Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4305

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
01/880381-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2724, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag (gepleegd in Eindhoven in oktober 2014), huisvredebreuk en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het slachtoffer betreft de 17-jarige ex-vriendin van verdachte.

Voorwaardelijk opzet.

Volwassenenstrafrecht wordt toegepast.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van voorarrest. De eis van de officier van justitie was een gevangenisstraf van 12 jaar.

Aan de moeder en zus van het slachtoffer dient schade te worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880381-14

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 februari, 15 april, 1 juli en 7 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 januari 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 juli 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 26 oktober 2014 te Eindhoven opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] toen en aldaar met kracht geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of doen verstikken door haar hals met kracht samen te drukken en/of haar neus en/of mond dicht te drukken tengevolge waarvan haar ademhaling werd belemmerd en zij is overleden;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 oktober 2014 te Eindhoven aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door haar meermalen met kracht te slaan en/of door op andere wijze ernstig geweld jegens haar toe te passen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

2. hij op of omstreeks 05 oktober 2014 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,

in een woning, gelegen [adres 2] en in gebruik bij [benadeelde partij 1], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen;

3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 tot en met 5 oktober 2014 te Eindhoven en/of Geldrop, in elk geval in het arrondissement Oost Brabant,

[slachtoffer] en/of [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte (meermalen) opzettelijk dreigend tegen [slachtoffer] gezegd "Je moet nu meekomen anders maak ik jullie dood" en/of "dan ga ik nu naar jullie huis en maak ik jullie mam dood" en/of "ik zou maar gewoon naar buiten komen want anders sta ik bij jullie binnen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of is hij, verdachte, de (door [slachtoffer] en [benadeelde partij 1] overhaast verlaten) woning binnengedrongen en/of heeft hij aldaar opzettelijk dreigend een mes achtergelaten;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij [slachtoffer], al dan niet met voorbedachte raad heeft gedood. Daarnaast wordt hem verweten dat hij huisvredebreuk heeft gepleegd in de woning van haar moeder [benadeelde partij 1] en dat hij [slachtoffer] en haar moeder heeft bedreigd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de in feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachten raad heeft gehandeld, zodat verdachte van de in feit 1 impliciet primair ten laste gelegde moord moet worden vrijgesproken.

De officier van justitie acht voorts de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten raad en verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van de hem onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde moord.

De verdediging acht ook de aldaar impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag niet wettig en overtuigend bewezen nu bij verdachte het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer ontbrak.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde acht de verdediging niet bewezen dat “zwaar” lichamelijk letsel is toegebracht. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een bewezenverklaring ter zake “mishandeling, de dood ten gevolge hebbend”.

Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 3 refereert de verdediging zich eveneens aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de zinsnede “en/of heeft hij aldaar opzettelijk dreigend een mes achtergelaten”. Wat betreft dit laatste deel van de tenlastelegging onder feit 3 dient vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank.1

Ten aanzien van feit 1, primair:

Vaststaande feiten en omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat in de nacht en vroege ochtend van 26 oktober 2014 het volgende is gebeurd.

Op 26 oktober 2014 ontmoeten verdachte en [slachtoffer] elkaar op het Stratumseind te Eindhoven2, nadat [slachtoffer] verdachte om 02:46 uur (zomertijd) heeft gebeld3. Ondanks dat verdachte weet dat aan hem een contactverbod met [slachtoffer] was opgelegd4, hebben zij zich van hun vrienden en het Stratumseind verwijderd om samen te zijn. Nadat zij op meerdere plaatsen in het centrum van Eindhoven (met beider instemming) seksueel contact hebben gehad5, komen zij uit op het terrein van [bedrijf 1] aan de Vestdijk te Eindhoven6. Zij zijn daar in de galerij te zien op camerabeelden vanaf het tijdstip 02:44:07 uur tot 02:49 uur (wintertijd). Daarna verdwijnen zij uit het beeld van de camera van de galerij. Op beelden van een andere camera die een plein van [bedrijf 1] in beeld brengt, is te zien dat zij zich direct daarna begeven naar een plek op dat plein waar die camera, vanwege aldaar staande bomen, geen (direct) zicht op heeft.

Om 03:17:54 uur is verdachte weer (rennend) in beeld en hij verlaat dan het terrein van [bedrijf 1]7.

