Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4757

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
01/865043-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging voor poging tot grooming.

Geen concrete (uitvoerings)handelingen die waren gericht op het daadwerkelijk realiseren van een ontmoeting en gelet op bedoeling wetgever ontbreekt strafbaarheid.

Bewezen zijn enkele zedendelicten tav twee 14-jarige meisjes.

Licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Opgelegd wordt een taakstraf van 240 uur met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Tevens dient schade betaald te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/210

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/865043-13

Datum uitspraak: 24 juli 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 juni 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 juli 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 9

april 2013 te Veendam en/of Eindhoven, althans de provincie Noord-Brabant, in elk geval in

Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door middel van een

geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voor te stellen met [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer 1] , van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen en/of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon betrokken is te vervaardigen en ter verwezenlijking van dat voorstel enige handeling te verrichten, meermalen

- via MSN, Habbohotel, Chatlokaal, Facebook, Fobbahotel en/of e-mail, in elk geval via een of meer internetsite(s), en/of telefonisch en/of via de webcam meermalen contact gelegd met voornoemde [slachtoffer] en/of

- via email/MSN die [slachtoffer] een foto en/of een filmpje van zijn ontblote penis in erectie

gestuurd aan die [slachtoffer] en/of

- aan die [slachtoffer] verzocht foto(’s) van zichzelf te maken waarop zij geheel of gedeeltelijk

naakt stond afgebeeld en/of waarop zij zichzelf aan het vingeren was en/of zichzelf betastte en/of

- die [slachtoffer] duidelijk gemaakt dat hij haar graag zou willen ontmoeten en/of ontmaagden

en/of haar borsten zou willen aanraken/betasten en/of

- met die [slachtoffer] seksueel getinte gesprekken gevoerd (via MSN/chat/SMS/E-mail) en/of

- voorgesteld dure lingerie te kopen en elkaar vervolgens te ontmoeten om seks te kunnen hebben en/of daartoe een mogelijke plek besproken en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, de liefde verklaard aan die [slachtoffer] en/of

- meerdere, althans een sms-bericht(en) en/of e-mailbericht(en) verstuurd aan die [slachtoffer] met (onder meer) de tekst “wil bij je zijn en je zoenen kus je mannetje” en/of “ik wil

met je tongzoenenje vast houden” en/of “Ik wil bij je zijn je voelen je ruiken”

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

(art. 45 jo. art. 248e van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 27 oktober 2012 en/of 28 oktober 2012, in elk geval op één of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 9 april 2013 te

Veendam en/of Eindhoven, althans de provincie Noord-Brabant, in elk geval in

Nederland, via email/MSN

- een foto en/of een filmpje van zijn, verdachtes, ontblote penis in erectie en/of

- een foto van een (gedeeltelijk) ontbloot minderjarig meisje

welke foto(’s) en/of welk filmpje schadelijk zijn/is te achten voor personen beneden de

leeftijd van zestien jaar, heeft verzonden aan [slachtoffer] (geboren [geboortedatum slachtoffer 1] ), van wie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt;

(art. 240a van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een tijdstip in of omstreeks de maand(en) juni 2013 en/of juli 2013 te Zeeland

(Noord-Brabant), althans de provincie Noord-Brabant, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte meerdere malen, althans eenmaal:

- ge(tong)zoend met die [slachtoffer 2] en/of

- zijn hand, althans arm, op het been van die [slachtoffer 2] gelegd en/of

- de borsten van die [slachtoffer 2] betast/aangeraakt/gestreeld en/of

- met die [slachtoffer 2] geknuffeld.

(art. 247 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31

augustus 2013 te Zeeland (Noord-Brabant) en/of Eindhoven, althans de provincie Noord

Brabant, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte:

- via het internet contact gezocht met voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- ( meermalen) via Chatlokaal en/of What’s App en/of Skype en/of MSN en/of email, in elk geval via internet, alsmede via telefonisch contact, voornoemde [slachtoffer 2] verzocht foto(’s) van zichzelf te maken waarop zij geheel of gedeeltelijk naakt stond afgebeeld en/of waarop zij zichzelf aan het vingeren was en/of zichzelf betastte en/of (aldus) die [slachtoffer 2] (meermalen) met succes bewogen die/dergelijke foto’s naar hem, verdachte te versturen,

- ( meermalen) foto’s van zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel in erectie via What’s App/internet aan voornoemde [slachtoffer 2] verzonden en/of

