Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4672

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
01/238214-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:1351, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een zestal personen, al dan niet onder dwang, telefoonabonnementen op hun naam laten afsluiten, waarna de telefoons aan verdachte moesten worden gegeven. Bewezenverklaring van afpersing in vereniging gepleegd en (medeplegen van) oplichting. De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en toezicht van de reclassering opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/238214-14 en 01/820107-15 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 31 juli 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 juli 2015.

De zaak met parketnummer 01/238214-14 is op 29 januari 2015 door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer.

Op deze zitting van 17 juli 2015 heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 22 januari 2015 (01/238214-14) en 9 juni 2015 (01/820107-15).

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 01/238214-14:

hij op enig(e) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 30 september 2013 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] ( heeft gedwongen tot de afgifte van (een) telefoon(s) en/of (een) bijbehorend(e) abonnement(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat aan die [slachtoffer 1] een (zak)mes werd getoond en/of dat tegen voornoemde [slachtoffer 1] (zakelijk weergegeven) werd gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) waar die [slachtoffer 1] woonde, dus dat zij geen domme dingen moest gaan doen;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] op enig(e) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 30 september 2013 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) telefoon(s) en/of (een) bijbehorend(e) abonnement(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat aan die [slachtoffer 1] een (zak)mes werd getoond en/of dat tegen voornoemde [slachtoffer 1] (zakelijk weergegeven) werd gezegd dat hij, [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) wist(en) waar die [slachtoffer 1] woonde, dus dat zij geen domme dingen moest gaan doen, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op enig(e) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 30 september 2013 te Eindhoven en/of Helmond en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [slachtoffer 1] bij haar woning op te halen en/of te vervoeren naar Helmond en/of Eindhoven;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op enig(e) tijdstip(pen) inof omstreeks 1 augustus 2013 tot en met 20 september 2013 te Eindhoven en/of Helmond althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van (een) telefoon(s), in elk geval van enig goed en/of het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van (een) telefoonabonnement(en), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voornoemde [slachtoffer 1] meegenomen naar een/verschillende telefoonwinkel(s) en/of haar op eigen naam en/of rekeningnummer maar met een adres wat niet het woonadres van [slachtoffer 1] was, (een) telefoonabonnement(en) met bijbehorende telefoon(s) laten afsluiten en/of haar daarvoor geld en/of een baantje beloofd, waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of aangaan van een schuld;

In de zaak met parketnummer 01/820107-15:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2013 tot

en met 6 juli 2013 te Tilburg en/of 's-Hertogenbosch en/of Eindhoven en/of

elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of

alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer

mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of het aangaan van een

of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat hij nu zijn eerste opdracht zou gaan

uitvoeren en/of daarbij dreigend voor die [slachtoffer 2] is/zijn gaan staan en/of

- aan die [slachtoffer 2] de opdracht heeft/hebben gegeven tussen hen (verdachte

en/of zijn mededader(s) in te lopen en/of te volgen en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 2] (meermalen) een pistool (althans een daarop gelijkend

voorwerp) heeft/hebben getoond en/of (daarbij) dreigend heeft/hebben gezegd

dat hij ( [slachtoffer 2] ) mee moest werken omdat hij anders met "deze" (het getoonde

pistool) te maken zou krijgen, althans woorden van gelijke aard of strekking

en/of

- die [slachtoffer 3] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "jij moet nu

meekomen, anders heb je dadelijk grote problemen" en/of

- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "als

jullie niet doen wat ik zeg dan leven jullie niet meer of komen jullie niet

meer thuis", althans woorden van gelijke aard of strekking

- tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat hij ( [slachtoffer 4] ) mee moest komen

omdat er anders erge dingen met hem gingen gebeuren, althans woorden van

gelijke aard en strekking en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 4] (telkens) heeft/hebben vervoerd/vergezeld naar (een)

telefoonwinkel(s) en die [slachtoffer 4] (telkens) de opdracht heeft/hebben gegeven

telefoonabonnement(en) af te sluiten

- aan die [slachtoffer 5] de opdracht heeft/hebben gegeven (nog) vier

telefoonabonnementen op zijn naam te zetten en/of (daarbij) dreigend heeft

gezegd dat die [slachtoffer 5] anders niet heel thuis zou komen en/of dat hij en/of

zijn mededader(s) die [slachtoffer 5] in elkaar zou slaan, althans woorden van gelijke

aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 5] in een auto heeft/hebben getrokken en/of (vervolgens) een pistool

(althans een daarop gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond en/of

- (telkens) door hun/zijn (gezamenlijke) aanwezigheid en/of houding een

dusdanig overwicht heeft/hebben uitgeoefend dat hij/zij voor die [slachtoffer 2] ,

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] een bedreigende situatie heeft/hebben

geschapen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2013 tot en met 31 mei 2013 te

Eindhoven en/of 's-Hertogenbosch en/of Eindhoven en/of Tilburg, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk

om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door

het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door

een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 5]

