Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4313

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
SHE 15/1749
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In 2010 is aan verzoekster voor 6 uur per week hulp bij het huishouden toegekend via hulp in natura. Bij besluit van 24 juli 2014 is dit indicatiebesluit vervangen. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de zorgaanbieder een overeenkomst met verzoekster zal sluiten in de vorm van een ‘persoonlijk ondersteuningsplan’. Op basis van het ondersteuningsplan van Thuiszorg Pantein, welke zorgaanbieder inmiddels failliet is, ontving verzoekster 2 uur per week huishoudelijke zorg. Vanaf 15 juni 2015 ontvangt verzoekster via een andere zorgaanbieder 2¼ uur huishoudelijke verzorging per week.

De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of het bezwaar ontvankelijk is. Het besluit is genomen op 24 juli 2014. Het bezwaarschrift is buiten de termijn ingediend, namelijk na het vaststellen van het ondersteuningsplan op 9 oktober 2014. De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2015 (ECLI: NL:RBROT:2015:2196) en van deze rechtbank van 12 juni 2015 (ECLI:NL:RBOBR: 2015:3340) van oordeel dat niet eerder dan na vaststelling van het ondersteuningsplan de concrete uitwerking van de in het primaire besluit vervatte indicatie duidelijk kon zijn, zodat het primaire besluit en het ondersteuningsplan in samenhang moeten worden bezien; er is in die zin sprake van verlengde besluitvorming. Het bezwaar is daarom ontvankelijk.

Verzoekster stelt dat de geboden huishoudelijke verzorging schromelijk tekort schiet. De thans geboden huishoudelijke ondersteuning voldoet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter inderdaad niet aan de daaraan te stellen eisen. Verzoekster heeft (zeer) ernstige medische beperkingen waardoor zij in het geheel niet in staat is zelf werkzaamheden in huis uit te voeren. Er is geen mantelzorg beschikbaar. Onbetwist is dat het huis van verzoekster gezien haar medische beperkingen extra voorzieningen heeft die evenzeer moeten worden schoongehouden, hetgeen meerwerk oplevert ten opzichte van een standaardhuishouden. De medische gesteldheid van verzoekster stelt verder extra hoge eisen aan het schoonhouden van de woning van verzoekster. Verzoekster heeft via haar hulp bij de zorgcoördinator om meer hulp gevraagd, maar dat is haar door de zorgcoördinator geweigerd. De zorgaanbieder wijst daarbij naar verweerder en verweerder wijst weer naar de zorgaanbieder.

De stelling van de gemachtigde van verweerder ter zitting, dat de uitvoering aan de zorgaanbieder is en dat verweerder ter zake niet meer dan een handhavingsplicht heeft, doet niets af aan de resultaatsverplichting die op verweerder rust. De voorzieningenrechter tekent hierbij aan dat verweerder tot op heden naar aanleiding van diverse klachten van verzoekster kennelijk geen aanleiding heeft gezien op enigerlei wijze handhavend op te treden, zodat het er voor moet worden gehouden dat verweerder de thans geboden huishoudelijke ondersteuning vooralsnog als voldoende compensatie beschouwt. De voorzieningenrechter laat dan nog daar dat de bevoegdheid tot handhavend optreden een wettelijke grondslag vereist, die voorshands lijkt te ontbreken in de Verordeningen en de nadere regels van 2014 en 2015, en dat eerst aanleiding tot handhaving bestaat wanneer sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Zolang verweerder geen meetbare kwantitatieve en kwalitatieve normen met betrekking tot de te verlenen huishoudelijke zorg heeft geformuleerd valt niet goed in te zien welk voorschrift door een zorgaanbieder zou kunnen worden overtreden.

De voorzieningenrechter draagt verweerder daarom op ervoor zorg te dragen dat verzoekster binnen vier werkdagen 6 uur huishoudelijke hulp per week in natura ontvangt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/190
GJ 2015/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1749

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.M.H. van Kuijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel, verweerder

(gemachtigde: mr. L.A. Muller)

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een indicatie voor huishoudelijke verzorging aan verzoekster afgegeven op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Daarop heeft zorgaanbieder Thuiszorg Pantein op 9 oktober 2014 een ondersteuningsplan opgemaakt.

Verzoekster heeft hiertegen op 10 oktober 2014 bezwaar gemaakt.

