Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4479

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
C/01/294237 / KG ZA 15-330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het kort geding gaat over de vraag of de SNS Bank de bancaire relatie met eiser heeft kunnen opzeggen en het krediet heeft kunnen opeisen. Daarnaast speelt de vraag of het strafdossier dat de bank heeft overgelegd in dit kort geding een rol kan spelen als bewijs omdat dit volgens eiser onrechtmatig is verkregen.

SNS Bank heeft de bancaire relatie en de hypothecaire geldlening opgezegd toen bleek dat in de woning van eiser een inval door de politie heeft plaatsgevonden waarbij XTC-pillen en wapens zijn aangetroffen. De woning is op last van de burgemeester naar aanleiding van de vondst enige tijd gesloten geweest. Voorts heeft na de politie-inval een medewerker van de bank een onderzoek gedaan naar aanleiding waarvan bij de bank een sterk vermoeden is gerezen dat eiser bij het aangaan van de hypothecaire geldlening een valse werkgeversverklaring heeft overgelegd. De bank heeft hierop aangifte tegen eiser gedaan wegens valsheid in geschrifte en poging tot oplichting. Eiser betwist dat de werkgeversverklaring vals is, maar is er niet in geslaagd de twijfel die is gerezen door de sterke aanwijzingen van de bank weg te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 5, p. 274

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/294237 / KG ZA 15-330

Vonnis in kort geding van 7 juli 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. L.A.M. van den Eeden te Eindhoven,

tegen

de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.E.G. Murris te Utrecht.

Partijen worden [eiser] en SNS Bank genoemd.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met zes producties,

  • -

    de brief van 10 juni 2015 met producties zeven en acht van [eiser] ,

  • -

    de brief van [eiser] , ontvangen ter griffie op 12 juni 2015 met productie negen,

  • -

    de akte met zeven producties van SNS Bank, ontvangen ter griffie op 12 juni 2015

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 juni 2015,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van SNS Bank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op uiterlijk 7 juli 2015.

2 De feiten

2.1.

SNS Bank heeft aan [eiser] omstreeks 20 maart 2007 een hypothecaire geldlening verstrekt van € 400.000,-- ten behoeve van een woning te [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend [de woning] (verder ook: de woning), overeenkomstig de door [eiser] geaccepteerde hypotheekofferte van 26 januari 2015. Het gaat om een zogeheten aflossingsvrije hypotheek. In het kader van de aanvraag voor de hypothecaire lening heeft [eiser] bij SNS Bank een werkgeversverklaring van Universal B.V. ingediend, waarop staat dat die werkgeversverklaring is ondertekend door [bedrijfsmanager] (hierna: [bedrijfsmanager] ). [bedrijfsmanager] is laatstelijk werkzaam als bedrijfsmanager bij Universal B.V. Tevens heeft [eiser] bij de hypotheekaanvraag een loonstrook van Universal B.V. betreffende de maand januari 2007 aan SNS Bank verstrekt.

2.2.

In de tussen partijen tot stand gekomen hypotheekakte van 20 maart 2007 is opgenomen dat de Algemene Voorwaarden van Geldlening en Hypotheekverlening SNS Bank (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing zijn.

In artikel 15 van deze algemene voorwaarden is het volgende bepaald:

Artikel 15. Vervroegde opeisbaarheid van de lening

15.1

In de navolgende gevallen is de lening direct opeisbaar. Bij opeising in deze gevallen is de schuldenaar aan de bank een rentedervingsvergoeding verschuldigd ter grootte van drie maanden de op het moment van opeising geldende rente over het opgeëiste bedrag.

(…)

(h) Bij overtreding dan wel niet-nakoming door de schuldenaar en/of de hypotheekgever en/of de pandgever van enige bepaling die is uitgevaardigd door het daartoe bevoegd gezag;

(i) in geval van enig besluit of enige maatregel genomen door het daartoe bevoegd gezag waardoor het gebruik van het verbondene op ernstige wijze wordt belemmerd dan wel ingrijpend wordt gewijzigd;

(j) indien op het verbondene executoriaal beslag wordt gelegd of indien een op het verbondene gelegd conservatoir beslag niet is vervallen of opgeheven binnen dertig dagen na de dag van beslaglegging;

(…)

(m) Indien na het aangaan van een geldleningsovereenkomst blijkt dat de schuldenaar bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst onjuiste gegevens aan de bank heeft verstrekt en/of voor de bank relevante gegevens niet aan de bank heeft verstrekt, dan wel te eniger tijd na het aangaan van de geldleningovereenkomst onjuiste gegevens aan de bank heeft verstrekt en/of voor de bank relevante gegevens niet aan de bank heeft verstrekt;

(…)’

2.3.

