Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4588

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
15_1004
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wwb – schadevergoeding – rente – maatregel – hoogte boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1004

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder,

gemachtigde: mr. B. te Vrede.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2014 (primair besluit 1) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) ingetrokken over de periode van
6 juni 2013 tot en met 19 september 2013 en de over die periode door eiseres te veel ontvangen uitkering ten bedrage van € 5.059,76 bruto van eiseres teruggevorderd. In het besluit van 28 februari 2014 heeft verweerder voorts aan eiseres een maatregel opgelegd inhoudende een verlaging van de uitkering met 20% per 1 maart 2014 voor de duur van drie maanden.

Bij besluit van 18 maart 2014 (primair besluit 2) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 5.059,76.

Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres, met aanpassing van de motivering, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres ontvangt sinds 1993 een bijstandsuitkering.

1.2

Op 25 juni 2013 heeft verweerder een anonieme tip ontvangen dat eiseres een levensstijl heeft die niet strookt met het ontvangen van een bijstandsuitkering. Verweerder heeft daarop een onderzoek verricht.

1.3

In het kader van dat onderzoek is eiseres op 20 september 2013 door verweerder gehoord. Eiseres heeft daarbij verklaard dat zij op 1 maart 2008 een auto-ongeluk heeft gehad en dat ze daarvoor op 6 juni 2013 een schadevergoeding heeft ontvangen van verzekeraar ASR van € 20.000,00. Dit geld is, zo gaf eiseres aan, opgegaan aan het afbetalen van schulden, aan gokken en aan activiteiten met en spullen voor de kinderen.

1.4

Bij het onderzoek is verweerder voorts gebleken dat eiseres levensverzekeringen die op naam van haar kinderen stonden heeft afgekocht. Op 15 december 2011 heeft eiseres twee levensverzekeringen afgekocht voor een totaal bedrag van € 7.042,00 en op 1 februari 2013 één levensverzekering voor een bedrag van € 516,00.

1.5

Verweerder heeft daarop bij primair besluit 1 van 28 februari 2014 de bijstandsuitkering ingetrokken over de periode van 6 juni 2013 tot en met 19 september 2013 en een bedrag van € 5.059,76 bruto teruggevorderd. Bij dat besluit is ook een maatregel opgelegd inhoudende een verlaging van de uitkering met 20% per 1 maart 2014 voor de duur van drie maanden. Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit 2 van 18 maart 2014 een boete opgelegd van € 5.059,76.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat het advies van de adviescommissie wordt overgenomen en dat het bezwaar, met aanpassing van de motivering ongegrond wordt verklaard.

3. Eiseres brengt tegen het bestreden besluit, kort samengevat, het volgende in. Verweerder heeft ten onrechte de in de schadevergoeding begrepen rentevergoeding van
€ 3.757,00 als inkomsten aangemerkt en vervolgens tweederde van de resterende schadevergoeding als middel in aanmerking genomen. Voorts heeft verweerder ten onrechte een maatregel en een boete opgelegd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

5. Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Wwb doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

6. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Wwb worden niet tot de middelen gerekend, voor zover hier van belang, vergoedingen voor materiele en immateriële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

Intrekking en terugvordering

7. Vast staat dat eiseres op 6 juni 2013 een bedrag van € 20.000,00 aan schadevergoeding heeft ontvangen van ASR. Tussen partijen is niet in geschil dat hiervan een bedrag van
€ 16.242,00 ziet op vergoeding van immateriële schade en een bedrag van € 3.757,00 op vergoeding van rente.

8. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie de uitspraak van 17 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5236) geldt dat als een recht op schadevergoeding ontstaat door een ongeval, de aanspraken ter zake worden toegerekend aan een periode die aanvangt op de datum van dat ongeval, en dat dit slechts anders is indien er voldoende, op objectieve gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere, latere periode dienen te worden toegerekend. Verweerder is er bij het bestreden besluit dan ook terecht van uitgegaan dat de ontvangen schadevergoeding moet worden toegerekend aan een periode die aanvangt op 1 maart 2008.