Zij heeft de voorzieningenrechter op 19 juni 2015 verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verzoekster, totdat is beslist op het bezwaar, 6 uur huishoudelijke hulp per week krijgt, overeenkomstig haar voorgaande indicatie.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Feiten

2. Verzoekster, geboren [geboortedag] 1949, is een alleenstaande weduwe. Zij is bekend met ernstige osteoporose en bij haar is in 2010 slokdarmkanker geconstateerd waarvoor zij behandeld is. Verzoekster is scootmobiel-afhankelijk. In verband met haar (toegenomen) beperkingen heeft verzoekster op 25 november 2010 een aanvraag ingediend bij verweerder voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

3. Bij besluit van 1 december 2010 is aan verzoekster met ingang van 6 december 2010 voor 6 uur per week hulp bij het huishouden toegekend via hulp in natura van Stichting Thuiszorg Pantein, en wel als volgt: licht huishoudelijk werk 1,5 uur; zwaar huishoudelijk werk 3 uur; wasverzorging 1,5 uur. Deze indicatie was geldig tot 5 december 2015.

Het primaire besluit en het ondersteuningsplan

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder verzoekster bericht dat alle eerder afgegeven indicaties voor huishoudelijke verzorging komen te vervallen. Verweerder heeft een nieuwe indicatie afgegeven voor huishoudelijke verzorging in natura, voor de activiteiten licht huishoudelijk werk, zwaar huishoudelijk werk en de was doen en strijken, met een looptijd van 28 juli 2014 tot en met 31 december 2015. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat Thuiszorg Pantein een overeenkomst met verzoekster zal sluiten waarin nadere afspraken worden gemaakt omtrent de aan verzoekster te leveren hulp in natura, een persoonlijk ondersteuningsplan. Voor zover hier relevant vermeldt het primair besluit nog het volgende:

“Vanaf 2014 willen we dat u samen met de thuiszorg een persoonlijk ondersteuningsplan opstelt waarin de resultaten staan die u wilt bereiken. Vanaf 2014 gaat het om het resultaat en niet meer om het aantal uren hulp. De HV-activiteiten die opgenomen worden in het plan hebben betrekking op het licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapkamer(s), keuken en sanitaire ruimten van uw woning. Daarnaast dat u schone en draagbare kleding hebt. Het ondersteuningsplan is gebaseerd op de minimale eisen die wij met de thuiszorg hebben afgesproken. De thuiszorg gaat daarbij uit van uw eigen kracht en kijkt naar de inzet van de mensen om u heen en de inzet van vrijwilligers. Ook bekijkt de thuiszorg of er een collectieve voorziening in uw buurt is waar u een beroep op kunt doen Alleen als u hiermee onvoldoende bent geholpen, komt er professionele hulp bij u aan huis.

Bij ontevredenheid over de uitvoering gaat u in gesprek met de verantwoordelijke medewerker van de thuiszorg. Indien dit in de praktijk niet werkt dan kunt u contact opnemen met de Wmo-consulent. De Wmo-consulent zal proberen een oplossing te regelen tussen u en de thuiszorg. Mocht dit niet tot het gewenste resultaat leiden, dan kunt u schriftelijk een klacht indienen bij de thuiszorg. Een kopie van deze klachtenbrief kunt u sturen naar het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel.”

5. Op 9 oktober 2014 heeft Thuiszorg Pantein verzoekster thuis bezocht. Dit is het eerste ‘keukentafelgesprek’. Thuiszorg Pantein heeft de resultaten van dit gesprek verwerkt in het ondersteuningsplan, inhoudende dat verzoekster 2 uur per week huishoudelijke zorg krijgt.

Het bezwaar

6. Op 10 oktober 2014 heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend bij Thuiszorg Pantein en een kopie van het bezwaarschrift gestuurd naar verweerder in de persoon van zijn medewerkster, mevrouw [persoon A]. Het bezwaarschrift bevat de volgende passage:

“[er werd mij in het gesprek van 9 oktober 2014] direct duidelijk gemaakt dat [er niet meer wordt] gekeken naar de persoon als patiënt, naar wat men mankeert, kan of waarom er thuishulp is, de standaard is geworden, leefbaarheid ([Thuiszorg Pantein krijgt] een bepaald bedrag van de gemeente en binnen dat budget moeten we alles regelen,) het is de gemeente die bepaalt dat iedereen slechts 1½ uur per week krijgt of je nou in een boerderij, flat of huis woont, het is niet anders. (…) de gemeente wil dit zo en die beslist, wij kunnen niet anders en ook al is niet alles schoon, of blijft de was eens liggen, wil dat niet zeggen dat het niet meer leefbaar is. (…) Omdat ik voor mijn longen twee verschillende puffers heb is van 1½ uur per week 2 uur gemaakt.”

