Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4918

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
15_1273
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WGA-loonaanvullingsuitkering. Herziening en terugvordering uitkering, omdat eiser volgens verweerder niet aan de inkomenseis heeft voldaan. Eiser heeft als zelfstandige gedurende negen maanden in het kalenderjaar inkomsten verworven. Verweerder heeft de belastbare winst uit onderneming van eiser evenredig aan alle kalendermaanden van het kalenderjaar toegerekend. De rechtbank oordeelt dat verweerder artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten verkeerd heeft toegepast. De lezing van dit artikellid van verweerder maakt het woord ‘betreffende’ daarin zinledig. Uit artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit volgt dat de belastbare winst uit onderneming evenredig dient te worden toegerekend aan de kalendermaanden waarin de zelfstandige werkzaam is geweest om inkomsten te verwerven. Eiser heeft wel aan de inkomenseis voldaan. De uitkering is ten onrechte herzien en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1273

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.S. Alting-Landa),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. B.H.C. de Bruijn).

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) over het jaar 2013 herzien en beslist dat eiser een bedrag van € 13.155,77 aan verweerder moet terugbetalen.

Bij brief van 3 december 2014 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij een bedrag van € 13.155,77 aan verweerder moet terugbetalen.

Bij brief van 8 december 2014 heeft verweerder nogmaals aan eiser medegedeeld dat hij een bedrag van € 13.155,77 aan verweerder moet terugbetalen en daarbij een betalingstermijn van zes weken vermeld.

Bij besluit van 18 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de tegen het primaire besluit en de brieven van 3 december 2014 en 8 december 2014 gemaakte bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder de bezwaren tegen de brieven van 3 december 2014 en 8 december 2014, ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Ten aanzien van beide brieven is de rechtbank van oordeel dat deze niet zijn gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. De verplichting tot terugbetaling was al ontstaan door het besluit van 25 november 2014. Daarnaast kan de brief van 8 december 2014, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, niet als besluit tot vaststelling van de betalingsplicht als bedoeld in artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht worden gezien, omdat eiser daarin nog de mogelijkheid wordt geboden om over een betalingsregeling contact op te nemen met verweerder. Dat verweerder in beide brieven een bezwaarclausule heeft vermeld, doet hier niet aan af, omdat het vermelden daarvan niet met zich brengt dat daarmee rechtsgevolgen in het leven worden geroepen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bezwaren tegen voormelde brieven niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

2. Het beroep is reeds hierom gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover het de bezwaren tegen de brieven van 3 december 2014 en 8 december 2014 betreft. De rechtbank verklaart het bezwaar tegen die brieven niet-ontvankelijk. Het bezwaar tegen het primaire besluit is door verweerder terecht ontvankelijk geacht.

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Bij besluit van 5 april 2012 heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 14 mei 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Bij de toekenning van deze uitkering heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij 79% arbeidsongeschikt is en dat de inkomenseis € 413,03 bedraagt. Bij besluit van 17 december 2012 heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 27 maart 2013 recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Eiser heeft in de periode mei tot en met juni 2012 als zelfstandige gewerkt, maar deze activiteiten vanaf juli 2012 gestaakt. In de periode daarna heeft eiser zich, met toestemming van verweerder, gericht op solliciteren en een omscholing, met het oog op het vinden van werk in loondienst. Ook heeft eiser een operatie ondergaan, waarvan hij enige tijd moest herstellen. Eind maart 2013 is eiser weer als zelfstandige aan de slag gegaan. De belastingdienst heeft vastgesteld dat eisers inkomen (belastbare winst uit onderneming) over het jaar 2013 € 3.924 bedraagt.

4. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiser in het jaar 2013 niet heeft voldaan aan de inkomenseis, zijn WIA-uitkering over dit jaar daarom wordt herzien en eiser een bedrag van € 13.155,77 aan verweerder moet terugbetalen.

5. Eiser voert aan dat verweerder bij de berekening van zijn inkomsten in 2013 had moeten uitgaan van de inkomsten over de maanden waarin hij daadwerkelijk als zelfstandige werkzaam is geweest, zijnde van april tot en met december 2013, en niet van het volledige kalenderjaar. Eiser stelt dat hij, bij een middeling over negen maanden, met een gemiddeld verdiend maandbedrag van € 436, voldoet aan de inkomenseis. Eiser beroept zich op artikel 4:1, zesde en negende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Voorts wijst eiser erop dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 6 van het Inkomensbesluit Wet WIA, omdat dit Inkomensbesluit per 1 maart 2012 is vervallen. Ook voert eiser aan dat hem, naar eigen zeggen, door verweerder meerdere keren is meegedeeld dat het in 2013 te verdienen bedrag in de periode 27 maart 2013 tot en met 31 december 2013 verdiend moest worden.

6. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht heeft beslist dat eiser in 2013 niet aan de inkomenseis van € 413,03 heeft voldaan, die voor hem vanaf 27 maart 2013 geldt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in het jaar 2013 enkel in de maanden april tot en met december 2013 als zelfstandige werkzaam is geweest om inkomsten te verwerven. De belastingdienst heeft de belastbare winst uit onderneming van eiser over het kalenderjaar 2013 vastgesteld op € 3.924. Voorts is niet in geschil dat verweerder bij de vaststelling van de maandelijkse inkomsten van eiser de winst uit onderneming van eiser, zoals door de belastingdienst vastgesteld, tot uitgangspunt mag nemen. Tussen partijen is wel in geschil hoe verweerder de winst uit onderneming van eiser dient toe te rekenen aan kalendermaanden in het jaar 2013 om zodoende vast te kunnen stellen of eiser aan de inkomenseis heeft voldaan. Verweerder heeft de winst uit onderneming van eiser toegerekend aan alle kalendermaanden in het jaar 2013, wat neerkomt op € 326,90 per maand. Eiser is van mening dat verweerder de winst uit onderneming uitsluitend had mogen toerekenen aan de kalendermaanden, waarin eiser daadwerkelijk als zelfstandige gewerkt heeft (de maanden april tot en met december van 2013), wat neerkomt op € 436 per maand.

7. Ingevolge artikel 61, achtste lid, van de Wet WIA wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Deze algemene maatregel van bestuur is het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Staatsblad 2012, 80).

8. Op grond van artikel 4:1, eerste lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Algemeen Inkomensbesluit), voor zover hier van belang, wordt het inkomen herleid tot een bedrag per kalendermaand.

Op grond van het vijfde lid worden bij de toepassing van het eerste lid het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering, bedoeld in de artikelen 2:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, en 3:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, evenredig toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar.

Op grond van het zesde lid kan verweerder op basis van het geschat inkomen een gemiddeld inkomen per kalendermaand bepalen, waarna per periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening plaatsvindt en het gemiddeld inkomen per periode kan worden toegerekend aan maanden in die periode.

Op grond van het negende lid bepaalt verweerder het inkomen op een andere wijze indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag heeft gebaseerd, door daarin te verwijzen naar artikel 6 van het Inkomensbesluit Wet WIA. Het Inkomensbesluit Wet WIA is per 1 maart 2012 vervallen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het primaire besluit.

10. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit ten aanzien van het primaire besluit in stand te laten. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in de plaats van artikel 6 van het Inkomensbesluit Wet WIA in het bestreden besluit dient te worden gelezen artikel 4:1 van het (thans geldende) Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tussen de twee bepalingen, ondanks een verschil in opbouw en formulering, inhoudelijk met betrekking tot de onderhavige zaak geen wezenlijk verschil bestaat.

11. De rechtbank stelt vast dat op de onderhavige zaak het bepaalde in artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit van toepassing is, nu de inkomsten van eiser in het jaar 2013 hebben bestaan uit belastbare winst uit onderneming. Voor zover eiser heeft betoogd dat artikel 4:1, zesde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit van toepassing is, gaat dat dus niet op.

12. Uit artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit volgt dat verweerder de belastbare winst uit onderneming evenredig dient toe te rekenen aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar. De lezing van het betreffende artikellid door verweerder, zoals door deze ter zitting is toegelicht, komt erop neer dat in een geval als het onderhavige, waarin door de belastingdienst de winst uit onderneming over een bepaald kalenderjaar is vastgesteld, die winst altijd evenredig aan alle kalendermaanden van het kalenderjaar (januari tot en met december) moet worden toegerekend. Verweerder motiveert dit standpunt door ernaar te verwijzen dat hij mag uitgaan van de door de belastingdienst aanvaarde winst uit onderneming over een bepaald kalenderjaar. Aangezien de belastingdienst de winst over een heel jaar vaststelt, dient de evenredige toerekening zoals bedoeld in artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit eveneens plaats te vinden over een heel jaar, aldus verweerder ter zitting. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