- ( meermalen) filmpjes waarop zichtbaar is dat hij, verdachte, zich aftrekt via What’s App/internet aan die [slachtoffer 2] verzonden en/of

- zich (meermalen) voor de webcam afgetrokken terwijl dit (via Skype) zichtbaar was voor die [slachtoffer 2] en/of

- meerdere seksuele gesprek(ken) via internet en/of telefoon met die [slachtoffer 2] gevoerd;

(‘art. 247 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met

31 augustus 2013 te Zeeland (Noord-Brabant) en/of Eindhoven, althans de provincie

Noord-Brabant, in elk geval in Nederland, door middel van een geautomatiseerd werk

en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst (meermalen) een ontmoeting

heeft voorgesteld met [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum slachtoffer 2] , van wie hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer 2] te plegen en ter verwezenlijking van dat voorstel enige handeling heeft verricht, immers heeft

verdachte meermalen

- via het internet contact gezocht met voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- ( meermalen) via Chatlokaal en/of What’s App en/of Skype en/of MSN en/of

email, in elk geval via internet, alsmede via telefonisch contact seksueel getinte

gesprekken gevoerd met die [slachtoffer 2]

- die [slachtoffer 2] (meermalen) verzocht foto(’s) van zichzelf te maken waarop zij geheel

of gedeeltelijk naakt stond afgebeeld en/of waarop zij zichzelf aan het vingeren was en/of zichzelf betastte en/of (aldus) die [slachtoffer 2] (meermalen) met succes bewogen die/dergelijke foto’s naar hem, verdachte te versturen,

- ( meermalen) foto’s van zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel in erectie via What’s App/internet aan voornoemde [slachtoffer 2] verzonden en/of

- ( meermalen) filmpjes waarop zichtbaar is dat verdachte zich aftrekt via What’s App/internet aan die [slachtoffer 2] verzonden en/of

- zich (meermalen) voor de webcam afgetrokken terwijl dit (via Skype) zichtbaar was voor die [slachtoffer 2] en/of

- ( meermalen) een afspraak met die [slachtoffer 2] gemaakt om haar te ontmoeten en (meermalen) conform die afspraken, naar de omgeving van de kerk in Zeeland is gereden;

(art. 248e van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2013 tot en met 31

augustus 2013 te Zeeland (Noord-Brabant) en/of Eindhoven, althans de provincie

Noord-Brabant, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft verdachte zich (meermalen) voor de webcam afgetrokken terwijl dit (via Skype) zichtbaar was voor die [slachtoffer 2] ;

(art. 248d van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met

31 augustus 2013 te Zeeland (Noord-Brabant) en/of Eindhoven, althans de provincie

Noord-Brabant, in elk geval in Nederland,

- foto’s van zijn, verdachtes, ontblote penis in erectie en/of

- filmpjes waarop zichtbaar is dat verdachte zich aftrekt

welke foto(’s) en/of filmpjes schadelijk zijn te achten voor personen beneden de leeftijd

van zestien jaar, via What’s App/internet heeft verzonden aan [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum slachtoffer 2] ), van wie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt;

(art. 240a van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen.

Inleiding.

Op 11 juni 2013 heeft de moeder van [slachtoffer] aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar dochter door verdachte. Op 9 januari 2014 heeft [slachtoffer 2] , (ten tijde van de feiten) 14 jaar oud, aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, behoudens het ten laste gelegde betasten van de borsten van het slachtoffer.

Ten aanzien van het eerste feit, onder feit 1 ten laste gelegd

De verdediging heeft bepleit dat meerdere feitelijke gedragingen, zoals opgesomd in de tenlastelegging ten aanzien van dit feit, niet bewezen verklaard kunnen worden omdat deze, samengevat, enkel gebaseerd zijn op de verklaringen van het slachtoffer en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat een beroep wordt gedaan op de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank stelt voorop dat de rechter op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend kan aannemen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel; niet is vereist dat elk onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun vindt. In zoverre faalt dus reeds het verweer.