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk

geval van enig goed,en/of tot het aangaan van een schuld (bestaande uit het

afsluiten van een of meer telefoonabonnement(en)) hebbende verdachte en/of

zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid

- tegen die [slachtoffer 6] gezegd dat hij voor het afsluiten van meerdere

telefoonabonnementen een hoeveelheid geld (600 euro) zou krijgen en/of

- die [slachtoffer 6] een adres gegeven welke hij bij (een) telefoonwinkel(s) op

kon geven als zijnde zijn woonadres en/of

- tegen die [slachtoffer 7] gezegd dat hij snel geld kon verdienen met het afsluiten

van telefoonabonnementen en/of

- gezegd dat die [slachtoffer 7] nog dezelfde dag (van het afsluiten van het

telefoonabonnement) uit het systeem zou worden gehaald en/of hij er daarna

niets meer van zou horen

- (meermalen) gezegd tegen die [slachtoffer 7] dat hij nog meer abonnementen af moest

sluiten alvorens hij zijn geld zou krijgen en/of

- tegen die [slachtoffer 8] gezegd dat hij voor tweemaal 0,01 cent pinnen in (een)

telefoonwinkel(s) 500 euro zou krijgen en/of

- tegen die [slachtoffer 8] gezegd dat hij 700 euro zou krijgen voor het afgeven van

drie telefoons welke die [slachtoffer 8] zou verkrijgen bij het afsluiten van

telefoonabonnementen en/of

- tegen [slachtoffer 5] gezegd dat hij een vergoeding (500 euro) zou krijgen voor het

op zijn naam afsluiten van een telefoonabonnement met een daarbij behorende

telefoon en/of

- (daarbij) gezegd dat hij ,verdachte(n), iemand kende(n) die bij een

telecombedrijf werkte en dat diegene kon regelen dat het abonnement gewist kon

worden en/of

- die [slachtoffer 5] een adres gegeven welke hij op kon geven als zijn woonadres

waardoor de [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 5] (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte(n) en/of aangegane schuld(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en/of aangevuld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak in de zaak met parketnummer 01/238214-14.

In de zaak met parketnummer 01/238214-14 wordt verdachte -kort gezegd- verweten dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen [slachtoffer 1] met geweld en/of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van telefoons en/of bijbehorende abonnementen of medeplichtig is geweest daaraan. Mocht dat niet bewezen worden, is het verwijt dat hij die [slachtoffer 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft opgelicht.

Ten aanzien van het primair en subsidiar ten laste gelegde.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij in augustus 2013 met de auto is opgehaald in Helmond door [medeverdachte 1] en een drietal andere personen, waaronder verdachte.

In de auto zei [medeverdachte 1] , terwijl hij haar bedreigde met een mes, dat zij een paar telefoonabonnementen moest afsluiten voor hen bij vier verschillende providers. Ze besloot, gelet op de bedreigingen, te doen wat ze vroegen. In Helmond heeft ze een abonnement afgesloten bij Vodafone. Vervolgens is ze met de jongens naar Eindhoven gereden. Daar heeft ze nog bij HI een abonnement afgesloten. De verkregen IPhone 5 heeft ze aan [medeverdachte 1] afgegeven. [medeverdachte 1] zei dat ze nog twee abonnementen moest afsluiten op een andere dag en toen ze wegging zei hij te weten waar zij woont en dat zij geen domme dingen moest gaan doen.

Na een paar dagen belde [medeverdachte 1] haar weer op en heeft ze in winkelcentrum Woensel nog twee abonnementen afgesloten bij Telfort en Dixons. Zij is toen opgehaald door [medeverdachte 1] en verdachte.

Verdachte heeft bij de politie erkend [slachtoffer 1] één keer te hebben opgehaald in Helmond samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en een vierde persoon genaamd [medeverdachte 3] . Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij de ten laste gelegde afpersing of oplichting.

De rechtbank constateert enerzijds dat de aangifte van [slachtoffer 1] op details overeenkomt met de verklaringen van [medeverdachte 1] en verdachte. De rechtbank constateert echter anderzijds ook dat de aangifte van [slachtoffer 1] op wezenlijke punten afwijkt van de verklaringen van [medeverdachte 1] en verdachte, met name met betrekking tot de volgens [slachtoffer 1] geuite bedreigingen door [medeverdachte 1] .

De rechtbank vermag niet in te zien dat aangeefster [slachtoffer 1] nadat zij bij de eerste ontmoeting zou zijn bedreigd met een mes, na enkele dagen wederom met een aantal van deze personen afspreekt om op pad te gaan, wetende wat van haar verwacht wordt. De rechtbank kan, mede gelet op de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] dienaangaande, niet uitsluiten dat aangeefster beide keren is meegegaan voor het afsluiten van telefoonabonnementen, omdat haar in ruil daarvoor geld was beloofd.

De rechtbank kan op basis van het wettig bewijs, waarbij de aangifte op het gebied van de dwang/bedreigingen geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen, in ieder geval niet de overtuiging bekomen dat [slachtoffer 1] tot het afsluiten van de telefoonabonnementen is overgegaan, omdat zij zich door de jongens gedwongen voelde door de dreigementen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 4 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat

[slachtoffer 1] is opgelicht door medeverdachte [medeverdachte 1] en de vraag die moet worden beantwoord, luidt of verdachte daarbij als medepleger betrokken was. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] en de overige bewijsmiddelen in het dossier blijkt onvoldoende van een significante en wezenlijke bijdrage door verdachte aan die oplichting. De aanwezigheid van verdachte acht de rechtbank in dat verband onvoldoende. Zo blijkt onvoldoende dat verdachte bij de oplichting een concrete rol kan worden toegedicht; aan de omstandigheid dat verdachte -naar eigen zeggen bij de politie- ervan op de hoogte was dat [slachtoffer 1] telefoonabonnementen zou gaan afsluiten en hiervoor uiteindelijk niet betaald zou worden, komt onvoldoende doorslaggevend gewicht toe om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking aan de zijde van verdachte.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het in de zaak met parketnummer 01/238214-14 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal de rechtbank verdachte van deze feiten vrijspreken.