13. Voor zover verweerder stelt dat hij bij de vaststelling van het inkomen van een zelfstandige mag uitgaan van de winst uit onderneming, zoals vastgesteld door de belastingdienst, is dat juist. Voor zover verweerder daaraan vervolgens de conclusie verbindt dat hij deze winst altijd over een heel kalenderjaar dient uit te smeren, omdat de belastingdienst de winst ook over een heel kalenderjaar vaststelt, is dat onjuist. Daarbij verliest verweerder namelijk uit het oog dat de heffing van inkomstenbelasting jaarlijks geschiedt. Daardoor is de ratio achter de vaststelling van belastbare winst uit onderneming door de belastingdienst een andere dan die achter het bepaalde in artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit, waarin het nu juist, gelet op het bepaalde in het eerste lid van artikel 4:1, om de vaststelling van het maandelijkse inkomen gaat.

14. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het woord ‘betreffende’ in het vijfde lid van artikel 4:1 van het Algemeen Inkomensbesluit betekent dat de belastbare winst uit onderneming evenredig moet worden toegerekend aan de kalendermaanden waarin de zelfstandige werkzaam is geweest en met die werkzaamheden inkomsten heeft verworven. De wijze waarop verweerder artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit leest, maakt het woord ‘betreffende’ in dat artikellid zinledig. Verweerders standpunt betekent namelijk dat in situaties waarin de door de belastingdienst vastgestelde winst uit onderneming het uitgangspunt is – dat zal dus bij de meeste zelfstandigen het geval zijn – deze winst altijd aan alle kalendermaanden van het betreffende kalenderjaar (of boekjaar) dient te worden toegerekend, ongeacht of de zelfstandige daadwerkelijk het hele kalenderjaar (of boekjaar) met werkzaamheden inkomsten heeft verworven. De rechtbank is van oordeel dat deze lezing van artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit strijdig is met de bewoordingen van dit artikellid. Uit het woord ‘betreffende’ kan en moet worden afgeleid dat de winst uit onderneming evenredig dient te worden toegerekend aan de kalendermaanden waarin de zelfstandige werkzaam is geweest om inkomsten te verwerven, zijnde de betreffende kalendermaanden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in een mededeling van een gemachtigde van verweerder in een zaak waarin de rechtbank Roermond uitspraak heeft gedaan. In rechtsoverweging 10 van deze uitspraak van 6 september 2012 (ECLI:NL:RBROE:2012:BX7573) is namelijk het volgende te lezen: “Tijdens de behandeling ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder [Uwv] desgevraagd meegedeeld dat verweerder voor de berekening van het inkomen per maand bij zelfstandig ondernemers om uitvoeringstechnische redenen een vaste gedragslijn hanteert. Daarbij wordt met behulp van de van de belastingdienst verkregen inkomstengegevens het totaal van het over een jaar door een zelfstandige verkregen inkomen, gemiddeld over het aantal maanden waarin dat inkomen is verworven. (…)”

Zoals verweerder in de onderhavige zaak zelf heeft gesteld, bestaat ten aanzien van de wijze waarop de inkomsten per maand van een zelfstandige moeten worden vastgesteld tussen het Inkomensbesluit Wet WIA en het thans geldende Algemeen Inkomensbesluit inhoudelijk geen wezenlijk verschil. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de in de uitspraak van de rechtbank Roermond door het Uwv gestelde vaste gedragslijn thans niet meer geldt. De rechtbank constateert dat de tekst van artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit logisch voortborduurt op de vaste gedragslijn, die verweerder, blijkens voormelde passage uit de uitspraak van de rechtbank Roermond, reeds met betrekking tot artikel 6 van het Inkomensbesluit Wet WIA hanteerde.