Het feit dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Het steunbewijs zal verder dienen te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen. Deze aan te leggen toets brengt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

Slachtoffer [slachtoffer] is, naar aanleiding van een informatief gesprek zeden en de aangifte van haar moeder van seksueel misbruik door verdachte, door de politie gehoord. [slachtoffer] heeft tijdens dit verhoor uitgebreid en gedetailleerd verklaard over hoe het contact met verdachte tot stand is gekomen, via welke communicatiemiddelen zij contact hebben gehad, over welke seksuele handelingen zij tijdens die contactmomenten hebben gesprokken en welk beeldmateriaal zij naar elkaar hebben verzonden. De verklaringen van [slachtoffer] zijn in de kern genomen consistent. Concrete en objectieve aanwijzingen die afdoen aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen, heeft de rechtbank niet gevonden in het dossier en evenmin in het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] .

Deze verklaringen van [slachtoffer] worden naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de verklaring van de moeder van [slachtoffer] , de inhoud van diverse email –en smsberichten en (deels) de verklaringen van verdachte zelf. Op grond van het vorenstaande verwerpt de rechtbank dit verweer van de verdediging.

De verdediging heeft voorts bepleit dat de ten laste gelegde feitelijke gedragingen niet te kwalificeren zijn als een poging tot grooming, nu deze gedragingen geen gedragingen zijn die gericht zijn op het aansturen tot een ontmoeting met het oogmerk om ontuchtige handelingen te plegen en verdachte ook nimmer concrete voorstellen voor een ontmoeting heeft gedaan. Een ontmoeting speelde alleen in de fantasiewereld van verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het onderzoek ter terechtzitting en de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte met [slachtoffer] meerdere keren heeft gesproken over een ontmoeting, waarbij verdachte ook één keer concreet het Julianapark in Veendam als ontmoetingsplaats heeft genoemd. Verder heeft verdachte daarbij aan [slachtoffer] aangegeven dat hij aan haar borsten wilde zitten en haar wilde ontmaagden. Dat verdachte [slachtoffer] enkel wilde ontmoeten in zijn fantasiewereld en niet in werkelijkheid, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat een en ander toch moeilijk valt te rijmen met de inhoud van verdachtes uitlatingen jegens [slachtoffer] , de daarin uitgesproken wens haar te ontmoeten en de beschrijving van de seksuele handelingen die hij bij haar wilde verrichten in het bijzonder, en het feit dat verdachte nadien met een ander slachtoffer na een vergelijkbare digitale correspondentie daadwerkelijk tot een lijfelijke ontmoeting is overgegaan en bij die gelegenheid ontuchtige handelingen met dat slachtoffer heeft gepleegd. Al met al acht de rechtbank het, anders dan de verdediging, op basis van de hierna in de bewezenverklaring genoemde gedragingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] wilde ontmoeten met het oogmerk om ontuchtige handelingen te plegen.

Voor het voltooide delict van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdachte enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van zijn voorstel tot een ontmoeting met als oogmerk het plegen van ontuchtige handelingen. Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte concrete uitvoeringshandelingen, gericht op een dergelijke ontmoeting met [slachtoffer] , heeft verricht. Gezien de onder dit feit bewezen verklaarde gedragingen en hetgeen hierboven is overwogen, acht de rechtbank een poging tot grooming wel wettig en overtuigend bewezen. Immers, verdachte heeft meerdere keren met [slachtoffer] over een ontmoeting gesproken waarbij hij ook één keer een concrete ontmoetingsplaats heeft genoemd en met haar gesproken over seksuele handelingen die hij met haar wilde verrichten. Daarmee heeft het voornemen van verdachte om [slachtoffer] een ontmoeting voor te stellen met het oogmerk om ontuchtige handelingen te plegen zich naar uiterlijke verschijningsvorm door een begin van uitvoering geopenbaard. Dat het niet tot een daadwerkelijke ontmoeting is gekomen, is niet afhankelijk geweest van de wil van de verdachte, maar veel meer te danken aan het feit dat [slachtoffer] naderhand de boot verder heeft afgehouden.

Gelet op de bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder het eerste feit van feit 1 ten laste gelegde misdrijf wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Ten aanzien van het tweede feit, onder feit 1 ten laste gelegd

De verdediging heeft bepleit dat de vertoning van de onder dit feit van de tenlastelegging genoemde foto’s niet schadelijk is voor [slachtoffer] .

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is het ook in het huidige tijdsgewricht een feit van algemene bekendheid dat het tonen van foto’s van een ontblote penis in erectie en van een ontbloot minderjarig meisje schadelijk is te achten voor een persoon die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zoals [slachtoffer] . Dit schadelijk effect blijkt bovendien uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer] , dat haar dochter geschrokken was van de foto van het geslachtsdeel van verdachte.