Bij email van 22 oktober 2014 heeft [persoon A] aan Thuiszorg Pantein geadviseerd de uitvoer indicatie Huishoudelijke Verzorging te heroverwegen en aan verzoekster gepast maatwerk te leveren, zoals afgesproken in het contract Pilot HV 2014.

7. Blijkens de brief van 3 november 2014 ziet Thuiszorg Pantein in het bezwaarschrift geen aanleiding af te wijken van het ondersteuningsplan, dat uitgaat van 2 uur per week.

8. Op 11 december 2014 heeft een tweede ‘keukentafelgesprek’ bij verzoekster plaatsgevonden. Daarop heeft Thuiszorg Pantein besloten om vanaf 12 januari 2015 3 uur per week huishoudelijke hulp in te zetten. Dit heeft Thuiszorg Pantein op 9 januari 2015 laten weten aan [persoon A]. Vervolgens is Thuiszorg Pantein failliet gegaan. Vanaf 27 januari 2015 heeft verzoekster (tijdelijk) geen huishoudelijke zorg ontvangen.

9. Op 10 februari 2015 is verzoekster met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Vanaf 24 februari 2015 ontving verzoekster weer thuiszorg, inmiddels door BrabantZorgSchoon. Bij BrabantZorgSchoon heeft verzoekster onder protest een contract getekend voor huishoudelijke zorg met een omvang van 1,5 uur per week, of 3 uur per 2 weken.

10. Op 5 februari 2015 en 18 februari 2015 heeft verzoekster gebeld met [persoon A], en haar op 16 maart 2015 een brief geschreven over de ontstane situatie. Zij geeft aan:

“Koken kan niet meer omdat de keuken twee weken vies blijft en ongedierte gaat aantrekken, baden en verschonen zelden of niet, het bad wordt vervolgens twee weken niet gedaan en een kwartier per twee weken voor de was is voor de hulp een onmogelijke taak, heel veel taken vallen onder het kopje periodiek en/of haalbaar al die taken vallen af omdat ze nooit meer te realiseren zijn in 1,5 uur per week”.

Verzoekster geeft aan dat bij het contract van BrabantZorgSchoon een formulier voor de inkoop van meer zorg is gevoegd, maar dat zij niet weet waar zij dit van gaat betalen.

11. Op 15 april 2015 heeft wederom een huisbezoek bij verzoekster plaatsgevonden. Dit is het derde ‘keukentafelgesprek’. Aanwezig waren mevrouw [persoon B] van BrabantZorgSchoon, verzoeksters buurvrouw en een bemiddelaar namens de gemeente.

12. Bij brief van 29 april 2015 heeft verzoekster de gronden van haar bezwaarschrift van 10 oktober 2014 aangevuld. De brief omvat onder meer de volgende passage:

[persoon B] geeft tijdens het gesprek al aan dat er niet gerekend moet worden op meer uren, omdat dit binnen het budget van de gemeente financieel niet haalbaar is. Het keukentafelgesprek wordt verrekend met een zorguur, omdat de gemeente de kosten van dit gesprek niet op zich neemt aldus mevr. [persoon B]. Dit uur is per direct ook in mindering gebracht. (…) BrabantZorgSchoon is een zakelijk bedrijf aldus mevr. [persoon B] tijdens het gesprek. En dus, wordt er weer niet gekeken naar de medische en persoonlijke situatie.

13. Vanaf 15 juni 2015 ontvangt verzoekster huishoudelijke zorg van zorgaanbieder Tzorg voor 2¼ uur per week. Een nieuw ondersteuningsplan is (nog) niet opgemaakt.

14. Verweerder heeft blijkens het ongedateerde verweerschrift de hem in afschrift toegezonden brief van verzoekster van 10 oktober 2014 niet als bezwaarschrift aangemerkt.