15. De rechtbank acht verweerders lezing van artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit ook in strijd met de systematiek en de geest van de Wet WIA, die er door financiële prikkels op is gericht gedeeltelijk arbeidsgeschikten zoveel mogelijk in werk te laten hervatten. Het moment waarop de inkomenseis feitelijke betekenis heeft, is het moment waarop de loongerelateerde WGA-uitkering eindigt. Zoals eiser ter zitting terecht heeft betoogd, komt verweerders standpunt erop neer dat de inkomenseis in alle gevallen waarin deze niet reeds op 1 januari van het betreffende kalenderjaar geldt, feitelijk naar voren wordt verlegd, omdat een belanghebbende ermee rekening zal moeten houden dat de door hem verworven inkomsten door verweerder altijd evenredig aan alle kalendermaanden van het kalenderjaar zullen worden toegerekend, ongeacht of deze inkomsten in alle kalendermaanden van dat jaar zijn verworven. Wil een belanghebbe, die (om welke reden dan ook) vóór het moment waarop de inkomenseis voor hem geldt, geen dan wel onvoldoende inkomsten heeft verworven, in dat geval aan de inkomenseis voldoen, zal hij feitelijk, vanaf het moment dat deze geldt, meer moeten werken c.q. inkomen verwerven om ervoor te zorgen dat zijn inkomsten, uitgesmeerd over twaalf maanden, minimaal de inkomenseis per maand opleveren. Zo zal dus een belanghebbende voor wie de inkomenseis per 1 juni van het betreffende kalenderjaar geldt en die het niet gelukt is in de maanden januari tot en met mei van dat kalenderjaar – waarin voor hem de inkomenseis nog geen feitelijke betekenis had –voldoende inkomsten te genereren, in de maanden juni tot en met december van dat jaar dusdanige inkomsten moeten genereren dat deze, evenredig toegerekend aan januari tot en met december van dat jaar, minimaal aan de inkomenseis voldoen. In voorkomend geval zou dat ertoe kunnen leiden dat een belanghebbende, om aan de inkomenseis te voldoen, vanaf het moment dat deze voor hem geldt meer zal moeten werken dan de voor hem, als gedeeltelijk arbeidsgeschikte, vastgestelde belastbaarheid toelaat. Een dergelijke uitkomst verdraagt zich bezwaarlijk met de geest van de Wet WIA.

16. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat de inkomenseis reeds geruimde tijd voordat deze ingaat, aan een belanghebbende wordt medegedeeld (in het onderhavige geval bij besluit van 5 april 2012). Naar de mening van verweerder is er daarom geen beletsel de inkomsten van een belanghebbende te berekenen zoals hij in de onderhavige zaak heeft gedaan, ook in die gevallen waarin de inkomenseis niet reeds op 1 januari van het betreffende kalenderjaar geldt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit standpunt de achtergrond van de tijdige mededeling van de inkomenseis miskent. Als belanghebbenden tijdig op de hoogte zijn van het feit dat op een bepaald moment in de toekomst voor hen een inkomenseis geldt, kunnen zij zich daarop voorbereiden door werk te zoeken en de voorwaarden te creëren om te zijner tijd, als de inkomenseis ingaat, als werknemer in loondienst of als zelfstandige voldoende inkomsten te kunnen genereren. De conclusie dat de tijdige mededeling van de inkomenseis aan belanghebbenden een berekening van inkomsten zoals in onderhavig geval rechtvaardigt, vindt steun in wet noch jurisprudentie. Bovendien miskent verweerder met dit standpunt dat een belanghebbende weliswaar reeds bij de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering over de inkomenseis worden geïnformeerd, maar de resterende verdiencapaciteit in de loop der tijd nog kan wijzigen, omdat de arbeidsmogelijkheden kunnen toe- of afnemen. In de Memorie van Toelichting bij de Wet WIA wordt er daarom op gewezen dat uiterlijk twee maanden voor afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering aan een belanghebbende wordt medegedeeld welk bedrag hij ten minste moet verdienen om voor de loonaanvulling in aanmerking te komen (zie MvT, Kammerstukken II, 2004/2005, 30034, 3, 8.2 De fase na de loongerelateerde periode).

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de winst uit onderneming van eiser ten onrechte evenredig heeft toegerekend aan alle kalendermaanden van het kalenderjaar 2013. Nu vaststaat dat eiser zijn inkomsten als zelfstandige in de maanden april tot en met december 2013 heeft verworven, had verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 4:1, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit, deze inkomsten, zijnde de belastbare winst uit onderneming over het jaar 2013, evenredig moeten toerekenen aan die kalendermaanden. Een dergelijke toerekening komt neer op een maandelijks inkomen van € 436. Dat betekent dat eiser in het jaar 2013 aan de voor hem geldende inkomenseis van € 413,03 heeft voldaan. Verweerder heeft eisers WIA-uitkering over het jaar 2013 dus ten onrechte herzien en ten onrechte van eiser een bedrag van € 13.155,77 teruggevorderd.

18. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het primaire besluit, in stand te laten en kan wat eiser overigens heeft aangevoerd, verder onbesproken blijven.

19. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage voor door een derde aan eiser beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960 (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 490 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar, voor zover gericht tegen de brieven van 3 december 2014 en 8 december 2014, niet-ontvankelijk;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.960.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.R. Hoeksema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2015.

de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.