Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4426

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
C/01/293719 / KG ZA 15-297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Duurovereenkomst. Opzegging aansluitovereenkomst tussen huisarts en coöperatieve huisartsendienst, door coöperatieve huisartsendienst. In verband met de aard van de overeenkomst, het belang van de patiënten van de huisarts om in spoedeisende gevallen zich tot een huisartsenpost te kunnen wenden en de omstandigheid dat de huisarts zowel praktisch als financieel wordt benadeeld bij beëindiging van de overeenkomst, dient een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging te bestaan.

Coöperatieve huisartsendienst heeft (mede) op basis van het advies van de Landelijke Commissie van Advies op goede grond besloten dat er zodanige twijfel was over het functioneren van de huisarts als postarts dat een zwaarwegende grond voor opzegging van de aansluitovereenksomt bestond. Het belang van een kwalitatief goede gezondheidszorg en het belang dat de coöperatieve huisartsendienst heeft dat de huisartsen die op haar posten werken verantwoorde en veilige zorg verlenen en in collegiaal verband hun werkzaamheden uitvoeren dient te prevaleren boven het belang van de huisarts bij uitoefening van zijn werkzaamheden als postarts.

Wetsverwijzingen
Kwaliteitswet zorginstellingen
Kwaliteitswet zorginstellingen 2
Kwaliteitswet zorginstellingen 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2015/108
GZR-Updates.nl 2015-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/293719 / KG ZA 15-297

Vonnis in kort geding van 13 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. drs. C. van der Kolk-Heinsbroek te Eindhoven,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE HUISARTSENDIENST NOORD-BRABANT NOORDOOST U.A.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. R.J.H. van den Dungen te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en CHP genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 juni 2015 met producties 1 tot en met 22

  • -

    de brief van mr. Van der Kolk-Heinsbroek van 25 juni 2015 met aanvullende productie 23

  • -

    de brief van mr. Van den Dungen van 25 juni 2015 met een conclusie van antwoord en producties 1 tot en met 33

  • -

    de brief van mr. Van den Dungen van 29 juni 2015 met aanvullende producties 33 en 34 (bedoeld zal zijn producties 34 en 35, vzr)

  • -

    de mondelinge behandeling op 29 juni 2015

  • -

    de pleitnota van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

CHP houdt een huisartsendienstenstructuur in stand, die via haar leden (huisartsen) spoedeisende zorg verleent in de avond, nacht en in het weekend. De zorg wordt verleend vanuit drie locaties: Eindhoven, Helmond en Geldrop.

2.2.

CHP exploiteert een zorginstelling als bedoeld in de Wet toelating zorginstellingen. Op haar is de Kwaliteitswet zorginstellingen van toepassing. Voorts valt zij onder het toezicht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).

2.3.

[eiser] is sinds 1999 huisarts. Vanaf 2000 heeft hij

een eigen huisartsenpraktijk aan de [adres].

2.4.

Middels een zogenoemde aansluitovereenkomst is [eiser] aangesloten bij en tevens lid van de CHP. De aansluitovereenkomst van 25 februari 2009 kent de volgende - voor zover hier van belang zijnde - bepalingen:

Artikel 8

(…)

2. (…)

Het bestuur van de CHP is bevoegd deze overeenkomst bij aangetekend schrijven met handtekening retour met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, dan wel ingeval van een dringende aan de wederpartij onverwijld mede te delen reden met onmiddellijke ingang, op te zeggen.”

2.5.

In de statuten van CHP van 22 april 2011 zijn de volgende - voor zover hier van belang zijnde - bepalingen opgenomen:

LIDMAATSCHAP

1. Leden kunnen slechts zijn:

a. zelfstandig gevestigde huisartsen, die zijn aangesloten bij een HAGRO, een deelname-overeenkomst met de CHP hebben en het Reglement CHP onderschrijven;

b. huisartsen die niet zijn aangesloten bij een HAGRO, doch zelfstandig patiënten “op naam” hebben en derhalve een overeenkomst hebben met een zorgverzekeraar, een deelname-overeenkomt met de CHP hebben en deel uitmaken van waarneemgroep als bedoeld in artikel 2, sub j;

c. huisartsen in dienst van een rechtspersoon, die zijn aangesloten bij een HAGRO, of waarneemgroep , een deelname-overeenkomst met de CHP hebben en het Reglement CHP onderschrijven.

EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP

Artikel 7

1. Het lidmaatschap van een lid eindigt:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. (…)

e. door het niet langer voldoen aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 5 lid 1.

De Coöperatie kan het lidmaatschap (al dan niet met onmiddellijke ingang) opzeggen:

1.ingeval redelijkerwijs van de Coöperatie niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren;

(…)

Artikel 8

1. Opzegging kan geschieden zowel door het lid zulks onverminderd het bepaalde in artikel 9 als namens de Coöperatie. Zij moet schriftelijk geschieden en is alleen mogelijk tegen het einde van het boekjaar, met inachtneming van een termijn van ten minste zes (6) maanden. (…)

Artikel 13

1. Het bestuur kan in zeer bijzondere gevallen met inachtneming van het bepaalde in het Reglement CHP leden ontheffing verlenen van de verplichting om diensten te leveren, indien – zulks ter beoordeling van het bestuur – de belangen van de Coöperatie door deze ontheffing niet zullen worden geschaad.

(…)”

2.6.

Tijdens de ledenvergadering van 14 juni 2012 is besloten dat bij de CHP een nieuwe aansluitovereenkomst dient te gelden, welke begin 2013 is ingevoerd. De nieuwe aansluitovereenkomst is door [eiser] niet getekend.

2.7.

Naar aanleiding van een calamiteit op de CHP op 30 januari 2011, waarbij [eiser] als visitearts was betrokken na een melding van een verzorgende over de klachten van een oude zieke bewoonster die de volgende ochtend aan een hartinfarct is overleden, heeft een nabestaande van deze patiënte een tuchtzaak tegen [eiser] ingediend. De klacht is op 5 december 2012 door het regionaal tuchtcollege Eindhoven als ongegrond afgewezen.

2.8.

Naar aanleiding van deze casus en de reactie van betrokkenen daarop heeft de IGZ op 17 januari 2012 een gesprek gevoerd met [eiser] en op 2 april 2012 een bezoek aan zijn praktijk gebracht. Op 22 mei 2012 is de praktijk van [eiser] voor de duur van zes maanden onder verscherpt toezicht gesteld. Het toezicht is met ingang van 12 november 2012 opgeheven.

2.9.

Op 23 april 2013 is sprake van een calamiteit, waarbij [eiser] als visite arts een 65 jarige patiënt heeft bezocht, verdacht van een TIA of CVA met een uitgebreide cardiovasculaire voorgeschiedenis. [eiser] heeft de patiënt gerustgesteld en betere regeling van de risicofactoren voorgesteld. De volgende ochtend is de patiënt opgenomen met een linkszijdige totale parese. Vanwege een CVA is een opname in een verpleeghuis gevolgd. Volgens de partner van de patiënt is er geen of nauwelijks lichamelijk onderzoek gedaan.

2.10.

Op 9 augustus 2013 wordt een klacht ingediend door de moeder van 16 jarige patiënte, die kort daarvoor in een Frans ziekenhuis was opgenomen met een ernstige allergische reactie. Rond 2.00 uur heeft zij met haar dochter met hevige maagpijn de huisartsenpost bezocht. [eiser] had dienst en heeft de maagklachten van de dochter onvoldoende serieus genomen en heeft geweigerd maagbeschermers voor te schrijven.

2.11.

Op 29 oktober 2013 wordt bij de CHP een klacht ingediend door de moeder van een 4 weken oude baby met hoge koorts. Bij onderzoek wordt geen focus voor de koorts gevonden. [eiser] heeft een afwachtend beleid ingesteld en de ouders gerustgesteld. [eiser] gaf de ouders aan dat het niet nodig was om binnen 12 uur de eigen huisarts te raadplegen. De volgende ochtend is het kind opgenomen met een virale meningitis.