15. Verzoekster vraagt om het treffen van een voorlopige voorziening inhoudende dat zij 6 uur hulp per week krijgt overeenkomstig haar vorige indicatie totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

Ontvankelijkheid

16. De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of verzoekster tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het primaire besluit is genomen op 24 juli 2014. Vast staat dat het bezwaarschrift is ingediend buiten de bezwaartermijn, nu pas bezwaar is gemaakt op 10 oktober 2014, na het vaststellen van het ondersteuningsplan op 9 oktober 2014. De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2015 (ECLI: NL:RBROT:2015:2196) en van deze rechtbank van 12 juni 2015 (ECLI:NL:RBOBR: 2015:3340) van oordeel dat niet eerder dan na vaststelling van het ondersteuningsplan de concrete uitwerking van de in het primaire besluit vervatte indicatie voor verzoekster duidelijk kon zijn, zodat het primaire besluit en het ondersteuningsplan in samenhang moeten worden bezien; er is in die zin sprake van verlengde besluitvorming.

17. De stelling van verweerder dat de verwijzing in het besluit van 24 juli 2014 naar de verordening, de nadere regels en beleidsregels, reeds duidelijk maakt wat de omvang en aard van de zorg ten aanzien van verzoekster is, gaat naar voorlopig oordeel niet op. Kennelijk doelt verweerder hiermee op de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014 dan wel de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 van de Raad van verweerders gemeente en de door verweerder vastgestelde nadere regels 2014 en 2015. Voorts zijn op de website van verweerders gemeente twee beleidsnota’s inzake de beoogde wijze van uitvoering van de Wmo opgenomen. Echter, geen van die documenten bevat enige kwalitatieve of kwantitatieve normering van de geïndiceerde licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapkamer(s), keuken en sanitaire ruimten van verzoeksters woning.

18. Ook met het oog op een effectieve rechtsbescherming is het naar voorlopig oordeel noodzakelijk het ondersteuningsplan van 9 oktober 2014 te beschouwen als deel uitmakend van het primaire besluit. Nu verweerder kennelijk heeft beoogd met de Pilot HV 2014 vooruit te lopen op de invoering van de Wmo 2015 is de Memorie van Toelichting (MvT) bij het voorstel Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Kamerstukken II, 33841, nr. 3) van belang, die – voor zover relevant – het volgende vermeldt:

‘Een belangrijke waarborg vormt de in het wetsvoorstel opgenomen resultaatverplichting. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid is van mensen zelf. Gemeenten zijn gehouden, ter ondersteuning van mensen die niet volledig zelf kunnen voorzien in hun zelfredzaamheid en participatie of behoefte hebben aan beschermd wonen of opvang, beleid te maken. Dit beleid omvat plannen met betrekking tot het bevorderen van mantelzorg en het aanbieden van algemene voorzieningen waarmee mensen met een beperking, chronische psychische of psychologische problemen worden ondersteund bij hun participatie en zelfredzaamheid. Wanneer iemand naar het oordeel van het college niet in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en onvoldoende is geholpen met de inzet van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, beslist het college tot het verstrekken van een (individuele) maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening moet rekening houden met de uitkomsten van het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de betrokkene, en deze in staat stellen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven wonen. (…). [Uitgangspunt is] een proces waarin de gemeente en de persoon met een ondersteuningsbehoefte in samenspraak diens situatie in kaart brengen en op basis daarvan bezien op welke wijze de zelfredzaamheid en participatie van betrokkene kan worden versterkt. Uiteraard kan het voorkomen dat betrokkene het uiteindelijk niet eens is met het besluit over een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget van de gemeente.’

19. Hoewel het wetsvoorstel beoogt juridische procedures tussen gemeenten en burgers zo veel mogelijk te voorkomen - en de regering de gemeenten in dit verband wijst op de mogelijkheid om vormen van alternatieve geschillenbeslissing, zoals mediation of een ombudsfunctie te organiseren - laat dit onverlet dat:

‘(…) iemand [die] van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, daartegen bezwaar kan maken en daarna eventueel in beroep kan gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich gehouden heeft aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.’

20. Teneinde die rechterlijke toetsing mogelijk te maken is het naar voorlopig oordeel onvermijdelijk dat verweerder zelf de (in het door verweerder voorgestane systeem: door de zorgaanbieder) noodzakelijk bevonden omvang en kwaliteit van de maatwerkvoorziening vastlegt, en zich op grond daarvan een oordeel vormt over de vraag of het resultaat zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008; ECLI:NL:CRVB:2008:BG6612). Dat wordt onder de Wmo 2015 niet anders. Deze wet belegt immers – aldus de MvT – de integrale verantwoordelijkheid voor de uitvoering daarvan, waaronder de kwaliteit van de geboden maatschappelijke ondersteuning, onverminderd bij de gemeente. Het feit dat verweerder er voor heeft gekozen de omvang en de kwaliteit van de te verlenen huishoudelijke zorg in het primair besluit op geen enkele manier nader te duiden laat die rechtsplicht onverlet.