9. Voor het aan rente betaalde bedrag van € 3.757,00 geldt dat dit naar het oordeel van de rechtbank geen vergoeding voor materiële of immateriële schade is maar moet worden gezien als inkomsten en dus als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wwb.

10. Verweerder hanteert bij de toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Wwb het beleid dat tweederde van de hoofdsom aan immateriële schadevergoeding als middelen in aanmerking wordt genomen.

11. De CRvB heeft in de uitspraak van 22 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5677) overwogen dat bij zeer aanzienlijke uitkeringen, zoals in het geval van eiseres, de belanghebbende in een zodanige financiële positie kan komen te verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten daarvan niet in overeenstemming is met het minimumbehoefte- en complementaire karakter van de bijstand. De CRvB heeft in die zaak geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat tweederde deel van de toegekende vergoeding als voor de bijstandsverlening relevante middelen moet worden aangemerkt.

12. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, gelet op voormelde rechtspraak van de CRvB, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat tweederde deel van de hoofdsom aan immateriële schade vergoeding als middelen moet worden aangemerkt.

13. Het voor eiseres geldende vrij te laten vermogen op 1 maart 2008 was € 10.650,00.

Gelet op het als middelen in aanmerking te nemen deel van de schadevergoeding,
€ 10.828,00, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiseres op 1 maart 2008 de vermogensgrens met € 178,00 overschreed. De rechtbank kan verweerder dan ook volgen in het in de beslissing op bezwaar ingenomen standpunt dat hierdoor de bijstand over de periode van 1 maart 2008 tot en met 4 maart 2008 moet worden teruggevorderd. Ook heeft verweerder terecht besloten om de bijstand over de periode van 1 mei 2008 tot 6 juni 2013 terug te vorderen tot het bedrag van de door eiseres ontvangen rente van € 3.757,00.

14. Vast staat dat eiseres op 15 december 2011 voor de afkoop van twee levensverzekeringen een bedrag van € 7.042,00 heeft ontvangen.

15. De rechtbank is gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 17 Wwb heeft geschonden door geen melding te maken van de afkoop van de levensverzekeringen terwijl het voor eiseres wel duidelijk moet zijn geweest dat deze afkoop onmiskenbaar van belang was voor het vaststellen van het recht op bijstand.

16. Door de toerekening van de schadevergoeding naar 1 maart 2008 geldt dat eiseres haar vermogensruimte vanaf die datum had verbruikt. Verweerder concludeert dan ook terecht dat eiseres door de uitbetaling van de levensverzekeringen op 15 december 2011 vanaf die datum tot 29 mei 2012 geen recht meer heeft op bijstand en dat de bijstand om die reden voor die periode moet worden ingetrokken. Het in die periode door eiseres aan bijstand ontvangen bedrag zou door verweerder tot een bedrag van € 7.042,00 kunnen worden teruggevorderd.

17. Voor de afkoop van de levensverzekering in 2013 heeft verweerder aangenomen dat door de intrekking van de uitkering over de periode van 15 december 2011 tot
29 mei 2012 voor eiseres een volledig nieuwe vermogensruimte is ontstaan en dat die vermogensruimte per 1 februari 2013 € 11.590,00 bedraagt. Met de afkoop van de levensverzekering in 2013 overschrijdt eiseres die vermogensgrens niet zodat er geen reden bestaat voor intrekking of terugvordering van de bijstand.

18. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eiseres een bedrag van
€ 11.033,98 te veel aan bijstand heeft ontvangen in de periode van 1 maart 2008 tot
6 juni 2013. Omdat de terugvordering in primair besluit 1 van 28 februari 2014 slechts
€ 5.059,79 bedraagt, en eiseres door het instellen van bezwaar niet in een nadeligere positie mag komen, komt verweerder tot de conclusie dat het besluit van 28 februari 2014, met aanpassing van de motivering in stand kan blijven voor zover dat ziet op het terug te vorderen bedrag en dat het bezwaar tegen dat besluit in zoverre dus ongegrond is.