2.12.

Op 27 november 2013 heeft vervolgens een uitgebreide reflectie bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] enerzijds en de heren [bestuurder 1] en [bestuurder 2] namens de CHP anderzijds.

2.13.

Bij brief van 6 december 2013 laat de CHP het volgende aan [eiser] weten:

“Geachte collega,

Op woensdag 27 november jl. hebben we een calamiteit en een klacht besproken en uw reflectie daarop. Na afloop gaven we aan dat we onze conclusies na een week aan u kenbaar zouden maken. In deze brief gaan we daarop in.

Uit zowel de reflectieverslagen als de reflectiebespreking hebben wij het sterke vermoeden gekregen dat bij u geen sprake is van een lerende opstelling zoals die van een hoog opgeleide professional, zoals een huisarts, met een risicovol beroep mag worden verwacht.

Op basis daarvan achten wij de veiligheid van de patiëntenzorg tijdens uw avond- nacht- en weekenddiensten dan ook niet gewaarborgd. Gelet op het belang van veilige spoedzorg overwegen wij welke maatregelen nodig zijn voor het waarborgen ervan. Uit oogpunt van zorgvuldigheid zoals neergelegd in het Protocol “Vermeend disfunctionerende huisarts”, artikel 8, zullen wij onze bevindingen bespreken met het voltallige bestuur van de CHP. Deze bespreking vindt plaats op 10 december aanstaande.

Ter bewaking van de veiligheid op de spoedpost zullen wij, in afwachting van het door het voltallig bestuur te nemen besluit, uw handelen op de post nauwgezet volgen.

Dit zullen wij doen door uw patiëntencontacten te viseren aan de hand van de waarneemberichten. Deze maatregel gaat per ommegaande in.

(…)”

2.14.

Het bestuur van de CHP heeft op 10 december 2013, op basis van de als productie 19 bij de conclusie van antwoord gevoegde notitie van 4 december 2013, besloten [eiser] op non actief te stellen, in afwachting van een plan van aanpak.

2.15.

Bij brief van 13 december 2013 heeft de CHP aan [eiser] medegedeeld dat hij gedurende één maand op non-actief is gesteld. Tevens wordt hem gevraagd een plan van aanpak in te dienen waarvan coaching onderdeel uitmaakt.

2.16.

Bij brief van 16 januari 2014 laat de CHP weten dat de op non-actiefstelling wordt verlengd tot 14 februari 2014 en dat daarnaast het structurele disfunctioneren van [eiser] zal worden getoetst door de Landelijke Commissie van Advies. Voorts wordt [eiser] gesommeerd uiterlijk op 7 februari 2014 schriftelijk volledig en inhoudelijk te reageren op de brieven van 16 december en 20 december 2013, bij gebreke waarvan het lidmaatschap van [eiser] met onmiddellijke ingang zal worden opgezegd.

2.17.

Op 8 oktober 2014 is door de Landelijke Commissie van Advies een advies uitgebracht.

De conclusies uit het advies luiden - ten aanzien van het handelen van [eiser] op de huisartsenpost - als volgt:

6. Het advies van de Commissie

Op grond van bovenstaande is de Commissie van oordeel dat sprake is van disfunctioneren door [eiser] zoals gedefinieerd in het Protocol. Nu niet is gebleken dat er een enkele opening is voor een verbetertraject, waardoor voor de toekomst structureel verantwoorde zorg kan worden geboden in de zin van het Protocol, heeft het bestuur van de CHP naar het oordeel van de Commissie reden om ten aanzien van [eiser] een beslissing te nemen op grond van artikel 13 van het Protocol van de VHN, en een of meer van de in het (Model) Protocol of de Aansluitovereenkomst van de CHP genoemde maatregelen te treffen.”

2.18.