Gelet op de bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder het tweede feit van feit 1 ten laste gelegde misdrijf wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

Op de in de pleitaantekeningen genoemde gronden heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het onder dit feit ten laste gelegde betasten van de borsten van het slachtoffer niet bewezen verklaard kan worden. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met [slachtoffer 2] heeft getongzoend. Voor de overige ten laste gelegde gedragingen ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs. Voor deze gedragingen zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Gelet op de bewijsmiddelen en gezien hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde misdrijf wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Ten aanzien van de feiten, onder feit 3 ten laste gelegd

Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten, onder feit 3 ten laste gelegd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de onder dit feit ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken voor wat betreft de periode 1 januari 2013 tot 1 juni 2013. De verdediging heeft voorts bepleit dat meerdere feitelijke gedragingen, zoals opgesomd in de tenlastelegging ten aanzien van deze feiten, niet bewezen verklaard kunnen worden omdat deze, samengevat, enkel gebaseerd zijn op de verklaringen van het slachtoffer en aldus onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Zoals hiervoor is overwogen moet de rechtbank, bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan het bewijsminimum, beoordelen of de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer 2] betrouwbaar kunnen worden geacht, en of er naast deze verklaringen voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. Deze aan te leggen toets brengt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik van verdachte. [slachtoffer 2] heeft tijdens de aangifte uitgebreid en gedetailleerd verklaard over hoe het contact met verdachte tot stand is gekomen, via welke communicatiemiddelen zij contact hebben gehad, over welke seksuele handelingen zij tijdens die contactmomenten hebben gesprokken en welk beeldmateriaal zij naar elkaar hebben verzonden. De verklaringen van [slachtoffer 2] zijn in de kern genomen consistent. Concrete en objectieve aanwijzingen die afdoen aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen, heeft de rechtbank niet gevonden in het dossier en evenmin in het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] .

Deze verklaringen van [slachtoffer 2] worden naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals (deels) de verklaringen van verdachte zelf. De verklaringen van [slachtoffer 2] worden ook (deels) ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer] , voor zover de ten laste gelegde gedragingen overeen komen. Dit verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Bewijsoverweging ten aanzien van het eerste feit, onder feit 3 ten laste gelegd.

De verdediging heeft bepleit dat de onder dit feit ten laste gelegde feitelijke gedragingen niet te kwalificeren zijn als ontuchtige handelingen. De verdediging heeft voorts bepleit dat het versturen van een foto van een ontblote penis geen ontuchtige handeling is, nu de confrontatie met een dergelijke foto voor de minderjarige in dit geval niet schadelijk te achten is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Voor de vraag of er sprake is van ontuchtige handelingen is niet per definitie vereist dat er lichamelijke aanraking tussen de dader en het slachtoffer heeft plaatsgevonden. De vraag die moet worden beantwoord is of, en zo ja, in hoeverre, er tussen verdachte en [slachtoffer 2] enige voor het plegen van ontucht relevante interactie heeft plaatsgevonden. De hierna in de bewezenverklaring van dit feit genoemde gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien, aan te merken als handelingen van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm, waarbij interactie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] via whatsapp, Skype dan wel op een andere manier via het internet. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorts ook in het huidige tijdsgewricht een feit van algemene bekendheid dat het tonen van foto’s van een ontblote penis in erectie en van een ontbloot minderjarig meisje schadelijk is te achten voor een persoon die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zoals [slachtoffer 2] .

Bewijsoverweging ten aanzien van het vierde feit, onder feit 3 ten laste gelegd.

De verdediging herhaalt hier haar standpunt dat confrontatie met een foto van een ontblote penis voor de minderjarige in dit geval niet schadelijk te achten is. De rechtbank verwerpt het verweer en verwijst naar hetgeen hiervoor bij de bewijsoverweging ten aanzien van het eerste feit, onder feit 3 ten laste gelegd is overwogen.

Hetgeen de verdediging overigens ten aanzien van het bewijs van feit 3 ten verweer heeft betoogd, vindt zijn weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor dit feit heeft gebezigd.