19. De rechtbank kan verweerder hierin in zoverre volgen dat uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder terecht aanneemt dat eiseres € 5.059,79 te veel aan bijstand heeft ontvangen in de periode van 1 maart 2008 tot 6 juni 2013 en dat dit bedrag van eiseres kan worden teruggevorderd met intrekking van de uitkering voor de periode van 15 december 2011 tot 29 mei 2012. Het bestreden besluit kan dan ook in stand blijven voor zover daarbij de uitkering over de periode van 15 december 2011 tot 29 mei 2012 wordt ingetrokken en een bedrag van € 5.059,79 wordt teruggevorderd. De rechtbank merkt in dit verband overigens op dat gemachtigde van eiseres ter zitting expliciet heeft aangegeven dat eiseres voor zover het de intrekking en de terugvordering betreft met name opkomt tegen het standpunt van verweerder dat tweederde van de schadevergoeding als middel in aanmerking moet worden genomen en dat de rente als inkomsten moeten worden gezien. Over hetgeen verweerder met betrekking tot de intrekking en de terugvordering voor het overige in het bestreden besluit heeft vermeld, had gemachtigde van eiseres, zo gaf zij ter zitting aan, geen opmerkingen.

Maatregel

20. Verweerder heeft bij het primair besluit van 28 februari 2014 ook een maatregel opgelegd inhoudende een verlaging van de uitkering van eiseres met 20% per 1 maart 2014 voor de duur van drie maanden.

21. Verweerder heeft ter zitting na vragen van de zijde van de rechtbank aangegeven dat nu de schadevergoeding wordt toegerekend naar 1 maart 2008 en een bedrag van € 10.828,00 van de schadevergoeding in aanmerking wordt genomen als middel, de conclusie luidt dat, zoals hiervoor eerder is vermeld, eiseres geacht moet worden op 1 maart 2008 haar vrij te laten vermogen van € 10.650,00 te hebben overschreden met € 178,00 welk bedrag door verweerder is teruggevorderd. Verweerder heeft daarbij verklaard dat door de toerekening naar 1 maart 2008 en het verbruiken van de vermogensruimte op die datum, niet meer gezegd kan worden dat eiseres de op 6 juni 2013 ontvangen schadevergoeding onverantwoord snel heeft opgemaakt. Het opleggen van een maatregel is dan ook, zo heeft verweerder ter zitting verklaard, niet aan de orde.

22. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit 1 van
28 februari 2014 ten aanzien van het opleggen van de maatregel ongegrond is verklaard.

Boete

23. Bij primair besluit 2 van 18 maart 2014 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd voor het schenden van de inlichtingenplicht door het niet melden van de op 6 juni 2013 ontvangen schadevergoeding. De opgelegde boete bedraagt € 5.059,76. Dat is volgens verweerder 100% van het benadelingsbedrag.

24. Eiseres heeft aangevoerd dat een boete pas aan de orde kan zijn als duidelijk is dat sprake is van ten onrechte ontvangen bijstand en wat de hoogte daarvan is. Eiseres heeft gewezen op de uitspraken van de CRvB van 24 november 2014 en gesteld dat er geen reden is een boete van 100% op te leggen omdat verweerder niet heeft aangetoond dat sprake is van opzet. Ook is geen sprake van voorwaardelijke opzet. Eiseres heeft steeds aangegeven dat zij veronderstelde dat haar letselschadeadvocaat het met de gemeente zou opnemen. Haar persoonlijke en sociale omstandigheden - te weten de lichamelijke en psychische beperkingen ten gevolge van het ongeval en haar als ziekte aan te merken gokverslaving - maken dat de gedraging verminderd verwijtbaar is. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij veronderstelde dat zij de afkoop van de levensverzekeringen niet hoefde te melden omdat dit bedrag voor de kinderen bestemd was.