Het protocol “Vermeend disfunctionerende huisarts” (hierna te noemen: het Protocol) kent - onder meer - de volgende bepalingen:

Vermeend disfunctionerende huisarts

Artikel 1 Definities

(…)

(…)

(…)

(…)

Disfunctioneren

Een structurele situatie van onverantwoorde zorg, waarin een patiënt wordt geschaad of het risico loopt te worden geschaad en waarbij de betreffende arts niet (meer) in staat of bereid is zelf de problemen op te lossen. Disfunctioneren kan er ook uit bestaan dat een arts niet of onvoldoende in staat is tot collegiale samenwerking.

(…)

(…)

Artikel 13 Beslissing door bestuur van CHP

13.1

Het bestuur beslist in gevallen waarin sprake is van disfunctioneren en, nadat het de Locatiemanager gehoord heeft, indien:

a De betreffende huisarts geen medewerking verleent aan een verbetertraject;

b Het verbetertraject onvoldoende effect heeft.

13.2

Het bestuur kan de disciplinaire maatregelen treffen als bedoeld in artikel 16 van de aansluitovereenkomst die het geraden acht:”

2.19.

Artikel 16 van de nieuwe aansluitovereenkomst luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

Artikel 16 Disciplinaire maatregelen

16.1

Het bestuur van de CHP kan de huisarts, nadat deze in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, de navolgende disciplinaire maatregelen opleggen:

a. schriftelijke waarschuwing

b. schorsing voor bepaalde tijd

c. een boete tot maximaal € 2.500,00 (zegge tweeduizendvijfhonderd euro)

d. het verbinden van nadere voorwaarden aan het voortzetten van de aansluitovereenkomst

(…)”

2.20.

Bij brief van 30 december 2014 is de CHP overgegaan tot het opzeggen van de aansluitovereenkomst per 1 juli 2015. Voorts stelt CHP zich in de brief van 30 december 2015 op het standpunt dat het lidmaatschap van [eiser] op grond van artikel 7, lid 1, sub e van de Statuten is geëindigd. Voor zover nodig heeft CHP het lidmaatschap van [eiser] opgezegd, eveneens met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden, dus tegen 1 juli 2015.

2.21.

[eiser] heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin hij een verklaring voor recht vraagt dat de opzegging van de aansluitovereenkomst en het lidmaatschap van CHP nietig dan wel vernietigbaar zijn.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

  1. te bevelen dat de opzegging van de aansluitovereenkosmt (en alle daaraan gerelateerde rechtsgevolgen) wordt opgeschort totdat de rechtbank Oost-Brabant zich heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van deze opzegging in de eveneens aanhanig gemaakte bodemprocedure,

  2. te bevelen dat de opzegging van het lidmaatschap van de CHP (en alle daaraan gerelateerde rechtsgevolgen) wordt opgeschort totdat de rechtbank Oost-Brabant zich heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van deze opzegging in de eveneens aanhangig gemaakte bodemprocedure, CHP te gebieden binnen twee dagen na het vonnis [eiser] weer officieel toe te laten tot de CHP, ook na 1 juli 2015, waarbij [eiser] zal zorgen dat zijn diensten worden waargenomen dan wel dat hij zijn diensten zal afkopen,

  3. een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter geraden acht,

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van CHP in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijtiende dag na betekening van het vonnis tot de dag van algehele voldoening.

3.2.