Op 26 oktober 2014 omstreeks 06:45 uur wordt [slachtoffer] door haar moeder als vermist opgegeven.8

Later die dag, te weten omstreeks 18:45 uur, wordt het levenloze lichaam van [slachtoffer] gevonden op het terrein van [bedrijf 1] te Eindhoven.9

Door de politie zijn de camerabeelden van [bedrijf 1] tussen de tijdstippen 02:49:54 uur (wintertijd) en 18:18:50 uur (wintertijd, tijdstip ter plaatse komen politie) bekeken. In deze tijd is er niemand naar de plaats gegaan waarheen verdachte en [slachtoffer] liepen en achter de boom uit het zicht raakten. De enige persoon die in deze tijd vanaf dat punt het terrein van [bedrijf 1] heeft verlaten, is verdachte.10

Sectie op het lichaam van [slachtoffer] heeft uitgewezen dat haar dood goed verklaard kan worden door effecten van verstikking, ontstaan door geweld op de hals, geweld op de mond-neusregio met als gevolg belemmering van de luchtwegen, elk op zich dan wel in combinatie.11

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij samen met [slachtoffer] was op de hiervoor genoemde tijdstippen. Hij heeft verklaard dat hij, op de plek waar [slachtoffer] uiteindelijk is aangetroffen, ruzie met haar kreeg. Hij heeft haar eerst twee tikken op haar wang gegeven. Daarna heeft hij haar een aantal harde vuistslagen in het gezicht gegeven en heeft hij zijn beide handen om haar nek gehouden en met twee duimen haar keel dichtgeknepen totdat zij niet meer bewoog. Hierna is verdachte van die plek weggerend.12

Aannemelijkheid verklaring verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 26 oktober 2014, nadat [slachtoffer] en hij naar de plek waren gelopen waar [slachtoffer] uiteindelijk is aangetroffen, ruzie met haar heeft gekregen.

Hij heeft verklaard dat hij haar als eerste een tik met de vlakke hand in haar gezicht heeft gegeven, gevolgd door een tweede, wat hardere tik in het gezicht.

Hierna zou [slachtoffer] verdachte naar de keel zijn gevlogen en zou zij zijn keel hebben dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden. Omdat verdachte hierdoor pijn ervoer en omdat zij niet losliet heeft verdachte [slachtoffer] een aantal harde vuistslagen in het gezicht gegeven. Ondanks de harde klappen en het feit dat zij hierdoor tot bloedens toe gewond raakte aan neus en mond liet zij hem, aldus verdachte, niet los en bleef zij doorgaan met het dichtknijpen van diens keel.

Verdachte wilde [slachtoffer] naar zijn zeggen laten voelen wat hij voelde en heeft vervolgens haar keel met twee duimen stevig dicht geknepen en dichtgeknepen gehouden. Hij wilde pas loslaten zodra [slachtoffer] hem losliet. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer] hem inderdaad losgelaten, waarbij haar armen langs/op haar lichaam zijn gevallen. Volgens verdachte bewoog [slachtoffer] op dat moment niet meer en is hij in paniek van de plek weggerend.

[slachtoffer] heeft zich volgens verdachte positioneel steeds (half hangend) onder, doch in ieder geval lager, dan verdachte bevonden.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] in dezelfde positie heeft achtergelaten als dat zij op de foto’s in het dossier te zien is.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de aannemelijkheid van de verklaring van verdachte, over hoe de ruzie tussen hem en [slachtoffer] is verlopen, als volgt.

Het lichaam van [slachtoffer] is op de plaats delict onderzocht en gefotografeerd.

Ten aanzien van de foto met nummer 65 wordt de volgende omschrijving gegeven: “Op zowel de palmzijde, de rugzijde, de strek-, buigzijde en tussen de vingers van de linkerhand was bloed zichtbaar (foto 65)” . Voorts is bij de sectie geconstateerd dat er krasvormige beschadigingen waren aan de randen van het uitwendig letsel aan de hals.

Verdachte is op 26 oktober 2014 eveneens forensisch onderzocht en gefotografeerd.

Aan de linkerzijde van zijn hoofd ter hoogte van zijn wang was een kleine verwonding van ongeveer 15 millimeter te zien. Aan de rechterzijde van zijn hoofd ter hoogte van zijn wang was eveneens een verwonding te zien, rond van vorm.

Verdachte had voorts een verwonding aan zijn wijsvinger en pink van zijn rechterhand.

Verdachte is de enige verklarende bron over de laatste momenten van het leven van het slachtoffer. [slachtoffer] kan het verhaal van verdachte niet meer bevestigen of ontkrachten. Derhalve moet de rechtbank de aannemelijkheid van het verhaal van verdachte toetsen aan de hand van objectieve gegevens.