Vrijspraak ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/820107-15 feit 1, ten tweede en ten derde ten laste gelegd.

Onder feit 1, ten tweede en ten derde, zijn de afpersingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ten laste gelegd. De rechtbank acht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] telefoonabonnementen hebben afgesloten en dat verdachte daarbij betrokken is geweest. De rechtbank heeft op grond van de bewijsmiddelen evenwel niet de overtuiging bekomen dat het afsluiten van deze telefoonabonnementen onder bedreiging van geweld heeft plaatsgevonden, zoals aangevers hebben verklaard. Hierbij acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat de verklaringen van beide aangevers elkaar op wezenlijke punten zoals ten aanzien van de bedreigingen die al dan niet in elkaars aanwezigheid zouden hebben plaatsgevonden, niet ondersteunen, terwijl juist ten aanzien van die verklaringen de verwachting gerechtvaardigd is dat deze op hoofdlijnen eensluidend zouden zijn. Niet is uit enig nader onderzoek gebleken waardoor deze discrepanties in hun verklaringen kunnen worden verklaard, hetgeen in ieder geval niet aan verdachte kan worden tegengeworpen.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de afpersing van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Bewijs.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/820107-15 de feiten 1 en 2.

Uit de hierna, verkort weergegeven, aangiften leidt de rechtbank af dat alle aangevers zijn bewogen (al dan niet voorafgegaan door bedreiging(en)) tot het aangaan van een of meer telefoonabonnementen voor (en door) ene [verdachte] . Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit steeds een en dezelfde persoon.

De aangiften. 1

[slachtoffer 2] , verblijvende in [instelling] , heeft in zijn aangifte verklaard dat hij onder bedreiging van geweld door [verdachte] op 18 mei 2013 een telefoonabonnement heeft afgesloten. De telefoon die hij bij het abonnement kreeg, moest hij daarna afgeven aan [verdachte] . [medeverdachte 4] en [slachtoffer 6] waren er ook bij toen [slachtoffer 2] in Tilburg het telefoonabonnement afsloot. [verdachte] ging dreigend voor hem staan. Omdat zij met z’n drieën bij hem stonden, durfde [slachtoffer 2] niet meer te zeggen dat hij niet mee wilde werken. [verdachte] heeft tijdens de dreigementen een pistool laten zien, waarbij hij zei dat hij mee moest werken, omdat hij anders met “deze” te maken kreeg. , Ook moest [slachtoffer 2] tussen hen inlopen en hen volgen. [verdachte] betreft een jongen van ongeveer 20 jaar met donkere huidskleur en kort zwart krullend haar. (dossier 1 pag. 29-32)

[persoon 1] , begeleider bij [instelling] , kan zich herinneren dat [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt gelet op de inhoud van het dossier, dat hiermee wordt bedoeld [slachtoffer 2] ) een abonnement voor een I-phone heeft afgesloten onder dwang. [slachtoffer 2] had die dag contact met de persoon in opdracht van wie hij het had gedaan en deze persoon heeft hem bedreigd, aldus [persoon 1] .(dossier 1 pag. 39-40)

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij op 9 april 2013 in ’s-Hertogenbosch een telefoonabonnement heeft afgesloten op verzoek van [verdachte] en hier € 500,-- voor zou krijgen. De abonnementen zouden later gewist worden door een kennis. Het afsluiten moest op zijn naam op een ander adres. [slachtoffer 5] heeft de verkregen telefoon daarna aan iemand die dingen doet voor [verdachte] , het zogenoemde ‘lopertje’ van [verdachte] , gegeven. [verdachte] wilde het afgesproken geldbedrag daarna niet geven. Na deze eerste keer begon [verdachte] te dreigen. [verdachte] zei dat hij nog vier abonnementen op zijn naam moest zetten, anders zou hij niet heel thuis komen. [verdachte] zei dat hij aangever in elkaar zou slaan. Toen aangever zei dat hij niet wilde is hij in een auto getrokken en met een pistool bedreigd.

Onder bedreiging door [verdachte] heeft [slachtoffer 5] daarna nog in totaal vier telefoonabonnementen afgesloten en de telefoons aan [verdachte] of zijn lopertje gegeven.

Via vrienden die [verdachte] kennen van de straat heeft hij de naam gekregen van [verdachte] : [verdachte] , [adres 1] . (dossier 1 pag. 115-118)

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij op 17 en 18 mei 2013 in Eindhoven en in Tilburg een aantal telefoonabonnementen heeft afgesloten voor [verdachte] en [medeverdachte 4] . [verdachte] vertelde wat hij moest doen. Hij moest een adres in Rosmalen opgeven. De toestellen moest hij meteen aan [verdachte] geven.