Gelet op de bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder feit 3 ten laste gelegde misdrijven wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 9

april 2013 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voor te stellen met [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer 1] , van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen meermalen

- via MSN, Habbohotel, Chatlokaal, Facebook, Fobbahotel en e-mail en telefonisch en via de webcam meermalen contact heeft gelegd met voornoemde [slachtoffer] en

- via e-mail die [slachtoffer] een foto van zijn ontblote penis in erectie heeft gestuurd aan die [slachtoffer] en

- aan die [slachtoffer] heeft verzocht foto(’s) van zichzelf te maken waarop zij geheel of gedeeltelijk

naakt stond afgebeeld en

- die [slachtoffer] duidelijk heeft gemaakt dat hij haar graag zou willen ontmoeten en ontmaagden

en haar borsten zou willen aanraken/betasten en

- met die [slachtoffer] seksueel getinte gesprekken heeft gevoerd (via MSN/chat/sms/e-mail) en

- heeft voorgesteld dure lingerie te kopen en elkaar te ontmoeten om seks te kunnen hebben en daartoe een mogelijke plek besproken en

- meerdere malen de liefde heeft verklaard aan die [slachtoffer] en

- meerdere sms-berichten heeft verstuurd aan die [slachtoffer] met (onder meer) de tekst “wil bij je zijn en je zoenen kus je mannetje” en “ik wil met je tongzoenen je vast houden” en “Ik wil bij je zijn je voelen je ruiken”

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

en

op 27 oktober 2012 en/of 28 oktober 2012 te Eindhoven via e-mail

- een foto van zijn, verdachtes, ontblote penis in erectie en

- een foto van een (gedeeltelijk) ontbloot minderjarig meisje

welke foto’s schadelijk zijn te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, heeft verzonden aan [slachtoffer] (geboren [geboortedatum slachtoffer 1] ), van wie verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt;

ten aanzien van feit 2:

in de maand juni 2013 of juli 2013 te Zeeland (Noord-Brabant) met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte meerdere malen ge(tong)zoend met die [slachtoffer 2] ;

ten aanzien van feit 3:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte:

- via het internet contact gezocht met voornoemde [slachtoffer 2] en

- meermalen via whatsapp en Skype voornoemde [slachtoffer 2] verzocht foto’s van zichzelf te maken waarop zij geheel of gedeeltelijk naakt stond afgebeeld en waarop zij zichzelf aan het vingeren was en (aldus) die [slachtoffer 2] meermalen met succes bewogen dergelijke foto’s naar hem, verdachte te versturen,

- meermalen foto’s van zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel in erectie via whatsapp aan voornoemde [slachtoffer 2] verzonden en

- meermalen filmpjes waarop zichtbaar is dat hij, verdachte, zich aftrekt via whatsapp aan die [slachtoffer 2] verzonden en

- zich voor de webcam afgetrokken terwijl dit (via Skype) zichtbaar was voor die [slachtoffer 2] en

- meerdere seksuele gesprekken via internet en telefoon met die [slachtoffer 2] gevoerd;

en

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 te Eindhoven door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst meermalen een ontmoeting heeft voorgesteld met [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum slachtoffer 2] , van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer 2] te plegen en ter verwezenlijking van dat voorstel enige handeling heeft verricht, immers heeft verdachte meermalen

- via het internet contact gezocht met voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- meermalen via whatsapp en Skype seksueel getinte gesprekken gevoerd met die [slachtoffer 2] en

- die [slachtoffer 2] meermalen verzocht foto’s van zichzelf te maken waarop zij geheel

of gedeeltelijk naakt stond afgebeeld en waarop zij zichzelf aan het vingeren was en (aldus) die [slachtoffer 2] meermalen met succes bewogen dergelijke foto’s naar hem, verdachte te versturen en/of

- meermalen foto’s van zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel in erectie via whatsapp aan voornoemde [slachtoffer 2] verzonden en/of

- meermalen filmpjes waarop zichtbaar is dat verdachte zich aftrekt via whatsapp/internet aan die [slachtoffer 2] verzonden en/of

- zich meermalen voor de webcam afgetrokken terwijl dit (via Skype) zichtbaar was voor die [slachtoffer 2] en/of

- meermalen een afspraak met die [slachtoffer 2] gemaakt om haar te ontmoeten en meermalen conform die afspraken, naar de omgeving van de kerk in Zeeland is gereden;

(art. 248e van het Wetboek van Strafrecht)

en

op meer tijdstippen in de periode 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 te Eindhoven [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft verdachte zich meermalen voor de webcam afgetrokken terwijl dit (via Skype) zichtbaar was voor die [slachtoffer 2] ;

(art. 248d van het Wetboek van Strafrecht)

en

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 te Eindhoven

- foto’s van zijn, verdachtes, ontblote penis in erectie en

- filmpjes waarop zichtbaar is dat verdachte zich aftrekt,

welke foto’s en filmpjes schadelijk zijn te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, via whatsapp/internet heeft verzonden aan [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum slachtoffer 2] ), van wie verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Ten aanzien van het eerste feit, onder feit 1 ten laste gelegd

Het standpunt van de officier van justitie aangaande de strafbaarheid.