In artikel 6 van de algemene voorwaarden worden op ‘alle betrekkingen tussen enerzijds de schuldenaar, de hypotheekgever en de pandgever en anderzijds de bank’, de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing verklaard. In artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden is het volgende bepaald:

‘Zowel de klant als de bank kan de relatie tussen hen schriftelijk geheel of gedeeltelijk opzeggen. Als de bank de relatie opzegt, deelt zij desgevraagd de reden van de opzegging aan de klant mee. Na opzegging van de relatie worden de tussen de klant en de bank bestaande individuele overeenkomsten zo spoedig mogelijk afgewikkeld met inachtneming van de daarvoor geldende termijnen. Tijdens de afwikkeling blijven deze algemene bankvoorwaarden en de op de individuele overeenkomsten toepasselijke specifieke voorwaarden van toepassing.’

2.4.

[eiser] heeft de lopende financiële verplichtingen uit de hypothecaire geldlening (rente) steeds voldaan.

2.5.

Op 1 juli 2014 heeft de Politie Oost-Brabant een doorzoeking verricht in de woning. De politie heeft in de woning onder meer een tas met ruim 15.000 pillen (volgens de politie getest op XTC, volgens [eiser] zijn het Viagra pillen), een vuurwapen van het merk Glock met magazijn en patronen en een bedrag in contanten van ongeveer € 100.000,-- aangetroffen. [eiser] is in het onderzoek als verdachte aangemerkt van (onder meer) valsheid in geschrifte en/of oplichting, overtreding van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet.

2.6.

Op 1 juli 2014 is op verzoek van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant conservatoir beslag gelegd op de woning. Op de woning lag al een conservatoir beslag van CRH Fencing&Security Group B.V. van 25 mei 2010.

2.7.

Bij besluit van 25 juli 2014 heeft de burgemeester van de gemeente [woonplaats] op grond van artikel 13b Opiumwet besloten de woning met ingang van 26 augustus 2014 voor een periode van drie maanden te sluiten. In het besluit is als aanleiding tot de tijdelijke sluiting opgegeven de bestuurlijke rapportage van 2 juli 2014 van de politie, waarin melding werd gemaakt van het aantreffen in de woning op 1 juli 2014 van vijf doorzichtige plasticzakken met een grote hoeveelheid pillen. Deze pillen zijn, volgens het besluit, onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut en daarbij zou komen zijn vast te staan dat de pillen MDMA bevatten, een verboden stof zoals genoemd in lijst 1 behorende bij de Opiumwet. Verder is in het besluit aangegeven dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zijn zienswijze in te dienen. [eiser] heeft tegen het besluit geen bezwaar ingediend en is hiertegen niet in beroep gegaan, zodat het besluit inmiddels onherroepelijk is geworden.

2.8.

Op 25 november 2014 heeft [senior adviseur SNS bank] (hierna: [senior adviseur SNS bank] ), senior adviseur veiligheidszaken bij SNS Bank, aangifte gedaan tegen [eiser] wegens valsheid in geschrifte en poging tot oplichting. Voorafgaande aan de aangifte heeft [senior adviseur SNS bank] op 20 november 2014 een mailwisseling met [bedrijfsmanager] gevoerd. In die mailwisseling had [bedrijfsmanager] onder meer aan [senior adviseur SNS bank] te kennen gegeven dat [eiser] in januari 2007 niet bij Universal B.V. werkzaam was en dat de werkgeversverklaring en de loonstrook die [eiser] bij de hypotheekaanvraag heeft ingeleverd niet door hem ( [bedrijfsmanager] ) zijn opgesteld. Tegenover de politie heeft [bedrijfsmanager] op 23 oktober 2014 onder meer verklaard dat de handtekening op de werkgeversverklaring niet de zijne is.

2.9.