[eiser] legt daaraan ten grondslag dat sprake is van onrechtmatige opzeggingen van de aansluitovereenkomst en het lidmaatschap van de CHP. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen, in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomsten en de omstandigheden van het geval mee, dat opzegging slechts mogelijk is als er een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Daarvan is geen sprake. In de procedure bij de Landelijke Commissie is slechts op basis van één schrifteljke ronde en een mondelinge behandeling een conclusie getrokken in de vorm van een advies over de gang van zaken. Bovendien is dit advies het enige dat het standpunt van de CHP dat sprake is van structureel disfunctioneren zou kunnen onderbouwen. Dat is onvoldoende om opzegging van de overeenkomsten te rechtvaardigen. Daar komt bij dat de Commissie heeft geadviseerd een beslissing te nemen op grond van artikel 13 van het Protocol én één of meer van de in het Protocol of de Aansluitovereenkomst van de CHP genoemde maatregelen te treffen. Zij hebben dus uitdrukkelijk niet geadviseerd om tot opzegging over te gaan. Ook om die reden kunnen de opzeggingen geen stand houden. Tenslotte acht [eiser] de opzeggingen onrechtmatig gezien de grote financiele gevolgen die de opzeggingen voor hem met zich mee brengen. Indien de opzeggingen stand houden betekent dit dat [eiser] vanaf 1 juli 2015 zijn patienten niet meer de benodigde 24 uurs zorg kan leveren, met als gevolg dat hij zijn dagpraktijk dient te sluiten omdat hij niet meer kan voldoen aan het garanderen van de noodzakelijke 24-uurs zorg. [eiser] heeft om die reden een spoedeisend belang bij de door hem ingestelde vorderingen.

3.3.

CHP voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op het feit dat tussen partijen een langdurige relatie bestaat, waarbij over en weer verplichtingen gelden, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter de overeenkomst tussen [eiser] en CHP als een duurovereenkomst te worden aangemerkt. In artikel 8, lid 2, van de overeenkomst is contractueel de mogelijkheid van opzegging van de overeenkomst vastgelegd. Indien de wet of de overeenkomst een opzeggingsregeling bevat is in beginsel die regeling bepalend voor de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder opzegging mogelijk is. De eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat (vergelijk HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1280).

4.2.

Vaststaat dat de contractuele opzeggingsmogelijkheid van artikel 8, lid 2 van de aansluitovereenkomst niet nader aan voorwaarden is verbonden. In dit geval brengen de aard van de overeenkomst, het belang van de patiënten van [eiser] om in spoedeisende gevallen zich tot de huisartsenpost te kunnen wenden en de omstandigheid dat [eiser] zowel praktisch als financieel wordt benadeeld bij beëindiging van de overeenkomst, mee dat een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging dient te bestaan.

4.3.

CHP heeft in dat kader aangevoerd dat sprake is van structureel disfunctioneren van de zijde van [eiser], alsmede van een onherstelbaar ernstig verstoorde relatie tussen CHP en [eiser]. Het structureel disfunctioneren is gebaseerd op het advies van de Landelijke Commissie van Advies van 8 oktober 2014 en bestaat uit onjuist medisch handelen door [eiser] met het risico op schade bij patiënten, het niet serieus nemen van patiënten, onvoldoende dossiervorming, geen zelfinzicht, geen zelfreflectie, geen toetsbare houding, oncollegiaal gedrag en het niet serieus nemen van CHP. De onherstelbaar ernstig verstoorde relatie vloeit voort uit het negeren door [eiser] van besluiten en regelgeving van CHP en de reactie van [eiser] als hij door patiënten, collega’s of de CHP wordt aangesproken op zijn professioneel functioneren. Vanwege de miskenning van de ernst, de aard en de omvang van de problematiek en het ontbreken van een reëel uitzicht op verbetering heeft CHP geen enkel vertrouwen meer in [eiser].

4.4.

CHP is als zorgaanbieder op grond van de artikelen 2 en 3 van de Kwaliteitswet zorginstellingen verantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid van de zorgverlening op de huisartsenpost. Zij is daarom (onder meer) verplicht om te waarborgen dat de huisartsen, die op haar post werkzaam zijn, verantwoorde en veilige zorg kunnen verlenen. CHP constateert op grond van dat advies dat continuering van de samenwerking met [eiser] patiënten kan blootstellen aan risico’s, hetgeen zij onverantwoord acht.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.6.

Onbetwist is, dat CHP een zorgaanbieder is in de zin van de Kwaliteitswet zorginstellingen. Artikel 3 van die wet luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “De zorgaanbieder organiseert de zorgverlening op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg.”