Hij zou in ruil daarvoor € 600,-- euro krijgen, maar heeft maar € 150,-- gekregen. Op 18 mei 2013 zag hij in Tilburg [verdachte] , [medeverdachte 4] en [slachtoffer 2] . (dossier 1 pag. 69-71)

[slachtoffer 6] heeft een profielfoto van ‘ [verdachte] ’, naar de rechtbank uit zijn verklaring begrijpt behorend bij het whatsapp-profiel dat [slachtoffer 6] van [verdachte] in zijn telefoon had, aan de politie overhandigd. (dossier 1 pag. 75)

[slachtoffer 7] heeft verklaard in april 2013 in ’s-Hertogenbosch en Eindhoven vijf telefoonabonnementen te hebben afgesloten voor een persoon genaamd [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] zei dat hij geld van [verdachte] of [verdachte] zou krijgen. De telefoons zijn telkens aan [verdachte] gegeven of aan een handlanger van [verdachte] . Er werd [slachtoffer 7] verteld dat diezelfde dag zijn gegevens uit het systeem zouden worden gehaald en dat hij er verder niets meer van zou horen. Hij zou per abonnement € 100,-- krijgen, maar heeft deze nooit gekregen. Er werd hem steeds verteld dat hij nog een abonnement moet afsluiten en dat hij dan geld zou krijgen. Hij omschrijft [verdachte] als een negroïde man. (dossier 1 pag. 89-91).

[slachtoffer 8] heeft verklaard dat hij 23 mei en 28 mei 2013 op verzoek van een jongen die hij kent van de basisschool in ’s-Hertogenbosch, in Tilburg en ’s-Hertogenbosch telefoonabonnementen heeft afgesloten. Hij zou voor twee maal 1 cent pinnen € 500,- ontvangen. Ook is hem verteld dat hij voor 3 telefoons € 700,-- zou krijgen, maar heeft het beloofde geld nooit gekregen. De moeder van [slachtoffer 8] was bij de aangifte aanwezig en heeft verklaard dat [slachtoffer 8] zwakbegaafd is. (dossier 1 pag. 107-108) .

De jongen betreft [verdachte] . Hij is ongeveer 18 jaar en heeft een negroïde uiterlijk. (dossier 1 pag. 110-111)

De identiteit van de [verdachte] .

De door aangevers genoemde [verdachte] , [verdachte] / [verdachte] / [verdachte] (fonetisch steeds uit te spreken als ‘ [verdachte] ’, en [verdachte] , die steeds een en de zelfde persoon betreft, is naar het oordeel van de rechtbank verdachte. Dit leidt de rechtbank af uit de navolgende feiten en omstandigheden, zoals deze blijken uit de bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 6] heeft een profielfoto van [verdachte] van zijn whatsapp aan de politie gegeven (dossier 1 pag. 75). Ook [slachtoffer 3] die in opdracht van een man met donkere huidskleur een aantal telefoonabonnementen heeft afgesloten en de papieren en telefoons telkens aan die man heeft afgegeven, heeft een screenshot gemaakt van de profielfoto van deze man en deze aan de politie ter beschikking gesteld. Die man noemt zich [verdachte] , maar volgens [slachtoffer 4] heet hij geen [verdachte] maar [verdachte] , aldus [slachtoffer 3] . Deze foto (dossier 1 pag. 50) heeft als contactnaam ‘ [naam 1] ’ en betreft dezelfde foto als de foto die door [slachtoffer 6] aan de politie is verstrekt. De rechtbank gaat ervan uit dat ‘whatsapp’ een algemeen bekende applicatie betreft. Mobiele (smartphone) telefoongebruikers kunnen met whatsapp (onder meer) berichten met andere whatsapp-gebruikers uitwisselen. De gebruikers kunnen een foto aan hun whatsapp-profiel toevoegen. Bij het versturen van berichten, komt de foto die de verzender aan zijn/haar whatsapp-profiel heeft toegevoegd, bij de ontvanger in beeld.

Daar komt nog bij dat [slachtoffer 3] ook heeft verklaard dat hij € 200,-- moest overmaken naar een rekeningnummer, waarna hij geen rekeningen meer zou krijgen van de abonnementen. Het door [slachtoffer 3] aan de politie gemelde bankrekeningnummer bleek na bevraging een rekeningnummer te zijn op naam van [verdachte] , wonende [adres 1] (dossier 1 pag. 8).

[verbalisant 1] heeft deze foto met contactnaam ‘ [naam 1] ’ gekregen via de aangifte van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] . Deze foto is door hem aan diverse aangevers getoond. Ook werd de foto op de briefing van de politie Brabant-Noord getoond, teneinde de juiste identiteit van deze persoon te achterhalen. Door [verbalisant 2] werd de persoon op de getoonde foto (met conctactnaam ‘ [naam 1] ’) herkend als [verdachte] , geboren op [1994] . Zijn ouders wonen aan de [adres 1] . (dossier 1 pag. 6 en 55).

[slachtoffer 1] heeft verklaard in opdracht van [medeverdachte 1] telefoonabonnementen te hebben afgesloten. De dag dat zij door [medeverdachte 1] met de auto werd opgehaald in Helmond was daar ook een man met twitternaam ‘ [naam 2] ’ bij (dossier 2 pag. 127). Zij heeft zijn instagram-pagina overgelegd aan de politie (dossier 2 pag. 119).

De rechtbank constateert dat op deze instagram-pagina, die kan worden toegeschreven aan verdachte, dezelfde foto links onder staat, als de foto met de naam ‘ [naam 1] ’, die door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] is verstrekt aan de politie.

I. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat de betreffende persoon in opdracht waarvan hij telefoonabonnementen heeft afgesloten zich [verdachte] noemt. Hem is via e-mail een foto met contactnaam ‘ [naam 1] ’ getoond en aangever [slachtoffer 4] herkent de persoon als [verdachte] (dossier 1 pag. 67 en 68).

Aangever [slachtoffer 5] heeft verklaard dat de betreffende persoon zich [verdachte] noemde.

Aangever [slachtoffer 5] heeft via vrienden, die [verdachte] kennen van de straat, de naam en het adres van deze persoon gekregen. Het betreft [verdachte] , [adres 1] (dossier 1 pag 120). Hem is per email de foto met contactnaam ‘ [naam 1] ’ getoond en [slachtoffer 5] herkent deze persoon als de persoon die hij [verdachte] noemt in zijn aangifte (dossier 1 pag. 122 en 124).

Aangever [slachtoffer 8] heeft verklaard dat de betreffende persoon [verdachte] is.

Hij weet dat deze persoon in [gemeente] heeft gewoond. [slachtoffer 8] heeft ook nog verklaard dat hij weet dat [verdachte] op [school] zat en daar de opleiding handel deed en dat hij [verdachte] nog een keer is tegengekomen bij het ophalen van zijn rapport bij [school] in Tilburg (dossier 1 pag. 111). De rechtbank begrijpt dat [school] in [school] in Tilburg betreft.

Ook aangever [slachtoffer 6] heeft op 7 februari 2014 verklaard dat de persoon die hij [verdachte] noemt volgens hem op het [school] in Tilburg zit (dossier 1 pag. 36).

Verdachte heeft op 14 mei 2014 bij de politie verklaard dat hij op school zit bij het [school] in Tilburg en dat hij hier de opleiding detailhandel volgt (dossier 2 pag. 139). Voorts heeft verdachte op 15 mei 2014 bij de politie verklaard dat hij ook wel eens [verdachte] wordt genoemd (dossier 2 pag. 151). Vast staat verder dat verdachte in [gemeente] woont op het [adres 1] , zoals door hem bij aanvang van de zitting is bevestigd.

[medeverdachte 1] heeft op 11 april 2014 bij de politie verklaard, nadat hem een foto van verdachte is getoond (rechtbank: met daarboven vermeld ‘ [naam 2] ’, dat hij deze jongen kent als [verdachte] (fonetisch). Dat hij een ID-kaart van hem heeft gezien en dat daar de voornaam [verdachte] op stond (dossier 2 pag. 49 en pag. 54).

[verbalisant 1] heeft op voornoemde -aan medeverdachte [medeverdachte 1] getoonde- foto de hem ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [1994] , herkend (dossier 2 pag. 45 en 47).

Aangever [slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij de telefoonabonnementen in opdracht van [verdachte] of [verdachte] heeft afgesloten. Middels e-mail is een foto van verdachte [verdachte] gezonden naar aangever [slachtoffer 7] . Hij herkende de persoon op de foto als degene die zich aan hem voorstelde als [verdachte] of [verdachte] , hetgeen hij uitsprak als [verdachte] (dossier 1 pag. 95-97).

[verbalisant 1] heeft op voornoemde -aan aangever [slachtoffer 7] getoonde- foto de hem ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [1994] , herkend (dossier 2 pag. 45-46).

Met betrekking tot aangever [slachtoffer 2] heeft er geen fotoconfrontatie plaatsgevonden. Zijn aangifte past wel in de verhaallijn van de overige aangiften en de [verdachte] waar hij over heeft verklaard is volgens de aangifte van [slachtoffer 6] , die zelf een foto van [verdachte] aan de politie heeft gegeven, een en dezelfde [verdachte] voor wie zij op 18 mei 2014 beiden een abonnement afsloten.

De rechtbank stelt vast dat de enkelvoudige fotoconfrontaties via de e-mail niet hebben plaatsgevonden zoals deze volgens de regels zouden hebben moeten plaatsvinden. Nu deze herkenningen evenwel niet op zichzelf staan, maar aansluiten bij de overige gebruikte bewijsmiddelen, vindt de rechtbank bedoelde fotoconfrontaties voldoende betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs. Ook de omstandigheid dat de vordering identificerende gegevens ex artikel 126nc Sv en de daarop ontvangen informatie (naar de rechtbank uit het IBAN-nummer begrijpt van de Rabobank) aan de stukken ontbreken ter zake van het bevraagde bankrekeningnummer als door [slachtoffer 3] opgegeven, doet niets af aan de bevindingen die door verbalisant in dat verband op ambtseed zijn gerelateerd. Al met al bewijsmiddelen die in de richting van verdachte wijzen en niet op zichzelf staan.

Aangevers verklaren dat de dader de naam [verdachte] of fonetisch [verdachte] gebruikte. Dat de schrijfwijze van deze laatste naam in de aangiften steeds afwijkend is en mogelijk verschillen vertoont, wijt de rechtbank aan de omstandigheid dat de voornaam van verdachte, fonetisch aldus [verdachte] op verschillende wijzen gespeld kan worden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zichzelf ook [verdachte] of [verdachte] noemt. Ook is verdachte op twee verschillende foto’s, waarvan telkens een politieherkenning heeft plaatsgevonden, herkend als de dader. Verdachte is verder te linken aan het door [slachtoffer 3] opgegeven bankrekeningnummer dat hij van de man die zich [verdachte] noemde had gekregen. Daarnaast vindt de rechtbank de combinatie in de aangiften van beide namen, [verdachte] en [verdachte] , opvallend en bijdragen aan het bewijs.