De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat er inderdaad een ruzie is ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer], waarbij niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] verdachte, nadat hij haar een tweetal tikken in het gezicht had gegeven, bij de keel heeft gegrepen.

Echter, de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] hem bij de keel is blijven grijpen tot het moment dat haar armen op de grond vielen, acht de rechtbank ongeloofwaardig en niet te rijmen met het ontbreken van enig spoor daarvan in de nek of hals van verdachte, alsmede met de foto’s van [slachtoffer], waarop te zien is dat de handen en onderarmen van [slachtoffer] bloedsporen vertonen. Het kan niet anders zijn dan dat [slachtoffer] de keel van verdachte heeft losgelaten op een moment nadat verdachte haar de vuistslagen in haar gezicht heeft gegeven. De hoeveelheid bloed op haar handen en onderarmen is niet te verklaren aan de hand van de minimale verwondingen van verdachte in zijn gelaat. Derhalve gaat de rechtbank er vanuit dat het bloed op de handen en onderarmen van [slachtoffer] (merendeels) haar eigen bloed betreft. De rechtbank gaat er voorts vanuit dat het bloed op de handen en onderarmen van [slachtoffer] daar is gekomen, doordat zij getracht heeft zich te bevrijden uit de verwurging door verdachte. Het sectierapport biedt hiervoor ook ondersteuning. In het rapport wordt opgemerkt dat de krasvormige beschadigingen aan de randen van het uitwendig letsel aan de hals kunnen zijn opgeleverd door bijvoorbeeld krassen met nagels van [slachtoffer] zelf in het kader van bevrijdingspogingen.

Ook de verwondingen in het gezicht van verdachte kunnen, naar het oordeel van de rechtbank, duiden op afweer van [slachtoffer]. Daarbij past ook de staat van de trui die verdachte droeg ten tijde van het ten laste gelegde. Op de foto van deze trui is te zien dat er met name aan de onderzijde van de mouwen bloed zit.

De rechtbank acht mitsdien de verklaring van verdachte vanaf het moment dat hij [slachtoffer] de vuistslagen in het gezicht heeft gegeven onaannemelijk en acht gaat uit van het volgende scenario:

Verdachte en [slachtoffer] hebben een woordelijke ruzie gekregen.

Verdachte heeft [slachtoffer] tweemaal met de vlakke hand op het gezicht geslagen waarna [slachtoffer] verdachte bij de keel heeft gegrepen.

[slachtoffer] bevond zich positioneel onder verdachte.

Verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens een aantal harde vuistslagen in het gezicht gegeven waardoor zij letsel heeft bekomen en (hevig) is gaan bloeden.

[slachtoffer] heeft hierna de hals van verdachte losgelaten en heeft getracht zich te bevrijden uit de inmiddels door verdachte rondom haar hals gelegde handen. Hierdoor heeft zij haar eigen bloed op haar handen en onderarmen gekregen. Verdachte heeft de hals van [slachtoffer] dermate lang dichtgeknepen dat zij op enig moment in een staat van (minst genomen) bewusteloosheid is geraakt, waarna haar armen zijn neergevallen in de positie als te zien op de eerdergenoemde foto.

Opzet op de dood.

De vraag is aan de orde of verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte opzettelijk – in de zin van voorwaardelijk opzet – [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Dit kan worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen. Immers, verdachte heeft opzettelijk de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden waardoor zij geen adem meer kon halen. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand als gevolg van dergelijk geweld de aanmerkelijke kans loopt zodanig zuurstofgebrek te bekomen, dat hij/zij als gevolg daarvan het leven kan verliezen. De gedraging van verdachte was dan ook geëigend om [slachtoffer] te doden. De verdachte moet daarvan, evenals ieder ander weldenkend mens, op de hoogte zijn geweest.

De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het doden van [slachtoffer], dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van zijn bewezenverklaarde handelen zou sterven en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Voorbedachten raad.

Met de officier van justitie en de verdediging heeft de rechtbank uit de bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat het handelen van verdachte voortkomt uit een vooropgezet en overdacht plan.