4.7.

Anders dan [eiser] stelt, is op basis van de overgelegde stukken (met name het advies van de Landelijke Commissie van Advies) en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat het handelen van [eiser] een dusdanige structurele en herhaaldelijke tekortkoming oplevert dat een zwaarwegende grond voor opzegging van de aansluitovereenkomst bestaat. De conclusie van de Landelijke Commissie van Advies luidt immers dat sprake is van disfunctioneren door [eiser] zoals gedefinieerd in het Protocol (een structurele situatie van onverantwoorde zorg, waarin een patiënt wordt geschaad of het risico loopt te worden geschaad en waarbij de betreffende arts niet (meer) in staat of bereid is zelf de problemen op te lossen). [eiser] heeft wel aangevoerd dat het advies van de Landelijke Commissie tot stand is gekomen op basis van slechts één schriftelijke ronde en een mondelinge behandeling, maar op geen enkele wijze wordt concreet aangegeven waarom de conclusies uit het rapport onjuist zouden zijn. De enkele stelling dat het advies van de Commissie onvoldoende onderbouwd is en veel feitelijke onjuistheden bevat is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

4.8.

Daar komt bij dat [eiser] en CHP weliswaar niet expliciet zijn overeengekomen dat het oordeel van de Landelijke Commissie bindend zou zijn, maar dat zij wel beiden hebben ingestemd met het vragen van een advies van de Landelijke Commissie van Advies. [eiser] kan zich dan naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans niet op het standpunt stellen dat hij zich niet gebonden voelt aan het oordeel van de Landelijke Commissie. Het advies is tot stand gekomen nadat [eiser] en CHP zijn gehoord en zij (schriftelijk) hun visie hebben kunnen geven op de zaak, waarbij zij zijn bijgestaan door hun advocaten.

4.9.

De voorzieningenrechter overweegt voorts nog dat zij, net als CHP, meeweegt dat [eiser], nadat hij is aangesproken op zijn handelwijze, steevast heeft vastgehouden aan de juistheid van zijn wijze van handelen en niet adequaat heeft gereageerd op voorstellen van CHP - onder andere - om de begeleiding van een coach in te roepen en met een plan van aanpak te komen. Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat CHP niet alleen ernstig twijfelt over de kwaliteit van de door [eiser] geleverde zorg, maar dat ook het vertrouwen van CHP in de onderlinge samenwerking onherstelbaar is beschadigd. Dit heeft ook de Landelijke Commissie van advies geconstateerd in haar advies van 8 oktober 2014.

4.10.

De conclusie is dat CHP (mede) op basis van het advies van de Landelijke Commissie op goede grond heeft kunnen besluiten dat er zodanige twijfel was over het functioneren van [eiser] als postarts dat een zwaarwegende grond voor opzegging van de aansluitovereenkomst bestond. [eiser] heeft nog aangevoerd dat CHP niet gerechtigd was de overeenkomst op te zeggen, omdat de Landelijke Commissie in haar advies verwijst naar artikel 13 van het Protocol, waarin weer wordt verwezen naar artikel 16 van de (nieuwe) aansluitovereenkomst, waarin de mogelijkheid van het opleggen van disciplinaire maatregelen wordt beschreven, maar deze stelling faalt. Nog daargelaten dat [eiser] de nieuwe aansluitovereenkomst niet heeft getekend, zodat deze tussen partijen niet geldt, kan uit de verwijzing door de Landelijke Commissie naar artikel 13 van het Protocol geenszins worden afgeleid dat de Landelijke Commissie heeft bedoeld dat de overeenkomst niet zou mogen worden opgezegd. In haar conclusie stelt de Landelijke Commissie letterlijk: “ heeft het bestuur van de CHP naar het oordeel van de Commissie reden om ten aanzien van [eiser] een beslissing te nemen op grond van artikel 13 van het Protocol van de VHN, en een of meer van de in het (Model) Protocol of de Aansluitovereenkomst van de CHP genoemde maatregelen te treffen.”