21. Gelet op het voorgaande moet het ondersteuningsplan worden beschouwd als deel uitmakend van het primaire besluit, zodat verzoekster haar bezwaar tijdig heeft ingediend.

22. Verweerders verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 13 maart 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:1272) maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank heeft daarin weliswaar geoordeeld dat door het indiceren in aandachtsgebieden voor zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden in zijn algemeenheid voldoende bepaalbaar en concreet is wat de inhoud van de aan de aanvrager toegekende indicatie is, maar daarbij wel van belang geacht dat de indicatie in aandachtsgebieden vervolgens in een specifiek plan wordt uitgewerkt waarbij dan in het individuele geval in samenspraak met de aanvrager wordt nagegaan wat nodig is om te komen tot een voldoende compensatie. Zoals deze rechtbank in voornoemde uitspraak van 12 juni 2015 heeft overwogen moet er derhalve van worden uitgegaan dat het primaire besluit, waarin concrete publiekrechtelijke rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen, pas (volledig) is genomen op 9 oktober 2014.

23. Dat verzoekster haar grieven tot Thuiszorg Pantein heeft gericht en niet tot verweerder maakt het voorgaande evenmin anders. Vast staat dat verzoekster na kennisname van het ondersteuningsplan onmiddellijk schriftelijk bezwaar heeft gemaakt bij Thuiszorg Pantein en dit in kopie aan verweerder heeft toegezonden. Uit de activiteiten van [persoon A] blijkt ook dat verweerder deze kopie heeft ontvangen. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat verweerder niet beschikt over het ondersteuningsplan, omdat de curator van Thuiszorg Pantein dit niet vrijgeeft. Onduidelijk blijft dus of in het ondersteuningsplan, dat blijkens het hiervoor overwogene als een voortzetting van de in het primair besluit aangevangen besluitvorming moet worden beschouwd, de ingevolge artikel 3:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vereiste en, gezien de hiervoor geciteerde passage, juiste, rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen. Die onduidelijkheid komt naar voorlopig oordeel voor het risico van verweerder.

24. Het belang van effectieve rechtsbescherming wordt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter nog eens onderstreept door het volgende. Onbetwist is gebleven - en de voorzieningenrechter heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van verzoeksters mededelingen ter zake (vgl. rechtsoverwegingen 10 en 12), dat verzoekster van de zijde van BrabantZorgSchoon het aanbod heeft gekregen tegen betaling extra uren in te kopen. Los van het feit dat dit een bedenkelijke vorm van koppelverkoop is bevestigt dit de juistheid van verzoeksters stelling, dat de uit de Wmo gefinancierde huishoudelijke zorg niet verder strekt dan een ‘leefbaar’ huis. Immers, zou het huis ‘schoon’ zijn, dan zou het aanbieden van extra uren zorg zinledig zijn.

Ronduit schaamteloos is voorts dat BrabantZorgSchoon het uur dat besteed is aan het derde ‘keukentafelgesprek’ in mindering heeft gebracht op de voor huishoudelijke zorg beschikbare tijd, omdat verweerder hiervoor geen geld ter beschikking stelt. Op deze wijze wordt het maken van bezwaar of het indienen van een klacht actief gefrustreerd. Verzoekster verdient het dat verweerder haar tegen dergelijke praktijken in bescherming neemt.

25. Verweerder zal gezien het voorgaande alsnog de door verzoekster in haar brief van 10 oktober 2014 geformuleerde klachten als bezwaarschrift in behandeling dienen te nemen.

Spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening

26. Vast staat dat verzoekster alleenstaand is en kampt met medische beperkingen die haar in ernstige mate belemmeren bij het voeren van het huishouden. Verzoekster beschikt niet over de financiële middelen om zelf in extra huishoudelijke hulp te voorzien in afwachting van een besluit op het bij verweerder ingediende bezwaarschrift. De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat voldaan is aan het vereiste van spoedeisend belang.

Zal het primaire besluit in bezwaar stand houden?

27. De voorzieningenrechter ziet zich voorts gesteld voor de vraag of het primaire besluit, inhoudelijk, naar verwachting in de bezwaarfase stand zal kunnen houden.

