Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4813

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
01/865015-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor het aanwezig hebben van 23.761 pillen, bevattende MDMA en 1960 gram amfetamine.

Afwijzing vordering tot gevangenneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865015-15

Datum uitspraak: 10 augustus 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975 ,

wonende te [woonadres verdachte] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 april 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 27 juli 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2015 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 23.761 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of

ongeveer 2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde MDMA en/of amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 juncto 10 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft geen opmerkingen over het bewijs, behalve dat de hoeveelheid amfetamine minder dan 2 kilogram betreft, namelijk 1960 gram.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van dit feit sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359 lid 3, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, terwijl namens de verdediging geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring van dit feit hebben geleid:

  • -

    Proces-verbaal van bevindingen (p. 40-41);

  • -

    Proces-verbaal van bevindingen testen verdovende middelen (p. 83-84);

  • -

    Proces-verbaal sporenonderzoek (p. 88 t/m 90);

  • -

    NFI-rapport Identificatie van drugs en precursoren d.d. 2 februari 2015 (p. 91-92);

  • -

    NFI-rapport Identificatie van drugs en precursoren d.d. 2 februari 2015 (p. 93-94);

  • -

    Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 juli 2015.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 14 januari 2015 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, opzettelijk aanwezig heeft gehad 23.761 pillen, bevattende MDMA, en 1960 gram van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde MDMA en amfetamine, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie vordert tevens de gevangenneming van verdachte.

De in beslag genomen geldbedragen dienen verbeurd te worden verklaard.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman pleit, naar aanleiding van zijn berekeningen op basis van de voor het OM ten tijde van en vóór het ten laste gelegde feit geldende richtlijnen, voor het opleggen van een gevangenisstraf van 1 jaar en 7 maanden. Daarnaast voert de raadsman aan dat verdachte bezig is met de behandeling van zijn drugsverslaving bij de GGzE.

De vordering gevangenneming is volgens de raadsman niet mogelijk gelet op art. 66a Sv, omdat de aldaar onder a en c genoemde situaties in casu niet aan de orde zijn. Ten aanzien van de in beslag genomen geldbedragen dient het deel dat niet van verdachte is (€ 550,10 en € 2000,--) bewaard te worden ten behoeve van de rechthebbenden. Het overige deel dient te worden teruggegeven aan verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hard drugs. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.

Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit werd veroordeeld.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte gemotiveerd lijkt te zijn om te stoppen met het gebruik van harddrugs, en dat hij bereid is daarvoor een behandeling te ondergaan en daartoe contact heeft opgenomen met de GGzE.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is ten aanzien van de vordering gevangenneming van oordeel dat art. 66a lid 1 Sv in het onderhavige geval niet aan de orde is, omdat in dat artikel wordt voorzien in de mogelijkheid om de termijn te repareren wanneer de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming is verstreken terwijl de verdachte nog niet in vrijheid is gesteld. In deze zaak is verdachte op 4 mei 2015 in vrijheid gesteld.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de gevangenneming te bevelen op grond van artikel 65 lid 2 Sv, en zal de vordering daarom afwijzen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen (geldbedragen) aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat aan de criteria voor verbeurdverklaring is voldaan, zoals door de officier van justitie ten aanzien van het beslag is gevorderd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57;

Opiumwet art. 2, 10.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Teruggave inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, te weten: - een geldbedrag van 550,10 euro - goednr. 734266;

- een geldbedrag van 3.500 euro - goednr. 737911.

Wijst af de vordering gevangenneming van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Senden, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 10 augustus 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt door de politie Eenheid Oost-Brabant, Districtsrecherche Helmond, met proces-verbaalnummer 2015010605, afgesloten d.d. 18 maart 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 162.