4.11.

De verwijzing door de Landelijke Commissie naar artikel 13 van het Protocol laat onverlet dat in de tussen partijen geldende aansluitovereenkomst - onder meer - is geregeld dat de overeenkomst kan worden opgezegd. De CHP heeft daartoe in casu aanleiding gezien en haar opzegging (mede) gebaseerd op het rapport van de Landelijke Commissie. Nog daargelaten dat kan worden aangenomen dat opzegging van de overeenkomst kan worden beschouwd als “een of meer van de in het (Model) Protocol of de Aansluitovereenkomst van de CHP genoemde maatregelen”, zoals in het advies worden vermeld, kan uit de ruime formulering van het advies in ieder geval niet worden afgeleid dat opzegging van de aansluitovereenkomst uitdrukkelijk niet tot de door de Commissie in haar advies genoemde “maatregelen” zou behoren.

4.12.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dienen het belang van een kwalitatief goede gezondheidszorg en het belang dat CHP heeft dat de huisartsen die op haar huisartsenposten werken verantwoorde en veilige zorg verlenen en zorgvuldig en in collegiaal verband hun werkzaamheden uitvoeren te prevaleren boven het belang dat [eiser] heeft bij de uitoefening van zijn werkzaamheden als postarts. Daarbij weegt de voorzieningenechter mee dat de bestuurders van CHP, de heren [bestuurder 1] en [bestuurder 2], beiden ter zitting aanwezig, uitdrukkelijk hebben verklaard dat patiënten van [eiser] die zich op de huisartsenpost van CHP melden, ook na 1 juli 2015, gewoon zullen worden geholpen. Van [eiser] zal wel worden gevraagd om de doorverwijzing naar de huisartsenposten van CHP op zijn antwoordapparaat te verwijderen.

4.13.

[eiser] heeft weliswaar gesteld dat het beëindigen van de aansluitovereenkomst voor hem grote (financiële) gevolgen zal hebben, omdat hij gedwongen zal zijn om zijn praktijk te sluiten en patiënten ongetwijfeld zullen overstappen naar een andere huisarts als hij niet in 24 uurs hulp kan voorzien, maar dit is - nog daargelaten dat [eiser] zijn stelling op dit punt slechts zeer summier heeft onderbouwd - het directe gevolg van zijn eigen handelen en kan niet aan CHP worden tegengeworpen. Ook de stelling van [eiser] dat hij wel wil betalen voor de door anderen in zijn plaats te verrichten diensten, kan niet tot toewijzing van de vordering leiden. CHP heeft dit aanbod van [eiser] niet geaccepteerd en daartoe aangevoerd dat de mogelijkheid van ontheffing van diensten als geregeld in artikel 13 van de Statuten, niet is bedoeld om structureel disfunctionerende huisartsen te ontzien. Dit standpunt acht de voorzieningenrechter - in aanmerking genomen het feit dat CHP voor de organisatie van haar werkzaamheden juist afhankelijk is van de inzet van haar leden - geenszins onredelijk.

4.14.

Gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot de opzegging van de aansluitovereenkomst door CHP, is tevens genoegzaam gebleken dat van CHP redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap van [eiser] te laten voortduren, zodat zij, op grond van het bepaalde in artikel 7, lid 1, sub e van de Statuten, kon overgaan tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser]. Daarmee is in ieder geval met ingang van 1 juli 2015 een einde gekomen aan het lidmaatschap van [eiser] van de CHP. De vorderingen zullen op die grond reeds worden afgewezen. In het midden kan dan verder blijven de vraag of het lidmaatschap van [eiser] al eerder, te weten op 30 december 2014 is geëindigd. Aan het debat tussen partijen op dit punt, dat zich met name toespitst op de vraag of [eiser] vanaf 1 januari 2014 al dan niet een Hagro vormt met [naam], komt de voorzieningenrechter niet toe.

4.15.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CHP worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van CHP tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2015.