Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4307

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-07-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
15_925
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1851, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eisers aanvraag om afgifte van een Nederlands kentekenbewijs voor zijn bromfiets van het merk Kreidler afgewezen.

Gelet op de omstandigheden van dit geval is de beoordeling die verweerder heeft verricht naar het oordeel van de rechtbank niet technisch maar identificerend van aard, zodat de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen.

Het is aan eiser om aannemelijk te maken waarom verweerder zich in het bestreden besluit niet op het oordeel van de beide keurmeesters heeft mogen baseren. Dit heeft eiser onvoldoende gedaan. Hierbij weegt de rechtbank mee dat in dit geval, nu er geen sprake was van een eerdere al dan niet buitenlandse registratie van het voertuig, de identificatie ingevolge de wet alleen kan plaatsvinden op basis van de kenmerken van het voertuig. Om deze reden kunnen foto’s van andere soortgelijke voertuigen of onderdelen daarvan, waaronder de afbeeldingen die eiser op internet heeft gevonden en heeft overgelegd, zonder een nadere deskundigenrapportage die het betoog van eiser onderschrijft, slechts een beperkt gewicht in de schaal leggen.

Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/925

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW), verweerder

(gemachtigde: C.B.J. Maenhout).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om afgifte van een Nederlands kentekenbewijs voor zijn bromfiets van het merk Kreidler afgewezen.

Bij besluit van 20 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De (aanvullende) gronden dateren van 26 maart 2015 en 10 juni 2015.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn partner [naam partner] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser is al meer dan 35 jaar in het bezit van een bijna 50 jaar oude bromfiets van het merk Kreidler, type florett (de bromfiets). Op het frame van de bromfiets staat het nummer [nummer] .

Eiser heeft de bromfiets opgeknapt en daarna aan verweerder verzocht om afgifte van een Nederlands kentekenbewijs.

Op 7 augustus 2013 heeft daartoe in het RDW-keuringsstation in Den Bosch een onderzoek aan de bromfiets plaatsgevonden. De keurmeester concludeerde dat het nummer [nummer] niet het originele door de voertuigfabrikant ingeslagen voertuigidentificatienummer (VIN) was.

In overleg met eiser heeft op 20 augustus 2014 in het RDW-keuringsstation te Veldhoven opnieuw een onderzoek plaatsgevonden door een andere keurmeester. Deze kwam tot dezelfde conclusie als de keurmeester in Den Bosch.

Eiser heeft geen gebruik willen maken van de wettelijk geregelde mogelijkheid om door de RDW een forensisch voertuig identiteitsonderzoek te laten uitvoeren uit vrees dat zijn bromfiets daarbij schade zou oplopen, en uit principe, omdat het nummer [nummer] in zijn visie het origineel door de voertuigfabrikant aangebrachte nummer is.

De bromfiets is een samengesteld voertuig als bedoeld in artikel 9 van de Regeling voertuigen (de Regeling), bijlage I.

2. Bij het primair besluit heeft verweerder eisers aanvraag om afgifte van een Nederlands kentekenbewijs afgewezen. Nadat eiser op 19 november 2014 is gehoord op zijn bezwaar, heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt – kort en zakelijk weergegeven – dat hij een hoofdonderdeel van de bromfiets (het frame) niet kan identificeren omdat op het frame een van fabriekswege ingeslagen VIN ontbreekt. Het aanwezige nummer [nummer] is niet door de voertuigfabrikant aangebracht. Daarom weigert hij de inschrijving en tenaamstelling van de bromfiets. Eiser heeft daartegen aangevoerd –- eveneens kort en zakelijk weergegeven – dat het framenummer [nummer] wel degelijk door de voertuigfabrikant is aangebracht. Het besluit is niet zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende onderbouwd.

Bevoegdheid van de rechtbank

3. Verweerder heeft betoogd dat het onderhavige geschil betrekking heeft op een technische kwestie als bedoeld in artikel 8:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat er daarom geen beroep op de rechter mogelijk is. Eiser heeft dit standpunt bestreden onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1081).

4. De rechtbank oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder c, van de Awb kan, voor zover thans van belang, geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een technische beoordeling van een voertuig.

