Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4728

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
01/865047-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet en strafbare voorbereidingshandelingen gericht op de vervaardiging van (met)amfetamine. Het gaat om het voorhanden hebben van 420 kilogram Apaan.

Vrijspraak van het aanwezig hebben van jammers/radiozendapparaten (Telecommunicatiewet).

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

De rechtbank ziet geen reden de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen en wijst de vordering van de officier van justitie daartoe af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/865047-13

Datum uitspraak: 07 augustus 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 juni 2015. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 20 november 2013 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, in elk geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten: (ongeveer) 420 kilogram van een stof bevattende alfa-fenylacetoacetonitril (Apaan) bestemd tot het vervaardigen van MDMA en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of een andere stof voorkomende op lijst I van de Opiumwet;

2. hij op of omstreeks 20 november 2013 te Maarheeze, gemeente Cranendonck,, al dan niet opzettelijk, één of meer radiozendapparaten, te weten een (draagbare) multiband/1-,2-,3-,4-,5-band GSM/UMTS/GPS/LTE jammer(s), heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en/of heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend.

Voor zover in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak feit 2.

Met de raadsman acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen1 en de beoordeling daarvan ten aanzien van feit 1.

Inleiding.

Op 20 november 2013 zagen verbalisanten bij een verkeerscontrole in Maarheeze een Mercedes bus keren en wegrijden. De Mercedes werd achtervolgd en de bestuurder, naar later bleek verdachte, is gecontroleerd. Verbalisanten roken dat er een penetrante chemische geur uit het voertuig kwam.2

De Mercedes is in beslag genomen en onderzocht. In de bagageruimte werden 14 kartonnen tonnen met houten deksels aangetroffen.3 De 14 kartonnen tonnen bleken bij nader onderzoek een crèmekleurig poeder te bevatten met een typerende geur die door de verbalisant herkend werd als passend bij Apaan. Het poeder uit vier van de tonnen is bemonsterd en voorzien van SIN AAFG0801NL tot en met AAFG0804NL.4 Uit NFI-onderzoek is gebleken dat de monsters AAFG0801NL tot en met AAFG0804NL Apaan bevatten. In relatie tot de productie van verdovende middelen is het bekend dat deze stof wordt omgezet in benzylmethylketon (BMK), een grondstof voor o.a. amfetamine of metamfetamine.5 De 14 tonnen bevatten allemaal netto 30 kilo Apaan ofwel samen 420 kilo.6

Verdachte heeft in zijn eerste verklaring tegenover de politie aangegeven dat hij de Mercedes bus enkele weken eerder had gehuurd. Hij heeft de bus bij vrienden neergezet, waar een vriend tegen hem zei dat hij buiten moest wachten. Toen de vriend met de bus terugkwam vroeg hij verdachte om de bus af te zetten in Budel. Verdachte zag dat er tonnen in de bus stonden. Die vriend had luchtverfrissers in de auto gehangen. Verdachte moest de bus bij de friettent in Budel afzetten met de sleutels in het contact. De bus zou opgehaald worden en weer terug worden gezet. Verdachte heeft zich geprobeerd te onttrekken aan de verkeerscontrole, omdat hij bang was dat hij gepakt werd. Het voelde niet goed.7 Ter zitting d.d. 24 juli 2015 heeft verdachte verklaard dat hij bij zijn eerste verklaring blijft.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij stelt zich op het standpunt dat het, gelet op alle omstandigheden zoals die uit het dossier blijken, niet anders kan dan dat verdachte de in de bus aangetroffen stof opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of in ieder geval ernstige reden had om te vermoeden dat deze stof bestemd was voor de productie van amfetamine. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat slechts bewezen zou kunnen worden dat verdachte een ernstige reden had om te vermoeden waar de stof voor bestemd was.

Het oordeel van de rechtbank.

Voor de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet is vereist dat de dader daadwerkelijk wetenschap heeft gehad van de omstandigheid dat hij met zijn handelingen de productie van harddrugs bevorderde. Dit opzet, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak over artikel 10a van de Opiumwet, omvat ook voorwaardelijk opzet, waarvan sprake is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de genoemde omstandigheid zich zal voordoen.

