op deze kruising was. Wij WijWij zagen dat er vanaf de Vestdijk enkele fietsers en een auto de kruising opreden. Wij zagen dat er voor het rode verkeerslicht meerdere verkeersdeelnemers stilstonden. Wij zagen dat de verdachte niet langzamer ging rijden. Wij zagen dat de bestuurder van het voertuig met het kenteken [kenteken] , via de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer, het rode verkeerslicht negeerde en de kruising rechtdoor overstak. Wij zagen dat de verdachte rakelings langs de fietsers afreed. Wij zagen een aantal fietsers van hun fiets afspringen om een aanrijding met de verdachte te voorkomen en wij zagen dat de auto die vanaf de Vestdijk kwam, abrupt tot stilstand kwam.

Wij zagen dat de snelheden veel hoger waren dan de maximale toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. Ook zagen wij dat er een groot verschil was tussen de snelheid van de verdachte en de snelheid van de overige verkeersdeelnemers.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , herkende later op het bureau, de aangehouden verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , als de bestuurder van het voertuig met kenteken [kenteken] .

Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige] van 5 februari 2015, p. 39-40.

Op 5 februari 2015, omstreeks 15:00 uur, reed ik op de Wal in Eindhoven. Toen ik op de Bilderdijklaan reed hoorde ik politiesirenes. Net voor het verkeerslicht, ongeveer 200 meter, bij de kruising heb ik een andere auto links gepasseerd. Ik zag bij het verkeerslicht een andere verkeersdeelnemer. Tevens waren er meerdere verkeersdeelnemers, zoals voetgangers en auto’s, op de weg. Ik was al aan het afremmen, omdat het verkeerslicht op rood stond. Ik had niet in de gaten dat er rechts van mij een auto voorbij kwam gereden. Ik zag dat deze auto, een BMW 5 met geblindeerde ramen, zonder te remmen door het rode verkeerslicht reed. Ik schat dat de BMW tussen de 80 à 100 kilometer per uur reed. Ik had het idee dat hij gas bij gaf in plaats van af te remmen. Ik wilde naar rechts uitwijken, maar kon op het laatste moment nog snel een correctie toepassen om geen aanrijding te krijgen met de BMW.

Ik ben vervolgens linksaf geslagen. Ik zag voor de kruising met de Geldropseweg en de Hertogstraat veel verkeer voor het rode verkeerslicht staan. Ik zag dat de BMW tussen het overige verkeer probeerde te ontkomen. Ik denk dat veel auto’s ruimte maakte vanwege de politiesirene. De BMW maakte daarvan ook gebruik. Ik zag nog wel dat de BMW ook bij deze kruising door het rode verkeerslicht reed. De bestuurder kon niet gezien hebben, toen hij achter mij reed en mij rechts voorbij kwam, hoe druk het voor mij was en of hij vrij baan had. Ondanks dat reed hij heel hard. Ik zag dat hij na de kruising steeds van baan wisselde om zo een vrije weg te creëren.

Een proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] van 6 februari 2015, p. 41-42.

Ik ben degene geweest die achter het stuur van de BMW 5 serie met kenteken [kenteken] zat en daarmee heeft gereden tijdens de achtervolging. Ik negeerde het stopteken.

De rechtbank overweegt nog het volgende.

Bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft als uitgangspunt te gelden dat het er om gaat dat de verweten gedraging – in het licht van alle omstandigheden van het geval – in concreto gevaar oplevert voor de veiligheid op de weg en wel in die zin dat er een reële mogelijkheid van letsel/schade voor personen en/of goederen wordt gecreëerd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gedragingen van verdachte zodanig geweest dat het verkeer op de weg daardoor in ernstige mate in gevaar is gebracht. Het risico op letsel of schade was daarbij aanzienlijk. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook het onder feit 1 subsidiair aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank acht op grond van

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2015, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 29 (bron I), en

  • -

    de verklaring van afgelegd ter terechtzitting van 5 augustus 2015 (bron II),

wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd.

De rechtbank heeft gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor wat betreft feit 2 volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte / opgesomde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(1 subsidiair.)

op 5 februari 2015 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk BMW), rijdende over de Bilderdijklaan, gekomen nabij de kruising van die Bilderdijklaan met de Wal, rijdende met een hoge snelheid, een verkeerslicht welke in zijn, verdachtes rijrichting rood licht uitstraalde, heeft genegeerd en vervolgens over de rijbaan voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gereden, op een moment dat zich daar meerdere fietsers bevonden en vervolgens rijdende over de Geldropseweg, gekomen nabij de kruising van die Geldropseweg met de Vestdijk en de Hertogstraat, met oge snelheid, een verkeerslicht welke in zijn, verdachtes, rijrichting rood licht uitstraalde, heeft genegeerd en vervolgens over de rijbaan voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gereden op een moment dat zich daar meerdere fietsers bevonden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

(2.) op 5 februari 2015 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Frederik van Eedenplein, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair (impliciet primair) gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaren. Ten aanzien van feit 2 heeft zij hechtenis voor de duur van 2 weken gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft matiging van de door de officier van justitie gevorderde straffen bepleit. Zij heeft daartoe gewezen op de verstandelijke beperkingen van verdachte, diens verminderde zelfbesef en de omstandigheid dat verdachte zijn leven op dit moment weer op de rails heeft voor wat betreft huisvesting en inkomen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, naast het opleggen van een forse taakstraf, volstaan kan worden met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte op de dag van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is overdag zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs achter het stuur gekropen, naar eigen zeggen om het autorijden te oefenen. Bij het zien van de politie is hij op uiterst gevaarzettende wijze een dollemansrit in het centrum van Eindhoven aangevangen teneinde aan zijn aanhouding te ontkomen. Er bevonden zich op dat moment veel andere verkeersdeelnemers op straat, onder wie voetgangers en fietsers. Verdachte heeft verschillende malen een rood verkeerslicht genegeerd en heeft ook enkele keren op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer gereden. En dit met een snelheid die veelal fors boven de maximaal toegestane snelheid lag. Dat dit niet tot ongelukken heeft geleid is uitsluitend aan het adequate handelen van de overige verkeersdeelnemers te danken geweest.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder tweemaal rijden zonder een geldig rijbewijs. Het opleggen van met name taakstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen heeft verdachte kennelijk niet weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten.

Aangezien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan gevorderd door de officier van justitie, komt zij tot een andere strafoplegging dan geëist. Het bewezen verklaarde feit 1 subsidiair en feit 2 betreffen overtredingen. Vanwege de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd acht de rechtbank telkens onvoorwaardelijke hechtenis passend en geboden. Ten aanzien van feit 1 subsidiair zal zij aan verdachte opleggen hechtenis voor de maximale wettelijke duur van 2 maanden. Ten aanzien van feit 2 zal de rechtbank aan verdachte hechtenis van langere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank van oordeel is dat de hoogte van de gevorderde hechtenis de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank zal daarom voor feit 2 aan verdachte opleggen hechtenis voor de duur van 1 maand.

De rechtbank zal bevelen dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke hechtenis.

Bovendien zal de rechtbank ten aanzien van feit 1 subsidiair aan verdachte opleggen een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de maximale wettelijke duur van 2 jaren, gelet op de ernst van de mate waarin verdachte de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 107 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak.

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

ten aanzien van feit 1 subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; ten aanzien van feit 2: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:hechtenis voor de duur van 2 maanden;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke hechtenis;

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 2 jaar;

ten aanzien van feit 2:hechtenis voor de duur van 1 maand;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke hechtenis;

heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden; deze voorlopige hechtenis is op 19 mei 2015 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.T. van Vliet, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 19 augustus 2015.