25. Artikel 18a van de Wwb, onderdeel van de Wet aanscherping en handhaving sanctiebeleid SZW-wetgeving, Stb. 2012, 462 (Wet aanscherping) en in werking getreden per 1 januari 2013, luidde, voor zover en ten tijde hier van belang, als volgt:

1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, [...]. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.

2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

[…]

7. Het college kan:

a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

[…]

9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. […]”

26. Het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, Stb. 2012, 484 (Besluit aanscherping), luidde ten tijde van het opleggen van de boete aan eiseres als volgt:

Artikel 2 Berekening van de boete

1. De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150 wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

2. De bestuurlijke boete wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 10.

3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en niet volstaan wordt met het geven van een schriftelijke waarschuwing, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op € 150. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

Artikel 2a Criteria verminderde verwijtbaarheid

1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:

a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.”

27. De CRvB heeft op 23 juni 2015 een viertal uitspraken gedaan over boeten in bijstandszaken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:1879. Daarin heeft de CRvB geoordeeld:

4.14

De Raad heeft in de in 4.13 vermelde uitspraak van 24 november 2014 (r.o. 7.7) geoordeeld dat het alleen ten aanzien van overtreders, aan wie vanaf 1 januari 2013 opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan worden verweten, in de rede ligt 100% van het benadelingsbedrag in artikel 2 van Boetebesluit als uitgangspunt te nemen bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid. Alleen indien opzet kan worden aangetoond is er sprake van een zo zware verwijtbaarheid, dat deze in het kader van de evenredigheidstoets het opleggen van het maximumbedrag in beginsel zou kunnen rechtvaardigen. Bij grove schuld is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, dan is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. Bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid zal ten slotte moeten worden bezien of, en zo ja, op grond van een van de criteria genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dan is de mate van verwijtbaarheid beperkt en is 25% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid. Van deze uitgangspunten moet worden afgeweken, indien de omstandigheden van het geval dit nodig maken. Als in plaats van strafvervolging een bestuurlijke boete wordt opgelegd, kan geen hogere boete worden opgelegd dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht zou hebben kunnen opleggen. Voor de vraag of een boete in verband met de draagkracht van de overtreder moet worden gematigd, heeft de Raad in zijn uitspraak van 24 november 2014 (r.o. 7.9) onder meer verwezen naar de rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 28 mei (lees: maart) 2014, ECLI:NL:HR:2014:685.

4.15.

Uit de in 4.14 vermelde uitgangspunten, die in acht moeten worden genomen bij de toetsing van bestuurlijke boetes, en de daaraan gekoppelde differentiatie in percentages van het benadelingsbedrag, volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij “gewone” verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Onder opzet in dit verband wordt verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

4.16.

Wat in 4.14 en 4.15 is overwogen geldt ook voor de beoordeling van de boetes die op basis van artikel 18a van de WWB zijn opgelegd.

28. Voorts heeft de CRvB in de uitspraak van 23 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1801) geoordeeld dat indien opzet of grove schuld wordt aangetoond, daarmee is gegeven dat van verminderde verwijtbaarheid geen sprake is (r.o. 5.23)

29. Vast staat dat eiseres op 6 juni 2013 een bedrag van € 20.000,00 heeft ontvangen. Zij heeft dit niet onverwijld aan verweerder gemeld. Eerst tijdens een door verweerder ingesteld onderzoek heeft eiseres bij een verhoor op 20 september 2013 meegedeeld dat zij een schadevergoeding had ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet hierop terecht op het standpunt stelt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden.

30. De rechtbank is voorts echter van oordeel dat verweerder niet heeft aangetoond dat sprake is van opzet of grove schuld. Hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd, namelijk dat zij er van uitging dat haar letselschadeadvocaat het met de gemeente zou opnemen, lijkt naar het oordeel van de rechtbank meer een aanwijzing dat sprake is van de door de CRvB in de uitspraak van 23 juni 2015 genoemde ‘gewone verwijtbaarheid’. In het geval van gewone verwijtbaarheid dient volgens de CRvB een boete van 50% te worden opgelegd. Het bestreden dient dan ook te worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit 2 van 18 maart 2014 ongegrond is verklaard.

31. Eiseres heeft gesteld dat sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid dan wel van verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Eiseres ontvangt reeds sinds 1993 bijstand en haar moet duidelijk zijn geweest dat de ontvangen schadevergoeding onmiskenbaar van belang is bij het vaststellen van het recht op bijstand en dat zij de ontvangst daarvan aan verweerder had moeten melden. Dat eiseres dit heeft nagelaten valt haar te verwijten.

32. Dat bij eiseres sprake is van medische omstandigheden waardoor het niet melden van de schadevergoeding niet of minder verwijtbaar zou zijn, is door eiseres, met de stukken die door haar zijn overgelegd, onvoldoende onderbouwd. Eiseres heeft aangevoerd dat zij lijdt aan geheugenklachten en concentratieproblemen. Voor zover de door eiseres overgelegde stukken uit 2010 en 2011 dit standpunt al ondersteunen is dit evenwel onvoldoende voor de conclusie dat eiseres door die klachten en problemen in juni 2013 niet in staat was om melding te maken van de schadevergoeding.

33. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van gewone verwijtbaarheid zodat een boete van 50% van het benadelingsbedrag op zijn plaats is. Voor het berekenen van het benadelingsbedrag geldt dat verweerder primair besluit 1 van
28 februari 2014 heeft gebaseerd op het niet melden van de schadevergoeding. Zoals hiervoor is aangegeven heeft het niet melden van de schadevergoeding geleid tot terugvordering van een bedrag van € 178,00 wegens overschrijding van de vermogensruimte en van € 3.757,00 wegens inkomsten uit rente. Het benadelingsbedrag komt daarmee op € 3.935,00. De boete bedraagt dan € 1.967,50. Voor zover verweerder stelt dat bij het berekenen van het benadelingsbedrag ook rekening moet worden gehouden met het niet melden van de afkoop van de levensverzekeringen geldt dat deze gedraging niet aan het primair besluit 1 van 28 februari 2014 ten grondslag is gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de boete in bezwaar niet, zoals door verweerder is gedaan, mede worden gebaseerd op een andere, niet aan het primair besluit ten grondslag gelegde, gedraging en het daaraan verbonden benadelingsbedrag.

Conclusie

34. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in stand kan worden gelaten voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit 1 van 28 februari 2014 ten aanzien van de intrekking en de terugvordering ongegrond is verklaard.

35. Het bestreden besluit moet echter worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit 1 van 28 februari 2014 ten aanzien van de maatregel ongegrond is verklaard.

De rechtbank ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om voor dit onderdeel van het beroep zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres tegen de maatregel gegrond te verklaren en het primair besluit 1 van 28 februari 2014 voor dit deel te herroepen.

36. Het bestreden besluit dient ook te worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit 2 van 18 maart 2014 ten aanzien van de boete ongegrond is verklaard.

De rechtbank ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om ook voor dit onderdeel van het beroep zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal bepalen dat aan eiseres een boete van 50% van het benadelingsbedrag van € 3.935,00, dus een boete
€ 1.967,50, wordt opgelegd.

37. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.450,00 (2 punten voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1).

38. De rechtbank zal bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 45,00 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit 1 van 28 februari 2014 ten aanzien van de maatregel ongegrond is verklaard;

- herroept het primaire besluit 1 van 28 februari 2014 voor zover daarbij aan eiseres een maatregel is opgelegd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit 2 van 18 maart 2014 ten aanzien van de boete ongegrond is verklaard;

  • -

    herroept het primaire besluit 2 van 18 maart 2014 in zoverre dat de hoogte van de boete wordt vastgesteld op € 1.967,50 en bepaalt dat deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    laat het bestreden besluit in stand voor zover het de intrekking en de terugvordering betreft;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.960,00;

- draagt verweerder op aan eiseres het griffierecht van € 45,00 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, voorzitter, en mr. S. van Lokven en
mr. S.J.W. Hermans, leden, in aanwezigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.