De officier van justitie acht een poging tot grooming strafbaar.

Het standpunt van de verdediging aangaande de strafbaarheid.

De verdediging bepleit dat een poging tot grooming niet strafbaar is, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht een poging tot grooming niet strafbaar. Verdachte dient ter zake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In algemene zin moet het volgende worden vooropgesteld.

In de feitenrechtspraak zijn tegenstrijdige beslissingen te vinden ten aanzien van de vraag of poging tot grooming strafbaar is of niet. Er zijn uitspraken waarin bewezen werd verklaard dat de verdachte zich aan poging tot grooming had schuldig gemaakt en waarin te dier zake een straf werd opgelegd, waar de officier van justitie bij requisitoir op heeft gewezen, maar ook uitspraken waarin het tegendeel werd beslist, zoals door de verdediging is aangevoerd. De hoogste rechter, de Hoge Raad der Nederlanden, heeft zich omtrent deze kwestie tot op heden nog niet uitgelaten.

Het systeem van de wet verzet zich naar het oordeel van de rechtbank niet tegen strafbaarheid wegens poging tot grooming. Artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht, waarin poging tot misdrijf strafbaar is gesteld, is op alle misdrijven van toepassing tenzij in de wet het tegendeel is bepaald. In de wet wordt poging tot grooming niet uitgesloten.

Strafbaarheid bij poging tot grooming zou wel kunnen worden uitgesloten tegen de achtergrond van de wetgeschiedenis met betrekking tot de algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen (Handelingen II 1990/91, 22 268 nr. 3, blz. 13) waaruit volgt dat poging tot voorbereiding en voorbereiding tot voorbereiding van een misdrijf geen strafbaarheid kunnen vestigen. Dan is echter wel vereist dat het delict van grooming zoals dat is omschreven in artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht als een specifieke en juridische voorbereidingshandeling (bijv. naar analogie van artikel 10a van de Opiumwet) kan worden gezien. In de delictsomschrijving van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht ontbreekt daarvoor een aanknopingspunt. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in de wetsgeschiedenis bij de invoering van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht ook een aanknopingspunt voor het oordeel dat de wetgever grooming in juridische zin als een voorbereidingsdelict heeft willen kwalificeren. De wetgever rept over niet meer dan dat grooming “in feite” als een voorbereidingshandeling kan worden aangemerkt. Een daadwerkelijke en uitdrukkelijke kwalificatie als voorbereidingsdelict ontbreekt echter.

Ten slotte, doch ten overvloede, overweegt de rechtbank dat ook het Verdrag van Lanzarote (Verdrag van de Raad van Europa inzake bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, Trb. 2008, 58 en Stb. 2009, 543.) strafbaarheid wegens poging tot grooming niet heeft willen uitsluiten. De rechtbank mag en kan evenwel artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht niet aan dit verdrag toetsen, omdat dit verdrag zich tot de wetgever richt en niet tot de rechter.

Uit de wetsgeschiedenis bij de invoering van de strafbaarstelling van grooming blijkt echter wel als uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat van strafbaarheid wegens grooming eerst sprake is als een bepaalde stap is gemaakt.

Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 810 nr. 3, p. 6-7.) is voor strafbaarheid van "grooming" ex artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de communicatiefase, waarbij de dader in een langer lopend proces door veelvuldig chat- en e-mailcontact langzaam het vertrouwen wint van het kind, het kind verleidt tot het delen van intimiteiten en op die wijze het kind in de digitale wereld vatbaar maakt voor seksueel misbruik in de fysieke wereld, uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Er dient aldus sprake te zijn van het treffen van concrete voorbereidingen gericht op het verwezenlijken van de ontmoeting. Er is voor strafbaarheid derhalve meer nodig dan het uitsluitend op internet communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen. Een zodanige verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase zou te ver voeren en is bovendien niet goed handhaafbaar. Voor de strafwaardigheid is het wezenlijk dat de communicatiefase uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Deze gedragingen onderstrepen de vastheid van het voornemen van de dader om zijn digitaal misbruik daadwerkelijk om te zetten in het plegen van fysiek misbruik. Vanuit het oogpunt van een effectieve bescherming van kinderen is het zaak dat tegen deze gedragingen strafrechtelijk kan worden opgetreden. Van strafbaarheid kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de dader zich begeeft naar de voor de ontmoeting afgesproken plek, het slachtoffer van een routebeschrijving naar die plek voorziet of anderszins concrete voorbereidingen treft gericht op het verwezenlijken van de ontmoeting. Aldus de wetgever.