Verdachte ontkent iedere betrokkenheid en heeft voor het gebruik van de namen, de fotoherkenningen en de omstandigheid dat zijn naam en adres zijn genoemd, geen enkele verklaring willen geven, terwijl dit in de gegeven omstandigheden wel van hem mag worden verwacht.

Conclusie.

Gezien de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als de persoon genoemd in de hiervoor vermelde aangiften zich schuldig heeft gemaakt aan het bewegen van aangevers door hen iets voor te wenden en/of hen al dan niet te bedreigen tot het aangaan van telefoonabonnementen en het afgeven van telefoons aan verdachte.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 2] heeft afgeperst. De rechtbank vindt de aangifte van [slachtoffer 2] zeer gedetailleerd en geloofwaardig voor wat betreft de gehele gang van zaken, te meer nu de aangifte op onderdelen bevestigd wordt door de verklaring van [persoon 1] over de gerapporteerde bedreigingen jegens [slachtoffer 2] , en de verklaring van [slachtoffer 6] met betrekking tot 18 mei 2013 in Tilburg, waarbij zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 6] aanwezig waren. De verklaringen van [persoon 1] en [slachtoffer 6] dragen in dit geval bij tot het bewijs van het bewezen verklaarde met betrekking tot [slachtoffer 2] . Ook de hierna te bespreken verklaring van [slachtoffer 5] draagt bij tot het bewijs, daar de modus operandi grote gelijkenissen vertoont met het feitencomplex van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van [slachtoffer 5] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hem tezamen en in vereniging met een ander in eerste instantie op 9 april 2013 heeft opgelicht. Aangever moest een telefoonabonnement afsluiten op zijn naam en onder opgave van een onjuist adres. Hij zou als vergoeding € 500,-- per IPhone krijgen en aangever is toegezegd dat de abonnementen later gewist zouden worden. Hierdoor is aangever bewogen het telefoonabonnement af te sluiten en de telefoon aan de medeverdachte te geven. Aangever heeft het beloofde geld niet ontvangen en zijn gegevens zijn ook niet uit het systeem gewist.

Na deze eerste keer heeft aangever [slachtoffer 5] onder bedreiging met geweld door verdachte en de medeverdachte nog diverse telefoonabonnementen afgesloten. Voor de beoordeling van dit feit acht de rechtbank mede van belang dat hier sprake is van eenzelfde modus operandi als bij aangever [slachtoffer 2] , waarbij ook sprake is van bedreiging met een wapen, hetgeen deze gedetailleerde verklaring van [slachtoffer 5] ook tot een geloofwaardige maakt.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander in tweede instantie aangever [slachtoffer 5] heeft afgeperst

Voor wat betreft [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] acht de rechtbank de oplichting tezamen en in vereniging met een ander gepleegd, zoals ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. Ook voor wat betreft [slachtoffer 8] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 8] heeft opgelicht, zoals hierna bewezen is verklaard.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

In de zaak met parketnummer 01/820107-15:

1.

op tijdstippen in de periode van 1 april 2013 tot en met 28 mei 2013 te Tilburg en/of 's-Hertogenbosch en/of Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons, toebehorende aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] en het aangaan van schulden bij telefoonwinkels en/of telecomproviders, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders(s)

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat hij nu zijn eerste opdracht zou gaan

uitvoeren en daarbij dreigend voor die [slachtoffer 2] is/zijn gaan staan en

- aan die [slachtoffer 2] de opdracht heeft/hebben gegeven tussen hen (verdachte

en/of zijn mededader(s) in te lopen en te volgen en vervolgens

- die [slachtoffer 2] meermalen een pistool, althans een daarop gelijkend

voorwerp, heeft/hebben getoond en daarbij dreigend heeft/hebben gezegd

dat hij, [slachtoffer 2] , mee moest werken omdat hij anders met "deze" (het getoonde

pistool) te maken zou krijgen, althans woorden van gelijke aard of strekking

en

- aan die [slachtoffer 5] de opdracht heeft/hebben gegeven nog vier

telefoonabonnementen op zijn naam te zetten en daarbij dreigend heeft/hebben

gezegd dat die [slachtoffer 5] anders niet heel thuis zou komen en dat hij en/of

zijn mededader(s) die [slachtoffer 5] in elkaar zou/zouden slaan, althans woorden van gelijke

aard of strekking en- die [slachtoffer 5] in een auto heeft/hebben getrokken en vervolgens een pistool

(althans een daarop gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond.