Bij brief van 10 maart 2015 van [senior adviseur SNS bank] heeft SNS Bank [eiser] voorgehouden dat zij aangifte heeft gedaan van valsheid in geschrifte en oplichting omdat zij vermoedt dat de door [eiser] ingeleverde werkgeversverklaring en de loonstrook valselijk zijn opgemaakt. SNS Bank stelt in haar brief dat, indien [eiser] wil aantonen dat hij (wel) in dienst is geweest bij Universal ten tijde van de hypotheekaanvraag, hij dit dient te onderbouwen met documenten, bijvoorbeeld met een belastingaangifte over het jaar 2007. Daarnaast maakt SNS Bank in de brief melding van de omstandigheid dat de woning voor drie maanden gesloten is geweest op grond van de Opiumwet.

2.10.

Bij brief van 24 april 2015 heeft SNS Bank de bankrelatie tussen haar en [eiser] opgezegd. De brief heeft – voor zover van belang – de volgende inhoud:

‘(…)

De gemeente [woonplaats] heeft ons laten weten, dat in uw woning aan de [adres] , een grote hoeveelheid pillen, die MDMA bevatten zijn aangetroffen en verwijderd. Het houden van een grote hoeveelheid pillen is in strijd met onze algemene voorwaarden.

Tevens zijn bij de hypotheekaanvraag door of namens u documenten ingeleverd die in strijd zijn met de waarheid. Door of namens u een vervalste werkgeversverklaring met bijbehorende inkomensgegevens gebruikt. Deze documenten zijn gemaakt om de lening te krijgen.

Opzeggen relatie

Door uw handelen wordt SNS Bank N.V. ernstig geschaad. Voortzetten van de relatie is niet mogelijk en daarom zeggen we de relatie op. Dit betekent dat we al uw rekeningen, kredieten of leningen bij SNS Bank N.V. beëindigen. Dit doen we op basis van artikel 15, lid h, i, j en m van de Algemene Voorwaarden van Geldlening en Hypotheekverlening SNS Bank 2005 en artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden.

(…)

Wat moet u doen?

Het totaalbedrag van € 400,529,79 moet uiterlijk 24 juni 2015 op rekeningnummer NL96SNSB0854300031 van SNS Bank Bijzonder Beheer staan. (…)

(…)’.

2.11.

Bij brief van 11 mei 2015 heeft mr. Van den Eeden namens [eiser] bij SNS Bank de stukken opgevraagd die ten grondslag liggen aan de verdenkingen van SNS Bank tegen [eiser] . Bij brief van 26 mei 2015 heeft SNS Bank enige nadere toelichting gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de door SNS Bank gedane opzegging bij brief van 24 april 2015 nietig zal verklaren dan wel zal vernietigen, althans SNS Bank zal gelasten deze opzegging in te trekken op straffe van een dwangsom van € 400.000,--, dan wel SNS Bank zal verbieden uitvoering te geven aan de bij brief van 24 april 2015 gedane opzegging, althans een zodanige voorziening zal treffen als door de voorzieningenrechter te bepalen en SNS Bank zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan deze vorderingen heeft [eiser] – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

[eiser] heeft altijd aan zijn financiële verplichtingen uit de hypothecaire geldlening voldaan. Het opzeggen van de bancaire relatie op basis van de door SNS Bank genoemde bepalingen uit de Algemene Bankvoorwaarden en uit de algemene voorwaarden is onvoldoende concreet om van een deugdelijke, onderbouwde opzegging te spreken.

Voor de grond voor de opzegging, voor zover die bestaat uit het aantreffen van verboden pillen in de woning heeft SNS Bank onvoldoende bewijs aangedragen. [eiser] betwist dat verboden pillen zijn aangetroffen in de woning. Het strafrechtelijk onderzoek loopt nog steeds en van een veroordeling is geen sprake, terwijl SNS Bank reeds haar conclusies heeft getrokken.

Ook ten aanzien van de opzeggingsgrond dat [eiser] bij de aanvraag van de hypothecaire lening valselijk opgemaakte documenten (werkgeversverklaring en loonstrook) zou hebben overgelegd, heeft SNS Bank onvoldoende bewijs. De getuigenverklaring van [bedrijfsmanager] waarop SNS Bank zich beroept is niet ondertekend en niet te verifiëren en kan dus niet als bewijs dienen.

Bovendien beroept SNS Bank zich in beide gevallen op bewijs dat afkomstig is uit het strafdossier van [eiser] dat zonder wettelijke grondslag en daarom onrechtmatig aan SNS Bank is verstrekt. Deze onrechtmatig verkregen stukken mogen niet ten grondslag worden gelegd aan de opzegging van de bancaire relatie met [eiser] .