Een en ander brengt de rechtbank tot de volgende slotsom.

In de onderhavige zaak is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte het digitale verleidingstraject heeft doen uitmonden in een meerdere malen gedaan voorstel voor een ontmoeting. Niet is echter komen vast te staan dat de verdachte concrete (uitvoerings)handelingen heeft verricht die waren gericht op het daadwerkelijk realiseren van die ontmoeting. Gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, ontbreekt het wat het bewezenverklaarde betreft dan ook aan strafbaarheid, zodat de verdachte ter zake daarvan moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het tweede feit, onder feit 1 ten laste gelegd, feit 2 en de vier feiten, onder feit 3 ten laste gelegd

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 5 jaar met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden de voorwaarden van de reclassering zoals opgenomen in het reclasseringsadvies van 8 december 2014. Als extra bijzondere voorwaarde vraagt de officier van justitie om verdachte een contactverbod met [slachtoffer] en [slachtoffer 2] op te leggen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Primair heeft de raadsvrouwe vrijspraak bepleit voor meerdere ten laste gelegde feiten, wat in het voordeel van verdachte moet werken voor wat betreft het aantal op te leggen uren werkstraf. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van één of meer van deze ten laste gelegde feiten, dan verzoekt de raadsvrouwe om bij de strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden:

- de positieve ontwikkeling die verdachte thans doormaakt;

- verdachte wordt licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht;

- verdachte is niet eerder ter zake van misdrijven veroordeeld;

- dit gebeuren heeft een grote invloed gehad op de persoonlijke omstandigheden van

verdachte;

- verdachte heeft volledige verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden;

- verdachte heeft zich gemotiveerd getoond, en is nog steeds gemotiveerd om aan zijn

problematiek te werken;

- de behandeling van deze zaak heeft erg lang op zich laten wachten.

Tot slot verzoekt de raadsvrouwe de rechtbank om bij een eventuele strafoplegging het strafadvies uit het reclasseringsadvies van 8 december 2014 te volgen.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte weegt mee

Verdachte heeft zich ten aanzien van twee 14-jarige meisjes schuldig gemaakt aan meerdere zedendelicten. Verdachte heeft beeldmateriaal naar beide meisjes verzonden wat schadelijk is te achten voor minderjarigen en hen daarmee seksueel gecorrumpeerd. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan grooming door met een van de meisjes een ontmoeting te hebben met als doel ontuchtige handelingen met haar te plegen en aan ontucht door vervolgens ook daadwerkelijk met dat meisje ontuchtige handelingen te plegen bestaande uit het tongzoenen van haar. Voorts heeft de verdachte zich aan ontucht met datzelfde meisje schuldig gemaakt door seksuele gedragingen te (doen) verrichten die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Zo heeft hij zichzelf in haar bijzijn via de webcam afgetrokken en heeft hij haar bewogen foto’s van zichzelf te sturen waarop zij seksuele handelingen bij zichzelf verricht.

Het behoeft geen betoog dat dit soort feiten, juist aan kinderen en adolescenten die in een seksuele ontwikkelingsfase verkeren, ernstige psychische, emotionele en lichamelijke schade kunnen toebrengen zoals ook blijkt uit de in het dossier aanwezige slachtofferverklaring van één van zijn slachtoffers, [slachtoffer] . Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van deze minderjarigen. Verdachte heeft daarmee de in acht te nemen grenzen overschreden, waarbij hij zich door zijn eigen (lust)gevoelens lijkt te hebben laten leiden.

In het voordeel van verdachte weegt mee

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en oprecht berouw heeft getoond en dat verdachte zelf initiatief heeft getoond om gemotiveerd aan zijn problematiek te werken. Verdachte volgt in dat kader op dit moment al ruim een jaar verschillende therapieën en maakt thans, volgens zijn behandelaar [naam behandelaar] van de Woenselse Poort, een positieve ontwikkeling door ten aanzien van zijn persoonlijkheid en zijn inzicht in zijn delict gedrag. Daardoor kan redelijkerwijs worden aangenomen dat het gedrag van verdachte zich ten goede zal keren.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte de door hem gepleegde strafbare feiten in een vroeg stadium van het onderzoek heeft toegegeven en ook verder zijn volledige medewerking aan dat onderzoek heeft verleend. Uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door Pro Justitia d.d. 5 januari 2014 blijkt, dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Dit rapport houdt kort weergegeven in dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens. Er wordt geadviseerd verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank neemt deze conclusie over.

De rechtbank weegt daarnaast ten voordele van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop de door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

De strafmodaliteit

De rechtbank zal een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen conform de eis van de officier van justitie, ondanks het feit dat de rechtbank verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging voor het eerste feit onder feit 1 ten laste gelegd. De gevorderde straf is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal voorts een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden. Daarbij acht de rechtbank, anders dan de door de officier van justitie geëiste proeftijd van 5 jaren, een proeftijd van 3 jaren voldoende om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank het opleggen van een contactverbod met beide slachtoffers niet geboden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht deze vordering toewijsbaar voor een bedrag van in totaal € 514,62 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Primair heeft de verdediging bepleit dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, nu zij vrijspraak heeft bepleit voor de onder feit 1 ten laste gelegde feiten. Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen, dan bepleit de verdediging, samengevat, dat het causaal verband tussen de klachten van het slachtoffer en de gedragingen van verdachte ontbreekt en dient de vordering om die reden te worden afgewezen.

Beoordeling. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade volledig toewijsbaar. Voorts staat naar het oordeel van de rechtbank buiten twijfel dat de gedragingen van verdachte in enige mate hebben bijgedragen aan de psychische problemen van het slachtoffer. De rechtbank acht de gevorderde immateriële schadevergoeding van het slachtoffer dan ook gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 500,-- .

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de overige gevorderde immateriële schade omdat de rechtbank van oordeel is dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening ten aanzien van de materiële schade en ten aanzien van de immateriële schade.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 240a, 247,

248d en 248e.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: Poging tot door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstellen met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, terwijl hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting

en

een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze jonger is dan zestien jaar, meermalen gepleegd. T.a.v. feit 2: Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen. T.a.v. feit 3: Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

en

door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstellen met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, terwijl hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, meermalen gepleegd

en

een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, meermalen gepleegd

en

een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar, meermalen gepleegd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregelen.

T.a.v. het eerste feit 1 onder feit 1 ten laste gelegd: Ontslag van alle rechtsvervolging, zijnde het feit niet strafbaar.

T.a.v. het tweede feit onder feit 1 ten laste gelegd, feit 2, feit 3: Een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. het tweede feit onder feit 1 ten laste gelegd, feit 2, feit 3: Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet veroordeelde zich telefonisch binnen 48 uur volgend op de uitspraak melden bij Reclassering Nederland via telefoonnummer: 073-6408080. Hierna moet hij zich gedurende drie jaar bij Reclassering Nederland melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

- wordt verplicht om zich ambulant te laten behandelen voor seksueel grensoverschrijdend gedrag bij GGzE, De Woenselse Poort of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- wordt verplicht om mee te werken aan een arbeid en/of reïntegratietraject, indien dit geïndiceerd is door de toezichthouder;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. het tweede feit, onder feit 1 ten laste gelegd:

Een maatregel van schadevergoeding ter hoogte van 514,62 euro (ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] ) subsidiair 10 dagen hechtenis. Legt aan veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van 514,62 euro (zegge vijfhonderdveertien euro en tweeënzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat voor een bedrag van 14,62 euro uit materiële schade en voor een bedrag van 500,00 euro uit immateriële schade, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 514,62 euro (zegge vijfhonderdveertien euro en tweeënzestig cent). Voormeld bedrag bestaat voor een bedrag van 14,62 euro uit materiële schade en voor een bedrag van 500,00 euro uit immateriële schade, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het gedeelte, betrekking hebbend op de overige gevorderde immateriële schade, niet ontvankelijk is.

Veroordeelt veroordeelde tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt veroordeelde verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 24 juli 2015.

Mr. Damen is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.