28. Verzoekster stelt dat zij vanwege de ernstige osteoporose meerdere wervelinzakkingen heeft. Dit leidt er toe dat de organen in haar borstkas worden samengedrukt, met als gevolg een beperkte longcapaciteit. Ook wordt verzoekster (reeds bij slechts licht vooroverbuigen) snel misselijk of heeft zij last van maagzuurbranden. Vanwege de chemokuren en bestralingen die zij ter bestrijding van de slokdarmkanker heeft ondergaan, schilfert de huid van verzoekster erg. Zij is dagelijks doodmoe en heeft chronische pijnklachten waarvoor zij morfinepleisters en morfinedrank gebruikt. Het lichaam van verzoekster reageert op het morfinegebruik met overmatig transpireren. Dit brengt meerwerk met zich mee, in die zin dat het bed van verzoekster regelmatig dient te worden verschoond en de slaapkamer regelmatig dient te worden gelucht, vanwege de onwelriekende geur en het feit dat het bed van verzoekster letterlijk nat van het zweet wordt. Het bed van verzoekster wordt op dit moment niet vaak genoeg verschoond. Met een spuitbus probeert verzoekster de ergste geur tegen te gaan. Vanwege haar beperkingen gebruikt verzoekster thuis een rolstoel, een trippelstoel, een traplift met heupgordel en een scootmobiel met heupgordel. In de badkamer en de verkeersruimten op de eerste verdieping is een antislipvloer aangebracht, zodat verzoekster daar met haar trippelstoel kan lopen. Tevens maakt verzoekster in bad gebruik van een badlift. Om te slapen gebruikt verzoekster een aangepast bed met een speciaal matras. Ook deze aanpassingen brengen meerwerk met zich mee, zo moet ook de badlift schoongemaakt worden. De antislipvloer mag niet gedweild, maar moet geschrobd worden. Omdat de huishoudelijke zorg niet voorziet in schrobben van vloeren wordt de antislipvloer alleen gestofzuigd. Vanwege het schilferen van de huid van verzoekster, dient het speciale matras van verzoekster met een natte doek te worden afgedaan en neemt het bed verschonen danwel opmaken daardoor meer tijd in beslag. Verzoekster is in het geheel niet in staat om zelf werkzaamheden in en om het huis uit te voeren. De enkele keer dat verzoekster zelf werkzaamheden probeerde te doen heeft zij een rib gebroken en een andere keer (na braaksel opruimen) een ontsteking in een polsgewricht opgelopen. Vanwege de hoeveelheid stof in huis moet verzoekster gezien haar beperkte longcapaciteit meer puffers gebruiken. Verzoekster heeft ter zitting foto’s getoond, waarop stofvlokken te zien zijn op de trap en op de slaapkamer van verzoekster. Mede gelet op de beperkte longcapaciteit van verzoekster wordt het huis onvoldoende stofvrij gehouden. Ook overigens wordt het huis onvoldoende schoongehouden. Zo is op de foto’s te zien dat er sprake is van donkere kringen op de badkamervloer. Verzoekster geeft daarnaast aan dat het bad ruw aanvoelt door de kalkaanslag. Er is geen mantelzorg beschikbaar. Haar enige zoon is internationaal vrachtwagenchauffeur. Hij werkt 60 tot 80 uur per week en verblijft wekelijks in het buitenland. Ook beschikt verzoekster niet over een netwerk en heeft zij geen financiële middelen om zelf huishoudelijke hulp te bekostigen.

De 2¼ uur hulp die verzoekster nu per week via Tzorg krijgt, is verre van toereikend. De hulp die verzoekster op dit moment heeft kan mede vanwege de ernstige aandoeningen van verzoekster en de daarmee gepaard gaande aanpassingen/meerwerk, onmogelijk binnen 2¼ uur het hele huis ‘schoon en leefbaar’ krijgen. Verzoekster heeft reeds via haar hulp bij de zorgcoördinator van Tzorg om meer uren hulp gevraagd, maar dat is haar door de zorgcoördinator geweigerd. Tzorg wijst naar verweerder en verweerder wijst weer naar Tzorg. Verzoekster wordt van het kastje naar de muur gestuurd terwijl haar huis verder en verder vervuilt. De situatie is thans dermate ernstig geworden, dat verzoekster om een voorlopige voorziening vraagt. Verzoekster wordt door verweerder onvoldoende in haar behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015 gecompenseerd. Verweerders verordening is onvoldoende duidelijk omschreven en onvoldoende objectief bepaalbaar. Op grond hiervan is niet dan wel in onvoldoende mate vast te stellen of verweerder een voorziening heeft getroffen die kwalificeert als compensatie in de zin van de Wmo. Verzoekster vreest dat ze in de huidige situatie niet langer in staat zal zijn om in haar eigen huis te blijven wonen.

29. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting van de voorzieningenrechter onder meer het volgende verklaard. Verzoekster kreeg bij besluit van 1 december 2010 zes uren huishoudelijke hulp per week. De bedoeling van het primaire besluit van 24 juli 2014 was dat de zorg waarvoor de indicatie bedoeld was, ook daadwerkelijk in de toekomst verleend zou worden. Verzoekster mocht er dus niet slechter op worden. De aanspraken van verzoekster worden door het primaire besluit niet minder, maar slechts anders georganiseerd. De precieze hoeveelheid uren die thans geleverd zouden moeten worden, worden niet meer vastgelegd, dat is door verweerder losgelaten. Dat betekent dat de aan verzoekster te leveren huishoudelijke hulp misschien in minder uren zou kunnen, maar het zou ook kunnen betekenen dat er meer uren, bijvoorbeeld 10 uren, nodig zijn om dezelfde kwaliteit te leveren. Het aantal uren is niet relevant, maar wel de kwaliteit. Verzoekster en de zorgaanbieder (in dit geval Tzorg) dienen in overleg tot een plan van aanpak te komen, waarin de activiteiten komen te staan die dienen te gebeuren om aan de indicatie te voldoen. De uitvoering van de geïndiceerde resultaatsgebieden is dus aan de zorgaanbieder, verweerder heeft ter zake – niet meer dan – een handhavingsplicht op het moment dat de gewenste kwaliteit niet geleverd wordt. Tot handhaving is het tot nog toe niet gekomen, op dit moment is daar wel een begin meegemaakt, nu een schrijven van verzoekster van 5 juni 2015 als bezwaarschrift door verweerder in behandeling wordt genomen. Verweerder gaat de vinger wel degelijk aan de pols leggen. Om in beeld te brengen in hoeverre Tzorg met de activiteiten die zij uitvoeren voldoen aan de aan verzoekster verstrekte indicatie van 24 juli 2014, moet er echter eerst een ondersteuningsplan van Tzorg komen.

30. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder op grond van artikel 26, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014 een besluit, genomen op grond van die verordening, geheel of gedeeltelijk kan intrekken indien:

a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;

b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.

31. Nu de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014 geen overgangsrecht bevat is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze onmiddellijke werking heeft (Aanwijzingen voor de regelgeving, nr. 166). Dit betekent dat op de intrekking van een besluit omtrent toekenning van zorg in natura dat – zoals hier – is genomen vóór de datum van inwerkingtreding van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014 artikel 26, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014 van toepassing is.

32. Op basis van het besluit van 1 december 2010, had verzoekster een indicatie voor huishoudelijke hulp in natura, voor 6 uur per week, tot 5 december 2015. Het primaire besluit van 24 juli 2014 strekt naar voorlopig oordeel tot (gedeeltelijke) intrekking van die indicatie, hetgeen thans feitelijk tot resultaat heeft dat minder dan 6 uur per week huishoudelijke hulp wordt gegeven, namelijk slechts 2¼ uur minuten per week.

33. Naar voorlopig oordeel bevat artikel 26, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, een limitatieve opsomming van de gevallen waarin intrekking van een besluit tot toekenning van zorg in natura mogelijk is. Niet gebleken is dat zich ten tijde van het bestreden besluit een van de in artikel 26, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014 genoemde gevallen voordeed. De omstandigheid dat verweerder in het kader van de pilot HV 2014 vooruitloopt op de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is niet een omstandigheid als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van die Verordening. Nu de intrekking van de lopende indicatie door de nieuwe indicatie niet volledig wordt gecompenseerd komt het primaire besluit in strijd met artikel 26 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014. Reden is dat de situatie van verzoekster niet een van de gevallen is waarin een lopende indicatie (gedeeltelijk) kan worden ingetrokken. Dit betekent dat het primair besluit, zoals uitgewerkt in het ondersteuningsplan, genomen is in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014.

