Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4923

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
SHE 15/2153
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 13b Opiumwet. Softdrugs. Sluiting woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/2153

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2015 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.L.A.M. van Doveren),

en

de burgemeester van de gemeente Heusden, verweerder

(gemachtigden: mr. O.J.W.A. Looijmans en R.W.F. Corten).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan ( [persoon A] en) verzoekster op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning en het erf, inclusief bijgebouwen, aan [de woning] (hierna: de woning) op 20 augustus 2015 wordt gesloten en drie maanden, zijnde tot 20 november 2015, gesloten dient te blijven.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist. De gronden van het verzoek dateren van 27 juli 2015. Bij brief van 4 augustus 2015 heeft verzoekster aanvullende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

[persoon A] is eigenaar en hoofdbewoner van de woning, zijnde een hoekwoning met een linksachter op het perceel gelegen vrijstaande garage. Hij is de schoonvader van verzoekster. Verzoekster woont met haar twee kinderen, van drie en vijf jaar, in bij haar schoonvader. Verzoekster heeft de bij de woning behorende vrijstaande garage verhuurd aan een derde.

In een op 18 juni 2015 op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage (hierna: de bestuurlijke rapportage) van de politie Eenheid Oost-Brabant, basisteam Meierij, staat onder het kopje “Betreden pand:” het volgende vermeld: “(…) In (…) de vrijstaande garage (…) werd het volgende aangetroffen: Een ruimte welke bedoeld was voor de kweek van hennepplanten. In de kweekruimte werden geen hennepplanten meer aangetroffen. Uit sporen van eerdere oogst is aannemelijk te maken dat er minstens 1 eerdere hennepoogst is genoten. In de kweekruimte werden hennepresten aangetroffen. Alle attributen die nodig zijn voor de kweek van hennepplanten werden in de kweekruimte dan wel de ruimte ervoor, aangetroffen.”

Onder het kopje “Omschrijving pand:” is het volgende vermeld: “(…) In de kweekruimte stonden nog 109 potten met hierin potgrond en hennepresten, waaronder wortelresten en kleine restjes plant. Ook werd er een kleine hoeveelheid henneptoppen getroffen in de kweekruimte. De schone lucht werd aangezogen via een gat in de muur van de garage. De vuile lucht werd afgezogen middels slangen via de koolstoffilter en slakkenhuis via een muur v/d garage.”

Onder het kopje “Diefstal stroom:” is het volgende vermeld: “(…) Uit dit onderzoek bleek dat er een illegale aansluiting boven de hoofdzekering was aangelegd. Er was sprake van diefstal stroom en gevarenklasse B.”

Onder het kopje “Testen hennepplanten:” is vermeld: “Op 18 juni 2015 werden de aangetroffen hennepresten getest. Het testen gaf een positie indicatie van hennep/hashish.”

Bij brief van 30 juni 2015 heeft verweerder verzoekster op de hoogte gebracht van zijn voornemen om op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen, inhoudende dat de woning en het erf dienen te worden gesloten en dat deze drie maanden gesloten dienen te blijven. Bij ongedateerde brief, door verweerder ontvangen op 6 juli 2015, heeft verzoekster hierop haar zienswijze gegeven. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2. Als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

3. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend.

4. Verweerder heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat hij, gelet op wat in de garage is aangetroffen, op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het op grond daarvan op 23 oktober 2012 vastgestelde “Beleid artikel 13b Opiumwet gemeente Heusden”, gewijzigd bij besluiten van 26 november 2013 en 28 mei 2015 (hierna: het Handhavingsbeleid), bevoegd was de woning te sluiten. Volgens verweerder is geen sprake van een minder ernstig feit als bedoeld in het Handhavingsbeleid waarop een waarschuwing volgt en geeft de zienswijze van verzoekster geen aanleiding om van het beleid af te wijken.

5. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was om een last onder bestuursdwang op te leggen. Zij heeft daartoe gesteld dat enkel een niet in werking zijnde hennepkwekerij en slechts een kleine hoeveelheid gedroogde hennep voor eigen gebruik zijn aangetroffen. Verzoekster heeft er daarbij op gewezen dat het bezit van attributen voor een hennepkwekerij niet strafbaar is.

6. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

7. Voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen is niet vereist dat daadwerkelijk harddrugs dan wel softdrugs zijn verhandeld. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1764). Uit het woord "daartoe" in deze bepaling volgt dat deze bevoegdheid ontstaat door de enkele aanwezigheid in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, van een handelshoeveelheid (soft- of hard)drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daarbij is in beginsel aannemelijk dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, indien de aangetroffen drugs de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, te weten 0,5 gram bij harddrugs, 5 gram bij softdrugs en 5 wiet- of hennepplanten, overschrijdt.

8. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft gesteld geen reden voor twijfel aan de juistheid van de in de bestuurlijke rapportage vermelde bevindingen. De omstandigheid dat geen hennepplanten, hennepstekjes of henneptoppen in beslag zijn genomen, brengt niet met zich dat de aangetroffen hennepresten niet zijn getest op de aanwezigheid van hennep. De omstandigheid dat het dossier een foto bevat van een niet-gehandschoende hand die een buisje toont van een indicatieve test, betekent niet dat de test niet op de voorgeschreven wijze zou zijn uitgevoerd. Hoewel (vooralsnog) onbekend is of de aangetroffen hennep de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik overschrijdt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder, gelet op het geheel van de in de garage aangetroffen zaken, zoals hiervoor onder de feiten is weergegeven, aannemelijk heeft gemaakt dat de hennep aanwezig was voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Met de enkele ontkenning daarvan heeft verzoekster het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Hiermee is voldaan aan de vereisten van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, zodat verweerder bevoegd was tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.

9. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het geven van een waarschuwing. Volgens verzoekster volgt uit de wetsgeschiedenis dat bij een eerste overtreding, behoudens ernstige gevallen, moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Ter zitting heeft verzoekster er in dit verband op gewezen dat verweerder zich er onvoldoende rekenschap van heeft gegeven dat zij twee jonge kinderen heeft.

10. Uit de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat verweerder bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid beschikt. Daarom moet de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder met enige terughoudendheid toetsen. Daarbij is de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet van belang (vergelijk de uitspraak van 5 november 2014 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2014:3941).

11. Gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor bewoners, is bij de invulling die verweerder in geval van een woning geeft aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, van groot belang dat uitgangspunt moet zijn: een waarschuwing of een soortgelijke maatregel (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014). In de Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2, is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken.

12. Verweerder heeft ter invulling van zijn beleidsvrijheid het Handhavingsbeleid vastgesteld. In dit beleid heeft verweerder, voor zover het softdrugs betreft, een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin het een kleine hoeveelheid drugs betreft (“minder ernstige feiten”) en gevallen waarin het een meer dan een kleine hoeveelheid drugs betreft. Bij een kleine hoeveelheid drugs (minder dan 30 gram hennep(-producten) of niet meer dan 20 hennepplanten) in een woning wordt bij een eerste overtreding een schriftelijke waarschuwing gegeven, tenzij sprake is van een of meer van de in het beleid – indicatief en niet cumulatief – vermelde verzwarende omstandigheden. Bij een meer dan kleine hoeveelheid drugs in een woning wordt deze voor een periode van drie maanden gesloten. Het voorgaande in aanmerking genomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat met het Handhavingsbeleid voldoende inhoud kan worden gegeven aan het uitgangspunt van de wetgever dat bij een overtreding zorgvuldig dient te worden bezien of in plaats van sluiting van een woning kan worden volstaan met een waarschuwing of een daaraan soortgelijke maatregel. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake is van een minder ernstig feit waarop een waarschuwing volgt omdat in de garage een professionele hennepkwekerij in werking is geweest, alle attributen om een professionele hennepkwekerij op te richten aanwezig waren, sprake is van diefstal van stroom en de wijze waarop de kwekerij van stroom werd voorzien een gevaar opleverde voor bewoners en de directe omgeving. In dit verband heeft verweerder erop gewezen dat de kwekerij van stroom werd voorzien via een gevaarlijke illegale aansluiting in de meterkast van de woning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voormelde feiten en omstandigheden samengenomen de conclusie rechtvaardigen dat geen sprake is van een minder ernstig feit. Verweerder heeft in de omstandigheid dat verzoekster twee minderjarige kinderen heeft, geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van het door hem gevoerde beleid. Dat door de sluiting een gezin, met daarbij behorende minderjarige kinderen, moet verhuizen is in beginsel in het beleid verdisconteerd en verzoekster heeft desgevraagd geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld waarom dat in haar geval anders zou zijn. Voor zover verzoekster heeft bedoeld te betogen dat verweerder van de sluiting had moeten afzien omdat de hennepkwekerij al deels was afgebroken, gaat verzoekster eraan voorbij dat verweerder met zijn beleid heeft beoogd te bereiken dat verzoekster er niet nogmaals toe besluit de garage te (laten) benutten voor een hennepkwekerij (preventieve werking).

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van de Brink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.