2.

in de periode van 1 april 2013 tot en met 28 mei 2013 te Eindhoven/of en ’s-Hertogenbosch en/of Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 5]

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en tot het aangaan van een schuld/schulden, bestaande uit het afsluiten van een of meer telefoonabonnement(en), hebbende verdachte en/of zijn mededader toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- tegen die [slachtoffer 6] gezegd dat hij voor het afsluiten van meerdere

telefoonabonnementen een hoeveelheid geld, 600 euro, zou krijgen en

- die [slachtoffer 6] een adres gegeven welke hij bij (een) telefoonwinkel(s) op

kon geven als zijnde zijn woonadres

en

- tegen die [slachtoffer 7] gezegd dat hij snel geld kon verdienen met het afsluiten

van telefoonabonnementen en

- gezegd dat die [slachtoffer 7] nog dezelfde dag van het afsluiten van het

telefoonabonnement uit het systeem zou worden gehaald en hij er daarna

niets meer van zou horen en

- meermalen gezegd tegen die [slachtoffer 7] dat hij nog meer abonnementen af moest

sluiten alvorens hij zijn geld zou krijgen

en

- tegen die [slachtoffer 8] gezegd dat hij voor tweemaal 0,01 cent pinnen in (een)

telefoonwinkel(s) 500 euro zou krijgen en

- tegen die [slachtoffer 8] gezegd dat hij 700 euro zou krijgen voor het afgeven van

drie telefoons welke die [slachtoffer 8] zou verkrijgen bij het afsluiten van

telefoonabonnementen

en

- tegen [slachtoffer 5] gezegd dat hij een vergoeding 500 euro zou krijgen voor het

op zijn naam afsluiten van een telefoonabonnement met een daarbij behorende

telefoon en

- daarbij gezegd dat hij ,verdachte, iemand kende die bij een

telecombedrijf werkte en dat diegene kon regelen dat het abonnement gewist kon

worden en

- die [slachtoffer 5] een adres gegeven welke hij op kon geven als zijn woonadres,

waardoor de [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 5] telkens werden bewogen tot

bovenomschreven afgiften en aangegane schuld(en).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/238214-14 het primaire feit en in de zaak met parketnummer 01/820107-15 de feiten 1 en 2:

  • -

    toepassing van het volwassenstrafrecht;

  • -

    een taakstraf van 240 uren;

  • -

    een gevangenisstraf van 12 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als voorwaarde begeleiding door de Stichting Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt het meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/238214-14 voorts:

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 500,-- met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/820107-15 feiten 1 en 2 voorts:

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] tot een bedrag van € 7.211,76, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/820107-15 feit 2 voorts:

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] tot een bedrag van € 3.284,28 met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/820107-15 feit 2 voorts:

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] tot een bedrag van € 1.306,50 met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Op 13 juli 2015 heeft de Reclassering Nederland een rapport over verdachte uitgebracht.

De reclassering rapporteert dat verdachte al lange tijd in beeld is bij de jeugdreclassering en de volwassenenreclassering, maar toch moeilijk grijpbaar is voor het werken aan daadwerkelijke gedragsverandering. In 2011 werd door de William Schrikkerstichting een gemiddeld IQ van 68 gediagnostiseerd. Aannemelijk is volgens de reclassering dat hiervan in grote lijnen nog altijd sprake is en dat deze beperking mede ten grondslag ligt aan tal van cognitieve tekorten als weinig probleeminzicht, het overschatten van de eigen mogelijkheden, slechte copingvaardigheden en wat minder ontwikkelde sociale vaardigheden die vooral bij tegenslag -dingen moeten gaan zoals hij ze wil- of kritiek zichtbaar worden.

Op basis van het delictverleden van verdachte en de hoge frequentie van recente politie- en justitiecontacten zijn de zorgen ten aanzien van de recidive groot. De kans op recidive wordt hooggemiddeld ingeschat.

Geadviseerd wordt de verplichting op te leggen mee te werken aan een psychologisch onderzoek, een reclasseringstoezicht met meldplicht en zo nodig meewerken aan een ambulante behandeling.

Hoewel in voornoemd rapport de reclassering ook adviseert tot toepassing van het jeugdstrafrecht, is dit advies in een mailbericht van 14 juli 2015 achterhaald. Het standpunt met betrekking tot toepassing van het jeugdstrafrecht is gewijzigd na nader overleg met de toezichthouders. Op grond van zijn leeftijd en mogelijk meer manipulatieve dan beïnvloedbare gedrag vindt de reclassering bij nader inzien een afhandeling binnen het volwassenstrafrecht meer op zijn plaats.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de inhoud van voornoemde rapportage en het aanvullende mailbericht van de reclassering.

De rechtbank constateert dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten 18 jaar was. De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, zoals deze uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken,

geen aanleiding het jeugdstrafrecht als bedoeld in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In het nadeel van verdachte weegt mee

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee afpersingen en vier oplichtingen, waarbij verdachte in een aantal gevallen misbruik heeft gemaakt van kwetsbare jonge personen.

De afpersingen hebben plaatsgevonden onder bedreiging met een pistool of een daarop gelijkend voorwerp. Verdachte heeft een zestal jonge personen al dan niet onder dwang op hun naam telefoonabonnementen laten afsluiten, waarna de telefoons aan hem moesten worden afgegeven. Uit de bewijsmiddelen kan overigens worden opgemaakt dat meer jongeren slachtoffer zijn geworden van verdachtes handelwijze, maar tot een bewezenverklaring heeft het ten aanzien van die personen niet geleid, zodat dit ook als zodanig niet meeweegt in verdachtes nadeel. Wel draagt dit bij aan het bewijs zoals voormeld en het beeld van verdachte dat de rechtbank zich op basis van dit dossier heeft gevormd, en dat is niet positief. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. Deze personen hebben als gevolg van zijn handelen meegedaan aan gedragingen, waarbij onjuiste adressen werden gegeven aan telefoonwinkels en waardoor zij uiteindelijk zelf in aanzienlijke financiële problemen zijn gekomen. Door het handelen van verdachte zijn de telefoonmaatschappijen eveneens financieel benadeeld. Hoewel de personen die door verdachte zijn opgelicht feitelijk zelf hebben deelgenomen aan het oplichten van de telefoonmaatschappijen/-providers, doet zulks aan het strafbare en laakbare gedrag van verdachte jegens hen niets af.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de reclassering de recidivekans als hooggemiddeld inschat.