Door de relatie met [eiser] zonder deugdelijk bewijs op te zeggen, handelt SNS Bank onrechtmatig jegens [eiser] . SNS Bank schendt haar zorgplicht jegens [eiser] . SNS Bank heeft (ondeugdelijke en onterechte) conclusies getrokken zonder dat [eiser] vooraf in de gelegenheid werd gesteld zijn mening op de bevindingen van SNS Bank kenbaar te maken. De opzegging is in ieder geval, gelet op de zeer ingrijpende gevolgen voor [eiser] , naar de normen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

3.3.

SNS Bank voert verweer. Voor zover van belang zal hierop nader worden in gegaan.

4 De beoordeling

4.1.

SNS Bank heeft het door [eiser] gestelde spoedeisend belang niet betwist, zodat het spoedeisend belang wordt aangenomen op basis van hetgeen [eiser] hieromtrent gesteld heeft. [eiser] wenst de bancaire relatie met SNS Bank voort te zetten en wil voorkomen dat SNS Bank zijn hypothecaire geldlening per direct opeist, met in het verlengde daarvan een executoriale verkoop van de woning en naar hij verwacht een enorme overblijvende financiële schuld.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft er nota van genomen dat [eiser] zich benadeeld acht door de - naar [eiser] aanneemt - zijdens de politie en/of ketenpartners bevorderde in zijn ogen triomfantelijke berichtgeving na de doorzoeking van 1 juli 2014. [eiser] meent dat hij in die berichtgeving publiekelijk reeds als schuldig is gepresenteerd aan ernstige misdrijven, zonder dat de resultaten van het onderzoek behoorlijk zijn uitgekristalliseerd terwijl [eiser] en zijn advocaat, zeker in de fase waarin [eiser] in beperkingen preventief gedetineerd zat, geen mogelijkheid hebben gehad om zich ook maar enigszins tegen de verdachtmakingen te verweren. De advocaat die [eiser] in de strafzaak bijstaat, mr. De Rooij uit Eindhoven, heeft naar aanleiding van de publicitaire gang van zaken in het Eindhovens Dagblad van 11 juli 2104 een bepaald kritisch artikel gepubliceerd dat door [eiser] in het geding is gebracht.

4.3.

De voorzieningenrechter kan in algemene zin begrip opbrengen voor het punt als door (de raadsman van) [eiser] aan de orde gesteld. In deze zaak draait het echter niet om de publiciteit die het strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] heeft gegenereerd. De voorzieningenrechter geeft daarover dus geen oordeel. De door [eiser] veronderstelde aanjagers van de negatieve publiciteit zijn geen partij in dit kort geding en hebben zich dus ook niet tegenover de voorzieningenrechter kunnen uitlaten over de verwijten van [eiser] .

4.4.

De vraag die wel in dit kort geding centraal staat, is of SNS Bank het krediet heeft kunnen opeisen en de bancaire relatie met [eiser] heeft kunnen opzeggen. Het oordeel daarover komt in dit geding tot stand op basis van het feitenmateriaal dat beide partijen, ook [eiser] , hebben gepresenteerd en de door hen gegeven schriftelijke en mondelinge toelichtingen. Daarbij verdient aantekening dat, gegeven het summiere karakter van de kort geding procedure, de voorzieningenrechter zijn – als voorlopig te kwalificeren – oordeel op basis van beperkt onderzoek geeft. De uitkomst van dit kort geding loopt niet vooruit op de afloop van de strafzaak tegen [eiser] en staat daar los van. Anderzijds is het ook niet zo dat SNS Bank pas tegenover [eiser] stappen zou mogen zetten na een volledige toetsing van het geval door de strafrechter, ook al had [eiser] dat liever anders gezien.

4.5.

De vorderingen strekkende tot het nietig verklaren dan wel vernietigen van de opzegging van de kredietrelatie betreffen voorzieningen die de rechtstoestand tussen partijen vaststellen, declaratoir van aard zijn en naar hun aard niet voorlopig. In zoverre moet het gevorderde in ieder geval worden afgewezen. Voor dit soort voorzieningen is in kort geding geen plaats. Dat geldt echter niet voor het gevraagde verbod aan SNS Bank om uitvoering te geven aan de door haar bij brief van 24 april 2015 gedane opzegging. Daarbij vat de voorzieningenrechter de toevoeging in het petitum om een zodanige voorziening te treffen als door de voorzieningenrechter te bepalen eng op, namelijk als een door de eisende partij geboden vrijheid om wat aan de (formulering van) het gevraagde verbod te sleutelen. De voorzieningenrechter acht zich niet vrij om zelf een geheel nieuwe voorziening te bedenken buiten de rechtsstrijd van partijen om. Zodoende zal op dit laatste onderdeel van het petitum ook niet specifiek worden ingegaan.