In de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling stond de vraag centraal wat de betekenis was van een door een andere lidstaat van de Europese Unie voor een voertuig afgegeven kentekenbewijs, bij het afgeven van een Nederlands kentekenbewijs voor dat voertuig door de RDW. In die kwestie oordeelde de Afdeling dat de door de RDW verrichte beoordeling van het voertuig geen technische beoordeling van een voertuig betrof, als bedoeld in bovenvermeld artikel, maar dat de beoordeling identificerend van aard was. Ook in de omstandigheden van dit geval is de beoordeling die verweerder heeft verricht naar het oordeel van de rechtbank niet technisch maar identificerend van aard, zodat de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen.

Inhoudelijke beoordeling

5. Het wettelijk kader

5.1

Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (WVW), voor zover thans van belang, vinden inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling, op de door de RDW vastgestelde wijze plaats op aanvraag van de bij a tot en met c vermelde (rechts)personen.

5.2

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Regeling kan in het kader van een aanvraag tot inschrijving of tenaamstelling door de RDW het VIN worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Regeling wordt het VIN vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in bijlage 1 (de bijlage).

5.3

Ingevolge artikel 5 (Identificatie), vierde lid, van de bijlage wordt geen VIN vastgesteld indien, voor zover thans van belang, een of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren.

In artikel 5, vijfde lid, is bepaald dat, indien naar het oordeel van de RDW een VIN niet is vast te stellen, geen VIN door de RDW wordt toegekend.

Ingevolge artikel 6 (Nader onderzoek) van de bijlage kan RDW een nader onderzoek instellen indien twijfel bestaat over de juistheid van het VIN, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen VIN ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of gedeeltelijk onleesbaar is geworden.

Ingevolge artikel 9 van de bijlage wordt het VIN van een samengesteld voertuig voorzien van een frame bepaald door het frame.

6. Het oordeel van de rechtbank

De bromfiets en het op de bromfiets aanwezige nummer [nummer] zijn op 7 augustus 2013 in het RDW-keuringsstation te Den Bosch onderzocht. De keurmeester van de RDW kwam tot het oordeel dat het op het frame aanwezige nummer niet het oorspronkelijke nummer is dat door de voertuigfabrikant is ingeslagen. Nadien is in overleg met eiser, die het niet eens was met het oordeel van de keurmeester, de bromfiets op 20 augustus 2014 opnieuw onderzocht in het RDW-keuringsstation te Veldhoven. Het onderzoek vond plaats door een andere keurmeester. Deze keurmeester oordeelde: “Het ingeslagen VIN is niet origineel. Het is niet de wijze […] waarop Kreidler het VIN inslaat. De cijfers van het VIN zijn zeer grof ingeslagen. Het typeplaatje is los geweest.”.

De betrokken keurmeesters hebben, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, een opleiding voor hun werkzaamheden genoten en beschikken over ervaring. Zij zijn op basis van afzonderlijk eigen onderzoek tot hetzelfde oordeel gekomen. In deze situatie is het aan eiser om aannemelijk te maken waarom verweerder zich in het bestreden besluit niet op het oordeel van de beide keurmeesters heeft mogen baseren. De stelling van eiser dat een van de keurmeesters op basis van twee foto’s als zijn mening te kennen gaf dat het VIN slechts op één manier kon worden aangebracht, terwijl dit volgens eiser onjuist is, is daartoe onvoldoende. Hierbij weegt de rechtbank mee dat in dit geval, nu er geen sprake was van een eerdere al dan niet buitenlande registratie van het voertuig, de identificatie ingevolge de wet alleen kan plaatsvinden op basis van de kenmerken van het voertuig. Om deze reden kunnen foto’s van andere soortgelijke voertuigen of onderdelen daarvan, waaronder de afbeeldingen die eiser op internet heeft gevonden en heeft overgelegd, zonder een nadere deskundigenrapportage die het betoog van eiser onderschrijft, slechts een beperkt gewicht in de schaal leggen.

Niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de conclusies van de keurmeesters de aanvraag van eiser om een Nederlands kentekenbewijs terecht heeft afgewezen. De gronden van eiser slagen niet.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L.W.M. Viering, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.