Uit het handelen van verdachte en zijn houding ter zitting heeft de rechtbank de indruk gekregen dat verdachte het laakbare van zijn handelen niet inziet. Verdachte ontkent, geeft geen enkele openheid van zaken, ook niet daar waar hij wordt herkend en bij naam wordt genoemd. Het lijkt erop dat verdachte tegen beter weten in geen enkele verantwoordelijkheid wenst te nemen. Mogelijk speelt daarbij een rol de benedengemiddelde begaafdheid van verdachte, die de rechtbank wil aannemen, doch hiermee kan niet het doortrapte handelen, dat toch op behoorlijke schaal heeft plaatsgevonden, volledig worden verschoond.

In het voordeel van verdachte weegt mee

De jeugdige leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat tussen het plegen van de feiten en de uiteindelijke berechting van deze feiten een periode van bijna twee jaar is gelegen.

Conclusie

Alles afwegend acht de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten en de behoorlijke schaal waarop verdachte actief is geweest, een taakstraf niet meer passend.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van 10 maanden. De rechtbank zal een deel van vijf maanden gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarbij een toezicht van de Stichting Reclassering Nederland opleggen, waarbij verdachte zich dient te houden aan de meldplicht.

De politierechter heeft op 29 januari 2015 de officier van justitie al opdracht gegeven een onderzoek door een (jeugd)psycholoog te doen plaatsvinden. De rechtbank constateert dat daar geen actie op is ondernomen door het openbaar ministerie. De rechtbank vindt het, gelet op het tijdsverloop, thans niet meer opportuun een dergelijk onderzoek alsnog te laten plaatsvinden en zal dit dan ook niet als bijzondere voorwaarde opleggen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] .

Primair heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 8] .

De rechtbank constateert dat de benadeelde partij na het afsluiten van de abonnementen snel actie heeft ondernomen om de kosten te beperken. De rechtbank acht toewijsbaar,

als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van

€ 1.306,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de vordering te weten

8 juli 2015, tot de dag der algehele voldoening, nu niet ten aanzien van genoemd bedrag kan worden vastgesteld per welke datum de afzonderlijke schadeposten eerder zijn ontstaan.

Voor een hoofdelijke veroordeling als gevorderd zijn geen termen aanwezig, daar ten aanzien van [slachtoffer 8] de rechtbank bewezen acht dat verdachte alleen heeft gehandeld.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum ontstaan schade, te weten 8 juli 2015, tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Nu verdachte van de hem in de zaak met parketnummer 01/238214-14 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard. De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 5] , en [slachtoffer 6] .

De rechtbank zal deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen.

De vorderingen van deze benadeelde partijen zijn gemotiveerd weersproken door de verdediging. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal de verdachte telkens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de in de vorderingen genoemde posten van respectievelijk ‘kosten rechtsbijstand’ en ‘proceskosten’ niet zien op kosten gemaakt in de onderhavige strafprocedure.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 47, 57, 63, 312, 317, 326.

DE UITSPRAAK

T.a.v. 01/238214-14 primair, subsidiair, meer subsidiair: Vrijspraak

T.a.v. 01/820107-15

Vrijspraak van de onder 1 ten tweede en ten derde ten laste gelegde afpersing.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01/820107-15 onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven.

T.a.v. 01/820107-15 feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

T.a.v. 01/820107-15 feit 2: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd en oplichting.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. 01/820107-15 feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis telefonisch zal melden bij de Reclassering Nederland, Eekbrouwersweg

6 te 's-Hertogenbosch, telefoonnummer 073-6408080 en zich daarna gedurende een

door die reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van

de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering

noodzakelijk acht.

De Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch,wordt opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. 01/238214-14 primair, subsidiair, meer subsidiair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. 01/820107-15 feit 1, feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 5] in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. 01/820107-15 feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 6] in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. 01/820107-15 feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1306,50 subsidiair 23 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] van een bedrag van EUR 1306,50 (zegge: dertienhonderdzes euro en vijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schade.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de vordering, 8 juli 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] , van een bedrag van EUR 1306,50 (zegge: dertienhonderdzes euro en vijftig cent), betreffende materiële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de vordering, 8 juli 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 31 juli 2015.

Mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar ‘dossier 1’ betreft dit een dossier van regiopolitie Oost-Brabant, BBN District Meierij, districtelijke opsporing, met registratienummer PL2100-2014187860 z, afgesloten op 18 december 2014, pag. 1 tot en met 124. Wanneer hierna wordt verwezen naar ‘dossier 2’ betreft dit een dossier van regiopolitie Oost-Brabant, afdeling Eindhoven Noord, met registratienummer PL2200-2014068918 z, afgesloten op 22 mei 2014, pag. 1 tot en met 208.