4.6.

Op basis van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden hebben zowel SNS Bank als de klant [eiser] de bevoegdheid om de bancaire relatie op te zeggen. SNS Bank heeft op 24 april 2014 van deze contractuele bevoegdheid gebruik gemaakt. Hier gelden de contractuele beoordelingsmaatstaven. De door [eiser] in de dagvaarding tevens genoemde grondslag onrechtmatige daad is in dit geschil niet aan de orde.

4.7.

Uitgangspunt is dat, indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst, de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld moet worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929).

4.8.

Bij de beoordeling aan de hand van de overeenkomst wordt in de eerste plaats in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat de bancaire relatie tussen SNS Bank en [eiser] feitelijk meer of anders inhoudt dan de in 2007 tot stand gekomen hypothecaire geldlening. Vervolgens moet in de tweede plaats in aanmerking worden genomen dat in artikel 15 van de algemene voorwaarden een concretisering is gegeven van gevallen waarin SNS Bank de hypothecaire geldlening direct mag opeisen. Een redelijke uitleg van de contractuele rechtsverhouding tussen partijen als geheel brengt in dit geval mee dat de reden van opzegging van de bancaire relatie en van het krediet in de sleutel van artikel 15 van de algemene voorwaarden moet worden bezien. Op die wijze blijkt SNS Bank daar ook mee te zijn omgegaan. Dat blijkt uit de overgelegde correspondentie en het pleidooi ter zitting.

4.9.

De opeising van het krediet en de opzegging van de bancaire relatie dienen vervolgens in beginsel te worden beoordeeld aan de hand van de bij die opzegging vermelde redenen. Ingevolge het bepaalde in artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden heeft [eiser] er recht op om te weten wat die redenen zijn. Dat is bij een ingrijpende stap van SNS Bank als hier aan de orde natuurlijk ook redelijk. Uitganspunt bij de beoordeling zijn de redenen die SNS Bank heeft opgegeven in haar brief van 24 april 2015. SNS Bank heeft die redenen later nog wat verduidelijkt en/of nader onderbouwd, hetgeen geoorloofd is, terwijl de op 24 april 2015 opgegeven redenen ook mogen worden bezien in het licht van hetgeen partijen elkaar in eerdere correspondentie al hadden doen weten. Dat de brief van 24 april 2015 op het punt van de redenen voor de beëindiging vrij beknopt is, is dus op zichzelf geen probleem. Het is voldoende duidelijk welke problemen SNS Bank ten aanzien van de relatie met haar cliënt [eiser] heeft.

4.10.

Als redenen voor de opzegging heeft SNS Bank in de brief van 24 april 2015 opgegeven dat:

a. a) de gemeente [woonplaats] SNS Bank heeft laten weten dat in de woning een grote hoeveelheid pillen die MDMA bevatten zijn aangetroffen en verwijderd en dat

b) bij de hypotheekaanvraag door of namens [eiser] documenten zijn ingeleverd die in strijd zijn met de waarheid; door of namens [eiser] is een vervalste werkgeversverklaring met bijbehorende inkomensgegevens gebruikt en deze documenten zijn gemaakt om een lening te krijgen.

4.11.

Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst SNS Bank met name naar het door haar als productie 7 overgelegde ‘zaakdossier (hypotheek)fraude’ (verder: zaakdossier) dat SNS Bank heeft ontvangen van het Openbaar Ministerie. [eiser] heeft gesteld dat de gegevens in dit zaakdossier niet mogen worden gebruikt als ‘bewijsmateriaal’ omdat het OM dit dossier niet had mogen verstrekken aan SNS Bank. Voor zover al zou worden geoordeeld dat het zaakdossier niet had mogen worden verstrekt aan SNS Bank, zodat dit als onrechtmatig verkregen bewijs moet worden beschouwd, leidt dit er niet toe dat het zaakdossier in dit kort geding buiten beschouwing dient te blijven.

4.12.