34. De stelling van de gemachtigde van verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter van 9 juli 2015, dat de uitvoering van de geïndiceerde resultaatsgebieden aan de zorgaanbieder is, en dat verweerder ter zake – niet meer dan – een handhavingsplicht heeft, maakt die resultaatsverplichting gezien hetgeen hiervoor is overwogen niet anders. De voorzieningenrechter tekent hierbij aan dat verweerder tot op heden naar aanleiding van diverse klachten van verzoekster kennelijk geen aanleiding heeft gezien op enigerlei wijze handhavend op te treden, zodat het er voor moet worden gehouden dat verweerder de thans geboden huishoudelijke ondersteuning vooralsnog als voldoende compensatie beschouwt.

De voorzieningenrechter laat dan nog daar dat de bevoegdheid tot handhavend optreden een wettelijke grondslag vereist, die voorshands lijkt te ontbreken in de Verordeningen en de nadere regels van 2014 en 2015, en dat eerst aanleiding tot handhaving bestaat wanneer sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Zolang verweerder geen meetbare kwantitatieve en kwalitatieve normen met betrekking tot de te verlenen huishoudelijke zorg heeft geformuleerd valt niet goed in te zien welk voorschrift door een zorgaanbieder zou kunnen worden overtreden.

35. Ter beoordeling van de vraag of er aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening is van belang of de huishoudelijke ondersteuning die verzoekster thans ontvangt als voldoende compensatie mag gelden en of van verzoekster kan worden gevergd de uitkomst van de bezwarenprocedure (c.q. een eventuele handhavingsprocedure) af te wachten. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

36. Weliswaar indiceert verweerder formeel in resultaatsgebieden en beschikt verzoekster sinds 15 juni 2015 over een nieuwe zorgaanbieder, Tzorg, doch onbetwist is dat de indicatie door iedere zorgaanbieder die verzoekster tot op heden heeft gehad – Thuiszorg Pantein, BrabantZorgSchoon, Tzorg – onmiddellijk is vertaald in uren huishoudelijke ondersteuning. Onbetwist is voorts dat de omvang van de verleende hulp thans slechts 2¼ uur per week is in plaats van de eerdere aan verzoekster toegekende 6 uren per week.

De door verweerder na de zitting overgelegde ‘Wmo thuishulp zorgovereenkomst’ van Tzorg, die verzoekster op 15 juni 2015 heeft getekend maakt het voorgaande niet anders. Hierin zijn behoudens een voorkeur voor een dag (dinsdag) en starttijd (9.00 uur) in het geheel geen afspraken neergelegd. Onbetwist is dat er nog geen nieuw ondersteuningsplan is opgemaakt. Die omstandigheid wettigt – anders dan verweerder kennelijk ter zitting van de voorzieningenrechter bedoelde te betogen – niet dat verweerders resultaatsverplichting tot die tijd is opgeschort.

Eveneens onbetwist is dat het huis van verzoekster gezien haar beperkingen extra voorzieningen bevat (traplift, badlift, antislipvloer in verkeersruimtes, aangepast bed met speciaal matras), die evenzeer als de rest van het interieur moeten worden schoongehouden, hetgeen meerwerk oplevert ten opzichte van een standaardhuishouden.

Tenslotte is onbetwist dat de medische gesteldheid van verzoekster, waaronder overmatig transpireren, veelvuldige misselijkheid en gevoeligheid van de luchtwegen extra hoge eisen stelt aan het schoonhouden van de woning van verzoekster. De thans geboden huishoudelijke ondersteuning voldoet naar voorlopig oordeel niet aan die eisen.

Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

37. De voorzieningenrechter zal verweerder opdragen ervoor zorg te dragen dat binnen vier werkdagen na verzending van deze uitspraak verzoekster, in natura, 6 uur huishoudelijke hulp per week ontvangt overeenkomstig de haar eerder bij besluit van 1 december 2010 toegekende hulp, tot 6 weken nadat op het bezwaarschrift van verzoekster van 10 oktober 2014 is beslist.

38. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

39. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat

verweerder wordt opgedragen ervoor zorg te dragen dat binnen vier werkdagen na verzending van deze uitspraak verzoekster, in natura, 6 uur huishoudelijke hulp per week ontvangt, tot 6 weken nadat op het bezwaarschrift van verzoekster van 10 oktober 2014 is beslist;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan verzoekster te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.H.Snoeij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2015.

griffier voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden aan partijen op: