Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4759

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
14_3552
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De burgemeester van de gemeente Haaren heeft een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.28 van de Algemene Plaatselijke Verordening Haaren 2013 (APV) voor de exploitatie van een horeca inrichting aan de Duinoordseweg 8 te Helvoirt (hierna: Duinoord). Duinoord maakt deel uit van het recreatiepark Duinoord en bestaat uit een horecagebouw met verschillende zalen, een restaurant en een café, alsmede een terras. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de exploitatievergunning is beperkt tot het horecagebouw en het daarbij behorende terras. Gelet daarop valt niet in te zien waarom in de aan het besluit verbonden voorwaarde 5 de openingstijden voor het buitenterrein zijn gereguleerd. De vergunning lijkt dan ook betrekking te hebben op meer dan het horecagebouw en het bijbehorende terras. Het bestreden besluit is, gelet op de daarin opgenomen overweging dat de beschikking alleen (de gevolgen op het woon- en leefklimaat van) de horeca-activiteiten in de horeca-inrichting betreft, dan ook innerlijk tegenstrijdig. Niet eenduidig is wat de omvang van de openbare inrichting is waarvoor vergunning is verleend. Dit kan, uit overwegingen van rechtszekerheid, niet worden aanvaard. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2544
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 14/3552 en SHE 14/3637

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 augustus 2015 in de zaken tussen

Stichting Stop Overlast Duinoord (SHE 14/3552), te Helvoirt, eiseres,

(gemachtigden: P.A. Wieringa en M.J.A. Pulles),

[eiser] (SHE 14/3637), te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld),

en

de burgemeester van de gemeente Haaren, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Martens).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Duinoord Helvoirt B.V. te Helvoirt, vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. L. Opsteen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een vergunning als bedoeld in artikel 2.28 van de Algemene Plaatselijke Verordening Haaren 2013 (APV) verleend voor de exploitatie van een horeca‑inrichting aan de Duinoordseweg 8 te Helvoirt (hierna: Duinoord).

Eiseres en eiser hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres en vergunninghoudster hebben nadien nog gereageerd en enkele stukken in het geding gebracht.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 19 mei 2015. Eiseres en eiser zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [persoon 1] en door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat, bij de beoordeling van de zaak, uit van de volgende feiten.

Duinoord maakt deel uit van het recreatiepark Duinoord en bestaat uit een horecagebouw met verschillende zalen, een restaurant en een café, alsmede een terras.

Op 17 april 2014 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning. Zij heeft deze aanvraag op 25 april 2014 en 29 april 2014 aangevuld met informatie over de openingstijden en de oppervlakte van de diverse lokaliteiten. Nadien heeft zij nog een tekening met een aanduiding van het horecagebouw en het terras ingediend.

Van 1 mei 2014 tot en met 11 juni 2014 heeft het voornemen van verweerder om de vergunning te verlenen ter inzage gelegen. Eiser en eiseres hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om hun zienswijze in te dienen.

2.1

Eiser heeft aangevoerd dat de exploitatievergunning, anders dan verweerder heeft aangegeven, niet alleen ziet op het horecagebouw en het terras, maar ook op het buitenterrein. Daardoor valt het gehele recreatiepark onder de vergunning. Eiser wijst in dit verband op de begripsbepalingen in artikel 2.27 van de APV. Volgens hem is sprake van onduidelijkheid over de omvang van het horecabedrijf die leidt tot strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel.

Eiseres wijst erop dat de vergunning verwarring schept over de reikwijdte, omdat vergunning wordt verleend voor een café en restaurant in het horecabedrijf voor de lokaliteiten en terrassen op de bij de vergunning gevoegde tekeningen, maar tegelijkertijd in de vergunning een voorwaarde is opgenomen met openingstijden voor het (gehele) buitenterrein. Op de tekening is echter niet het gehele buitenterrein aangegeven, noch de op het terrein aanwezig paardenstal met naastgelegen terras.

2.2

Verweerder heeft zich, in het verweerschrift en ter zitting, op het standpunt gesteld dat de exploitatievergunning is beperkt tot het horecagebouw en het daarbij behorende terras. De horeca-exploitatieruimte is specifiek, met behulp van een tekening, aangewezen.

2.3

Vergunninghoudster heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vergunning louter ziet op het horecabedrijf en niet op de rest van het recreatiepark.

2.4

Op grond van artikel 2.27, eerste lid, onder a, van de APV, is een openbare inrichting een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, gemeenschapshuis of clubhuis, dan wel elke andere, voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid.

Op grond van het tweede lid van deze bepaling wordt onder openbare inrichting mede verstaan: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

Deze definitie is gelijk aan de in artikel 2.27, eerste lid, onder b, van de APV opgenomen definitie van "terras".