Bij de beoordeling van de vraag of die wetenschap bij verdachte bestond, acht de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden van belang:

  • -

    verdachte had de Mercedes bus voor de duur van enkele weken gehuurd;

  • -

    verdachte is op verzoek van een vriend met een bus richting Budel gereden, waar hij de bus een half uur moest laten staan met de sleutel in het contact en waar de bus door een ander zou worden meegenomen en teruggebracht;

  • -

    verdachte heeft de naam van de vriend die hem dit gevraagd heeft niet willen geven;

  • -

    verdachte heeft gezien dat er tonnen in de bus waren geladen;

  • -

    verdachte is bij het zien van de verkeerscontrole gekeerd en weggereden;

  • -

    verdachte heeft verklaard dat hij wegreed bij de controle, omdat het niet goed voelde en hij bang was dat hij gepakt werd;

  • -

    verbalisanten roken een penetrante, chemische lucht uit de bus komen, iets wat verdachte geroken moet hebben;

De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte zeer wisselende verklaringen heeft afgelegd over het huren van auto's, over het doel van zijn rit op 20 november 2013 en over de geur in de auto.

De rechtbank is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, van oordeel dat op zijn minst genomen verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de goederen, die hij in de bus vervoerde, bestemd waren voor de bereiding van (met)amfetamine. Verdachte heeft hiermee tenminste in voorwaardelijke zin opzet gehad op de door hem gepleegde voorbereidingshandelingen gericht op de vervaardiging van (met)amfetamine.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 20 november 2013 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, een stof voorhanden heeft gehad, waarvan hij ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was tot het plegen van die feiten, te weten: ongeveer 420 kilogram van een stof bevattende alfa-fenylacetoacetonitril (Apaan), bestemd tot het vervaardigen van metamfetamine en/of amfetamine;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    teruggave van de in beslag genomen TomTom aan de rechthebbende.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komen, dan volstaat volgens de verdediging een gevangenisstraf van een duur gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, eventueel met een bijkomende werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De officier van justitie heeft als uitgangspunt voor de eis een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant genomen, waarin sprake was van 225 kilogram Apaan en de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden heeft opgelegd (ECLI:NL:RBOBR:2013:4719).

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van (met)amfetamine door 420 kilogram Apaan voorhanden te hebben. Op grond van de aangetroffen hoeveelheid, moet worden aangenomen dat daarmee een aanzienlijke hoeveelheid (met)amfetamine geproduceerd kon worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs, eenmaal in handen van gebruikers, gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren.

De rechtbank gaat er wel van uit dat verdachte een beperkte rol in het geheel had, nu van aanknopingspunten voor het tegendeel niet is gebleken.

Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens Opiumwetdelicten.

Tussen het plegen van het bewezen verklaarde feit op 20 november 2013 en de behandeling van dat feit op de zitting van 24 juli 2015 zijn ongeveer 20 maanden verstreken. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die een goede reden aannemelijk zouden kunnen maken waarom verdachte niet eerder voor het ten laste gelegde feit is gedagvaard. Voormeld tijdsverloop zal een strafmatigende invloed hebben.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Een taakstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 24 juli 2015 afstand gedaan van alle goederen op de lijst van in beslag genomen voorwerpen, met uitzondering van de TomTom (nr. 3, goednr. 730183). De rechtbank zal daarom enkel over dit voorwerp een beslissing nemen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.

De vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

De officier van justitie heeft opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd. De rechtbank constateert dat de officier van justitie niet heeft onderbouwd waarom zij vindt dat verdachte, na een schorsing van de voorlopige hechtenis, zijn straf moet uitzitten voordat het vonnis onherroepelijk wordt. De rechtbank acht geen termen aanwezig de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen en wijst de vordering van de officier van justitie daartoe af.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van feit 1: Een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1: Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Teruggave inbeslaggenomen goederen aan de rechthebbende, te weten: TomTom (goednr. 730183).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. I.S. Peskens, leden,

in tegenwoordigheid van drs. B.C. van Wijmen, griffier,

en is uitgesproken op 7 augustus 2015.

Mr. A.M. Kooijmans-de Kort is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar een proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, Gezamenlijke Recherche Valkenswaard, Bvh 2013161188, afgesloten d.d. 17 oktober 2014, aantal doorgenummerde pagina's 135.

2 Relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 21 november 2013 (p. 33-34).

3 Relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] d.d. 20 november 2013 (p. 37).

4 Relaas van verbalisant [verbalisant 6] d.d. 8 oktober 2014 (p. 61).

5 Rapport Identificatie van drugs en precursoren van het NFI d.d. 31 maart 2014.

6 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] d.d. 9 juni 2015, proces-verbaalnummer 2013161188.

7 Verklaring van verdachte d.d. 21 november 2013 (p. 19).