Artikel 152 Rv bepaalt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan (nog daargelaten dat in kort geding wordt geoordeeld op basis van aannemelijkheid en niet van bewijs). In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan art. 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd. De bewijslast van dergelijke bijkomende omstandigheden ligt bij de partij die stelt dat het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten. In dit kort geding is niet gesteld of gebleken dat er omstandigheden zijn die het terzijde leggen van het door SNS Bank overgelegde zaakdossier rechtvaardigen. Daarbij komt dat [eiser] in dit kort geding in de gelegenheid is geweest de inhoud van het zaakdossier te weerspreken.

4.13.

Ter onderbouwing voor wat betreft de aangetroffen pillen in de woning van [eiser] (uitmondend in de tijdelijke sluiting door de burgemeester) heeft SNS Bank (onder meer) gewezen op de in het zaakdossier opgenomen processen-verbaal van verhoren van [eiser] op de dag na de doorzoeking van zijn woning (2 juli 2014) en op 10 juli 2014. [eiser] heeft in het kader van dit kort geding betwist dat er XTC-pillen zijn gevonden, maar uit de processen-verbaal valt op te maken dat [eiser] tegenover de politie heeft erkend dat er pillen zijn gevonden, zij het dat hij betoogt dat het om Viagra gaat. Vervolgens hult hij zich in vaagheden over de herkomst ervan. Uit de processen-verbaal kan evenwel worden afgeleid dat deze pillen op verzoek van de politie zijn getest en dat de test uitwees dat het XTC-pillen waren.

Daarbij komt dat er – buiten het zaakdossier – een onherroepelijk besluit ligt van de burgemeester van [woonplaats] van 25 juli 2014, op grond waarvan de woning van [eiser] drie maanden gesloten is geweest conform artikel 13b Opiumwet wegens de vondst van een grote hoeveelheid pillen met de verboden stof MDMA in de woning. Dit besluit heeft formele rechtskracht en is voor de voorzieningenrechter een gegeven. De stelling van SNS Bank dat er XTC-pillen in de woning van [eiser] zijn aangetroffen en dat dit tot een sluiting op grond van de Opiumwet heeft geleid, wordt dan ook in dit kort geding voldoende aannemelijk geacht.

4.14.

Als tweede reden heeft SNS Bank opgegeven dat zij [eiser] ervan verdenkt dat hij bij de hypotheekaanvraag valse stukken heeft ingediend. Ook in dit kader heeft SNS Bank verwezen naar het zaakdossier. Hierin is een proces-verbaal van een verklaring van [bedrijfsmanager] opgenomen die hij heeft afgelegd op 23 oktober 2014 ten overstaan van een medewerker van de politie Oost-Brabant (pagina 000146 e.v. in het zaakdossier). In deze verklaring stelt [bedrijfsmanager] dat hij de door [eiser] ingediende werkgeversverklaring niet heeft opgemaakt en dat de handtekening die op de verklaring staat niet van hem afkomstig is. Ten aanzien van de door [eiser] overgelegde salarisstrook verklaart [bedrijfsmanager] dat de gegevens op de loonstrook niet kloppen en dat het vreemd is dat er geen cumulatieve gegevens op staan. In het zaakdossier bevindt zich ook de mailwisseling die [senior adviseur SNS bank] en [bedrijfsmanager] voerden op 20 november 2014, waarin [bedrijfsmanager] tegenover [senior adviseur SNS bank] bevestigt dat de salarisspecificatie en de werkgeversverklaring vervalst zijn en dat [eiser] in de tijd van 1 januari 2007 tot en met 1 april 2007 niet bij Universal B.V. werkzaam is geweest. [senior adviseur SNS bank] was ter zitting aanwezig en heeft daar desgevraagd bevestigd dat hij deze mailwisseling persoonlijk met [bedrijfsmanager] heeft gevoerd.

4.15.

De werkgeversverklaring en de loonstrook die [eiser] in 2007 bij de hypotheekaanvraag heeft ingediend zijn door SNS Bank overgelegd als productie 2. Van de loonstrook is het ook de voorzieningenrechter opgevallen dat deze geen cumulatieven bevat. Ook al gaat het hier kennelijk om de specificatie betreffende de eerste maand van het dienstverband, het ligt toch in de rede dat de cumulatieve gegevens worden opgenomen om bij de volgende loonstrook aansluiting te krijgen op de gegevens van de eerste specificatie. Cumulatieve gegevens kunnen voor vervalsers in de praktijk een lastige horde blijken. Het ontbreken ervan roept ook bij de voorzieningenrechter vragen op. In dit concrete geval valt bijvoorbeeld op dat de in januari 2007 opgebouwde aanspraak op vakantietoeslag, waarop [eiser] volgens zijn werkgeversverklaring wel degelijk recht had, niet in de loonstrook is te vinden. Verder bleek [eiser] desgevraagd geen inlichtingen te kunnen geven over de feitelijke uitbetaling van het nettoloon, terwijl dit bedrag van € 3.359,52 volgens de salarisspecificatie zou zijn overgemaakt naar bankrekening 45.19.21.496. Dit is geen rekening bij SNS Bank, zodat SNS Bank geen rechtstreeks inzicht heeft in de mogelijk daarop binnengekomen betalingen. [eiser] was dus echt de aangewezen procespartij om hierover opheldering te geven.

