Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4629

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
01/865058-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het slachtoffer met een nauwelijks van echt te onderscheiden balletjespistool heeft bedreigd. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder de bijzondere voorwaarde dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen van Novadic-Kentron en dat hij een leefstijltraning zal volgen. Verdachte wordt vrijgesproken van openlijk geweld en van het bezit van 74 gram amfetamine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865058-15
Parketnummer vordering: 05/133848-13

Datum uitspraak: 30 juli 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1988] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juni 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 juli 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 april 2015 te Berghem, in ieder geval in Nederland, met een ander of anderen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen of goederen, bestaande uit het (op of aan de openbare weg Het Reut) - te voorschijn halen en/of richten van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op een of meer perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) en/of het gooien van voormeld pistool, althans enig voorwerp, in de richting van en/of tegen een zich aldaar bevindende personenauto

en/of - dreigend zwaaien en/of steken en/of slaan met een stang, althans zwaard, in ieder geval een scherp en/of hard en/of zwaar voorwerp, in de richting van en/of tegen een of meer perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] );

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 april 2015 te Berghem, gemeente Oss, een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend ten overstaan van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te voorschijn gehaald en/of dat pistool, althans dat voorwerp, gericht en/of gericht gehouden op genoemde perso(o)n(en);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 07 april 2015 te Berghem, gemeente Oss, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (in totaal) 74 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 05/133848-13 is aangebracht bij vordering van 18 juni 2015. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, d.d. 8 november 2013. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 7 april 2015 in de nachtelijke uren vond een confrontatie plaats op de openbare weg Het Reut te Berghem tussen enerzijds verdachte en de [medeverdachte] en anderzijds [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte geweld heeft gepleegd jegens [slachtoffer 1] . De rechtbank heeft evenwel niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de [medeverdachte] bij die confrontatie zodanige handelingen heeft verricht dat gezegd kan worden dat hij aan het door de verdachte gepleegde geweld jegens [slachtoffer 1] een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd. Dat brengt mee dat ten aanzien van de verdachte niet kan worden bewezen dat hij zich aan het onder 1 primair tenlastegelegde openlijk geweld in vereniging heeft schuldig gemaakt. Verdachte dient van dit feit dan ook te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1 subsidiair

op 07 april 2015 te Berghem, gemeente Oss, een persoon, te weten [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend ten overstaan van die [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te voorschijn gehaald en dat voorwerp gericht op genoemde persoon.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid.

Namens de verdachte is ten verweer betoogd dat hij terzake van de bewezenverklaarde bedreiging moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt, aangezien zijn handelen geboden was ter noodzakelijke verdediging tegen de door [slachtoffer 1] voorafgaand aan de confrontatie geuite bedreigingen.

Het verweer faalt. De rechtbank overweegt allereerst dat niet zonder meer aannemelijk is dat, op het moment dat verdachte een pistool te voorschijn haalde en dit op [slachtoffer 1] richtte, sprake was van een noodweersituatie of een onmiddellijk dreigend gevaar voor het ontstaan van een dergelijke situatie. Ook als wel sprake was van een noodweersituatie, moet toch uitgaande van de door de verdediging aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht, worden geoordeeld dat het handelen van de verdachte ook onder die omstandigheden niet geboden was ter noodzakelijke verdediging. Immers, naar volgt uit verdachtes verklaring ter terechtzitting, stond voor hem de zeer denkbare optie open om de komst van [slachtoffer 1] in de veiligheid van zijn eigen woning af te wachten, daar te blijven en vanuit daar de politie te bellen. Verdachte heeft de verkeerde keuze gemaakt door naar buiten te gaan en de confrontatie met [slachtoffer 1] op te zoeken. Dat laatste nu kan toch bezwaarlijk worden gezien als een handeling, die was ingegeven door de wens om zichzelf te verdedigen. Verdachte koos voor de aanval.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Voor feit 2: vrijspraak.

Voor feit 1 primair:

6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, het volgen van een ambulante behandeling en het deelnemen aan een leefstijltraining.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie tenuitvoerlegging van 16 dagen gevangenisstraf.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging door een nauwelijks van een echt pistool te onderscheiden balletjespistool op [slachtoffer 1] te richten. De rechtbank beschouwt dit als een ernstig feit. Het brengt immers bij alle direct betrokkenen en ook bij omstanders angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. De rechtbank hecht belang aan de omstandigheid dat het feit werd gepleegd op de openbare weg, in het zicht van omwonenden die getuige waren van het feit dat een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in het spel was.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte gelet op het uittreksel uit de justitiƫle documentatie d.d. 18 juni 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor (gewelds)misdrijven en wapenbezit werd veroordeeld tot een werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraffen.

Tevens heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsrapport d.d. 26 mei 2015. De reclassering adviseert om verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden, een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, deelname aan de leefstijltraining en een ambulante behandel-verplichting.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte zijn fout erkent, oprecht berouw heeft getoond en dat de verhouding tussen verdachte en het slachtoffer inmiddels is genormaliseerd. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zich bereid heeft verklaard om deel te nemen aan een leefstijltraining en zich te laten behandelen voor zijn problematiek. De rechtbank neemt bij haar beslissing ook mee dat verdachte zelf is getroffen door de gevolgen van de confrontatie met medeverdachte [slachtoffer 1] .

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling inzake parketnummer 05/133848-13.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van veroordeelde, ziet de rechtbank aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te gelasten, een taakstraf van na te melden duur te gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 285.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 1 subsidiair:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1 subsidiair: Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich na de uitspraak zal melden bij de reclassering Novadic-Kentron op het adres Rompertsebaan 12, 5231 GS Den Bosch. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan de gedragsinterventie, bestaande uit GI-GGZ Leefstijltraining;

- zich gedurende de proeftijd zal laten behandelen voor zijn problematiek, waaronder zijn drugsproblematiek, bij een forensisch psychiatrische polikliniek of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling inzake parketnummer 05/133848-13:

In plaats van de tenuitvoerlegging te gelasten van de bij vonnis van de politierechter Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, d.d. 8 november 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, gelast de rechtbank een taakstraf voor de duur van 32 uur te vervangen door 16 dagen hechtenis indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,

en is uitgesproken op 30 juli 2015.