2.5

Gelet op deze definities, kan eiser worden gevolgd in zijn opvatting dat ook andere buiten de besloten ruimte van een openbare inrichting gelegen delen, niet zijnde een terras, als onderdeel van een openbare inrichting kunnen worden aangemerkt. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn stelling ter zitting dat artikel 2.27, tweede lid, van de APV, een nadere specificering inhoudt van de definitie van een terras.

Dit heeft evenwel niet zonder meer tot gevolg dat in dit geval zou moeten worden geoordeeld dat een exploitatievergunning voor het gehele recreatiepark is verleend.

2.6

Op het aanvraagformulier dat bij verweerder is binnengekomen op 17 april 2014 is aangegeven, dat vergunning wordt gevraagd voor een dagrecreatief horecabedrijf. Op het gewijzigde aanvraagformulier van 24 april 2014, dat onderdeel uitmaakt van de vergunning, is aangegeven dat vergunning wordt gevraagd voor een horecabedrijf met als aanduiding "Recreatieoord Duinoord". In dat aanvraagformulier zijn de openingstijden van het recreatiepark opgenomen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit echter overwogen dat de beschikking alleen (de gevolgen op het woon- en leefklimaat van) de horeca-activiteiten in de horeca-inrichting betreft. Ook in het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat de exploitatievergunning is beperkt tot het horecagebouw en het daarbij behorende terras.

Uit de gedingstukken kan worden opgemaakt dat verweerder bij de beoordeling van de gevolgen van de exploitatie van Duinoord voor het woon- en leefklimaat van deze veronderstelling is uitgegaan. Zo is volgens verweerder de parkeer- en geluidsoverlast slechts gedeeltelijk of helemaal niet toe te schrijven aan de horeca-activiteiten en is het weigeren van de vergunning daarom geen directe oplossing voor de ervaren overlast.

2.7

In het licht van verweerders opvatting dat de exploitatievergunning is beperkt tot het horecagebouw en het daarbij behorende terras, valt niet in te zien waarom in de aan het besluit verbonden voorwaarde 5 de openingstijden voor het buitenterrein zijn gereguleerd. Dit buitenterrein kan niet het terras zijn, alleen al omdat voorwaarde 6, dat de openingstijden voor het horecagedeelte reguleert, mede betrekking heeft op het terras. De vergunning lijkt dan ook betrekking te hebben op meer dan het horecagebouw en het bijbehorende terras. Het bestreden besluit is, gelet op de daarin opgenomen overweging dat de beschikking alleen (de gevolgen op het woon- en leefklimaat van) de horeca-activiteiten in de horeca-inrichting betreft, dan ook innerlijk tegenstrijdig.

2.8

Gelet op het voorafgaande is niet eenduidig wat de omvang van de openbare inrichting is waarvoor vergunning is verleend. Dit kan, uit overwegingen van rechtszekerheid, niet worden aanvaard. Telkens zal, wanneer vanwege het schenken van dranken of het bereiden of verstrekken van spijzen voor directe consumptie buiten het horecagebouw en het bijbehorende terras, verweerder om handhaving wordt verzocht, discussie kunnen ontstaan over de vraag of die activiteiten nu wel of niet onder de vergunning vallen.

De beroepsgrond slaagt.

3. De in rechtsoverweging 2.8 genoemde onduidelijkheid heeft haar weerslag op de verdere beoordeling van het geschil, omdat niet eenduidig is van welke omvang van de openbare inrichting de rechtbank bij de beoordeling van de beroepsgronden zou moeten uitgaan. De rechtbank zal de overige beroepsgronden dan ook onbesproken laten.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Het gevolg is dat verweerder in beginsel opnieuw op de ingediende aanvraag zal moeten beslissen. Daarbij zal verweerder, anders dan in het bestreden besluit, geen twijfel mogen laten bestaan aan de omvang van de openbare inrichting. Als verweerder de exploitatievergunning wil beperken tot het horecagebouw en het bijbehorende terras, zal daaraan mogelijk een nieuwe aanvraag ten grondslag moeten worden gelegd.

5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 980,00 voor kosten van aan eiser beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 490,00, wegingsfactor 1).

Eiseres heeft eveneens om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand verzocht, maar deze kosten betreffen geen proceshandelingen, maar advieswerkzaamheden die niet voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres heeft op eigen naam beroep ingesteld en is door twee van haar bestuursleden ter zitting vertegenwoordigd.

6. Verder zal de rechtbank bepalen dat verweerder eisers het door hen betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, begroot op € 980,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 328,00 en eiser het door hem betaalde griffierecht van € 165,00 moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, mr. J.M.H. Rijken-Lie en mr. M. van den Brink, leden, in aanwezigheid van mr. F.A.M.C. Habraken-Hermans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.