4.16.

[eiser] heeft betwist dat de stukken vervalst zijn, maar hij heeft nagelaten stukken over te leggen waaruit concrete aanwijzingen volgen voor het tegendeel van hetgeen SNS Bank heeft gesteld en naar de in kort geding aan te leggen maatstaven voldoende heeft onderbouwd. [eiser] had bijvoorbeeld een aangifte inkomstenbelasting uit 2007 kunnen overleggen of een bankafschrift waaruit blijkt dat zijn salaris ook daadwerkelijk is overgemaakt. Mooi aan correcte salarisspecificaties is namelijk dat de juistheid daarvan zich doorgaans aan de hand van gegevens van derden laat staven. In haar brief van 10 maart 2015 heeft SNS Bank [eiser] ook met zoveel woorden geattendeerd op de mogelijkheid om documentatie over te leggen die zijn stellingen ondersteunt. In een civiel geding als het onderhavige mag van [eiser] verlangd worden dat hij, tegenover de concrete aanwijzingen die SNS Bank heeft geleverd dat er iets mis is met de loonstrook en werkgeversverklaring, van zijn kant informatie verstrekt ter onderbouwing van de juistheid van zijn standpunt.

4.17.

[eiser] heeft wel een schriftelijke verklaring van zijn moeder overgelegd waarin zij aangeeft dat uitsluitend [bedrijfsmanager] de arbeidsovereenkomsten en de werkgeversverklaringen opstelde, maar enkel deze verklaring zonder onderbouwende stukken is voorshands onvoldoende om de gerede twijfel over de vraag of de werkgeversverklaring en de loonstrook authentieke stukken zijn, weg te nemen.

4.18.

[eiser] heeft nog aangevoerd dat zijn boekhouding in beslag is genomen door het Openbaar Ministerie maar dit betekent niet dat van hem niet verwacht kan worden dat hij zijn stelling dat hij op 1 januari 2007 bij Universal werkte, en dat hij (dus) een juiste werkgeversverklaring en loonstroken heeft ingeleverd, deugdelijk onderbouwt. In geval [eiser] zou zijn gestuit op een gebrek aan medewerking van het Openbaar Ministerie op dit punt, hetgeen voorshands niet gebleken is (terwijl de voorzieningenrechter aan de eigen verklaringen van [eiser] in het zaakdossier een voorzichtig vermoeden ontleent dat [eiser] geen prioriteit heeft gelegd bij het voeren van zijn administratie), had [eiser] uiteraard nog steeds de mogelijkheid om bij derden gegevens op te vragen.

4.19.

Nu voldoende overtuigende aanwijzingen in het voordeel van [eiser] ontbreken, acht de voorzieningenrechter op basis van hetgeen SNS Bank heeft aangevoerd voorshands aannemelijk dat [eiser] bij het aanvragen van de hypothecaire lening in 2007 een valse werkgeversverklaring en loonstrook bij SNS Bank heeft ingediend.

4.20.

De door SNS Bank genoemde opzeggingsgronden zijn, gelet op bovenstaande overwegingen, voorshands voldoende aannemelijk gebleken. Waar [eiser] beargumenteert dat hij, zolang in de strafzaak geen oordeel is gegeven, verdachte is en dat er in die hoedanigheid waarborgen en rechten voor hem gelden, treffen zijn stellingen in dit - door hemzelf aangespannen - kort geding geen doel omdat het hier niet gaat om de tegen [eiser] ingestelde strafzaak maar om een civielrechtelijke betrekking tussen [eiser] en SNS Bank en om de vraag of SNS Bank deze betrekking in redelijkheid heeft kunnen beëindigen. Anders dan in een strafzaak, betekent in een civiele zaak het door een partij laten voortbestaan van hiaten in de informatie - onder meer door de werking van artikel 21 Rv. - dat de proceskansen voor die partij veelal aanmerkelijk kleiner worden.

4.21.

Voor wat betreft het opzeggen van de hypothecaire lening heeft SNS Bank een beroep gedaan op de opzeggingsbevoegdheid in artikel 15 lid 1 sub h, i, j en m van de algemene voorwaarden. Nu vast staat dat de woning van [eiser] op last van de gemeente [woonplaats] drie maanden gesloten is geweest op grond van een voorshands aannemelijke overtreding van de Opiumwet en aannemelijk is dat [eiser] onjuiste gegevens heeft verstrekt bij het aangaan van de hypothecaire lening zijn met betrekking tot de op 24 april 2015 gehanteerde feitelijke reden voor beëindiging de gronden als bedoeld in artikel 15 onder, h, i en m. hier aan de orde. Dat zijn ernstige omstandigheden die zeer schadelijk zijn voor het noodzakelijke vertrouwen tussen een financiële instelling als SNS Bank en de cliënt.

4.22.

Ook andere omstandigheden van dit geval nopen niet tot het oordeel dat het gebruik dat SNS Bank heeft gemaakt van haar contractuele bevoegdheid om de bancaire relatie met [eiser] op te zeggen en het krediet op te eisen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.23.

[eiser] heeft nog de zorgplicht aan de orde gesteld. SNS Bank heeft gewezen op artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden. In lid 1 van dat artikel is enerzijds bepaald dat de bank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht neemt en naar beste vermogen rekening houdt met de belangen van de klant. In lid 2 van dat artikel is anderzijds bepaald dat de klant de nodige zorgvuldigheid in acht neemt jegens de bank en daarbij naar beste vermogen rekening houdt met de belangen van de bank. Verder bepaalt lid 2 dat de klant geen oneigenlijk of onrechtmatig gebruik mag (laten) maken van diensten en/of producten van de bank, waaronder mede begrepen het gebruik dat strijdig is met wet- en regelgeving, dienstbaar is aan strafbare feiten of schadelijk is voor de bank of haar reputatie of voor de integriteit van het financiële stelsel. SNS Bank heeft in dat verband toegelicht dat zij verplicht is om zich verre te houden van criminele activiteiten en dat zij deze in ieder geval niet moet faciliteren en moet voorkomen dat zij daarmee op enigerlei wijze in verband zou kunnen worden gebracht. Dat SNS Bank geen cliënt wenst te financieren die naar het zich laat aanzien indertijd geen correcte informatie heeft verstrekt over zijn dienstverband en thans in verband kan worden gebracht met het voorhanden hebben van een forse handelsvoorraad harddrugs, een vuurwapen en munitie, valt te billijken, Gelet op hetgeen hierboven is overwogen valt een belangenafweging, ook met inachtneming van de wederzijdse zorgplicht zoals die is neergelegd in artikel 2 ABV, ten gunste van SNS Bank uit. De stelling van [eiser] dat hij niet vooraf in de gelegenheid is gesteld om zijn mening over de bevindingen van SNS Bank kenbaar te maken is niet in overeenstemming met de correspondentie voorafgaande aan de brief van 24 april 2015. Daarin heeft SNS Bank duidelijk doen blijken van de gerezen vragen en [eiser] heeft daarop kunnen reageren. Dat SNS Bank de reactie ongenoegzaam heeft gevonden is iets anders.

4.24.

Ten overvloede zij nog vermeld dat de officier van justitie op 1 juli 2014 conservatoir beslag op de woning heeft gelegd en dat dit beslag niet is vervallen of opgeheven binnen dertig dagen na de beslaglegging, zodat buiten de argumentatie in de brief van 24 april 2015 ook van de in artikel 15 lid 1 sub j van de algemene voorwaarden genoemde omstandigheid sprake is. Dat draagt uiteraard ook niet bij aan een oordeel dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid tegen SNS Bank kan worden ingeroepen. Dat SNS Bank een termijn van twee maanden heeft gehanteerd is in casu, anders dan [eiser] heeft betoogd, niet onredelijk.

4.25.

De hypothecaire lening is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter direct opeisbaar geworden en SNS Bank heeft niet zonder reden aanleiding gezien een einde te maken aan de bancaire relatie met de cliënt [eiser] . De vorderingen van [eiser] dienen dan ook te worden afgewezen.

4.26.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SNS Bank worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van SNS Bank tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.