In Whatsapp-gesprekken tussen verdachte en [slachtoffer] die hebben plaatsgevonden in de weken voorafgaand aan hun fatale samenkomst, heeft verdachte opvallende uitlatingen gedaan. Zo heeft hij gezegd:

“(…) Je gaat niet! Anders heb je een heel groot probleem (…) Dan weet je waar je ligt (…) Dan ga je eraan!!!” (p. 595/596)

“(…) Nu naar mij komen dan; oke dood dan” (p. 599)

“(…) Hoelang jij leeft bedoel je? Niet heel lang” (p. 599)

In een Whatsapp-gesprek met een vriend, dat acht dagen voor de dood van [slachtoffer] werd gevoerd, heeft verdachte gezegd:

(…) “Ja word gek van da wijf he; Ben er nu anderhand wel klaar mee; Ga er binnen nu en 2 weken wa aan doen (…) Binnenkort ga ik actie ondernemen hoe dan ook.” (p. 620/621)

Hoe ernstig en, in het licht van wat er uiteindelijk is gebeurd, hoe wrang deze woorden ook zijn, zij zijn nog niet bewijzend voor een vooropgezet en concreet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte tijdens deze gesprekken een verdere bedoeling heeft gehad dan imponeren, dwingen en bedreigen. Er blijkt niet van een genomen besluit om te doden. Bovendien is niet gebleken dat verdachte de ontmoeting met [slachtoffer] in de nacht van 26 oktober 2014 voorzien had. Verdachte en [slachtoffer] hadden toen, zeer kort voor haar dood, in het openbaar, nog seksueel contact en uit niets is gebleken dat [slachtoffer] dit niet heeft gewild. Evenmin is gebleken dat zij tegen haar wil naar de plaats delict is meegevoerd. De rechtbank acht het, zoals hiervoor beschreven, aannemelijk dat zij daar vrijwillig mee naar toe is gegaan en dat hierna een ruzie is ontstaan die in de dood van [slachtoffer] heeft geresulteerd.

Aldus ontbreekt het bewijs dat verdachte op enig moment het besluit heeft genomen om [slachtoffer] te doden en de tijd heeft gehad zich te beraden op dat besluit.

Conclusie.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten raad. De rechtbank zal verdachte van dat strafverzwarend element vrijspreken.

Gelet op de bewezenverklaring van de doodslag komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van hetgeen onder feit 1, subsidiair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 2:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting13, de aangifte door [slachtoffer]14 en [benadeelde partij 1]15, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 oktober 2014 wederrechtelijk is binnengedrongen in de woning aan de [adres 2] te Geldrop, welke woning in gebruik was bij [benadeelde partij 1].

Ten aanzien van feit 3:

Gelet op de aangiftes door [slachtoffer]16 en [benadeelde partij 1]17 en de verklaring van [benadeelde partij 2]18 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] en [benadeelde partij 1] op 5 oktober 2014 in Eindhoven en/of Geldrop heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hij heeft daarbij de woorden gebezigd “Je moet nu meekomen anders maak ik jullie dood” en “dan ga ik nu naar jullie huis en maak ik jullie mam dood” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en tevens is hij de woning aan de [adres 2] te Geldrop binnengedrongen, een actie die onder deze omstandigheden als bedreigend heeft te gelden.

[slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 5 oktober 2014 kort na middernacht met verdachte ruzie heeft gekregen in [café 1] te Eindhoven. Zij begroette daar een vriend met drie zoenen en daar werd verdachte erg boos over. Verdachte werd het café uitgezet maar in [café 2] kwam aangeefster verdachte toch weer tegen. Hij was nog steeds boos en zei tegen aangeefster “Je moet nu meekomen anders maak ik jullie dood.” Op het moment dat verdachte zag dat aangeefster niet mee ging hoorde aangeefster verdachte tegen haar zeggen “dan ga ik nu naar jouw huis en maak ik jullie mam dood!”.

Later die dag, omstreeks 20.30 uur, is aangeefster door verdachte gebeld. Ze gaf aan dat ze niet wilde dat hij naar haar toe zou komen. Hij werd boos aan de telefoon en zei dat hij er toch aan zou komen. Aangeefster hoorde hem zeggen “Ik zou maar gewoon naar buiten komen want anders sta ik bij jullie binnen”.

[benadeelde partij 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij getuige was van het telefoongesprek dat haar dochter [slachtoffer] met verdachte voerde in de avond van 5 oktober 2014. Op een gegeven moment was de situatie dusdanig bedreigend dat zij besloten heeft met haar dochters de woning te verlaten.

Na thuiskomst rond 23:15 uur hebben zij en haar dochters gezien dat van de woning twee ruiten waren vernield en dat in een slaapkamer van de woning het licht aan was, terwijl dat eerder, bij het verlaten van de woning, niet het geval was.

[benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij heeft gehoord dat verdachte op 5 oktober 2014 in een café tegen haar zus [slachtoffer] heeft gezegd dat zij mee naar buiten moest komen, dat [slachtoffer] dat niet wilde en dat verdachte daarom nog bozer werd. Verdachte zei tegen [slachtoffer] dat hij haar dood zou maken als zij niet mee naar buiten zou gaan. Op een later tijdstip riep verdachte tegen getuige “Als [slachtoffer] nu niet meekomt dan maak ik jullie dood of ga ik nu naar jullie huis en dan is jullie moeder dood.” In de avonduren van 5 oktober 2014, omstreeks 20:30 uur heeft getuige van [slachtoffer] gehoord dat verdachte naar hun woning wilde komen. Hierna hebben getuige, haar moeder en haar zus de woning verlaten en bij terugkomst om omstreeks 23:15 uur zag getuige dat er twee ruitjes van de voordeur kapot waren en dat er in de woning een deur open stond terwijl dat eerder, bij het verlaten van de woning, niet het geval was.

Ten aanzien van het onderdeel “en/of heeft hij aldaar opzettelijk dreigend een mes achtergelaten” overweegt de rechtbank, dat er weliswaar aanknopingspunten19 zijn dat er een mes op de mat voor de voordeur van de woning aan de [adres 2] te Geldrop lag, maar dat zich ten aanzien van de wijze waarop dat mes daar lag slechts één verklaring in het dossier bevindt, waardoor het wettige en overtuigende bewijs ontbreekt dat verdachte dat mes aldaar met de opzet van bedreiging heeft neergelegd.

Verdachte zal derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 26 oktober 2014 te Eindhoven opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] toen en aldaar met kracht geslagen en/of gestompt en doen verstikken door haar hals met kracht samen te drukken ten gevolge waarvan haar ademhaling werd belemmerd en zij is overleden

2. op 05 oktober 2014 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, in een woning, gelegen [adres 2] en in gebruik bij [benadeelde partij 1], wederrechtelijk is binnengedrongen

3. op tijdstippen op 5 oktober 2014 te Eindhoven en/of Geldrop, [slachtoffer] en/of [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen [slachtoffer] gezegd "Je moet nu meekomen anders maak ik jullie dood" en "dan ga ik nu naar jullie huis en maak ik jullie mam dood" en "ik zou maar gewoon naar buiten komen want anders sta ik bij jullie binnen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en is hij, verdachte, de woning binnengedrongen

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Door GZ-psycholoog drs. M.M.F. van Casteren en psychiater E.M.M. Mol zijn op 5 respectievelijk 15 februari 2015 rapportages uitgebracht, waarin beiden concluderen dat verdachte, ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde, niet lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Verdachte is derhalve volledig toerekeningsvatbaar te houden voor hetgeen hem ten laste is gelegd.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de straftoemeting passend bij “mishandeling, de dood ten gevolge hebbend” en verzoekt de rechtbank daarbij expliciet rekening te houden met de jeugdigheid van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Adolescententrafrecht

Ten aanzien van het adolescentenstrafrecht overweegt de rechtbank (ambtshalve) als volgt.

Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten toch het adolescentenstrafrecht toe te passen, indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De hiervoor genoemde pro justitia rapportages20 vermelden dat er in de persoonlijkheid van verdachte, noch in diens functioneren, indicaties zijn gevonden die een pedagogische insteek noodzakelijk maken. Ook anderszins is er geen aanleiding voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Hoewel uit de hiervoor genoemde pro justitia rapportages blijkt dat de persoonlijkheid van verdachte nog niet voldoende is uitgerijpt, zijn er naar het oordeel van de rechtbank in die persoonlijkheid en in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, geen indicaties die aanleiding zijn het adolescentenstrafrecht toe te passen.

De rechtbank zal dan ook het volwassenenstrafrecht toepassen.

Omstandigheden ten nadele van verdachte

De verdachte heeft aan [slachtoffer], zijn 17-jarige ex-vriendin, het meest kostbare ontnomen dat een mens bezit: het leven. In de weken daarvoor heeft hij haar angst aangejaagd door haar te bedreigen met de dood en haar huis binnen te dringen. Ook haar gezinsleden heeft hij op die manier angst aangejaagd. Er is in strafrechtelijk opzicht geen direct verband tussen de bedreigingen en de dood van [slachtoffer] maar het leven in angst in de weken vóór haar dood, weegt de rechtbank mee bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Aan de nabestaanden van [slachtoffer] is onherstelbaar leed toegebracht. Haar moeder heeft – mede namens [slachtoffer] zus – een slachtofferverklaring voorgedragen, waarin zij het leed dat hen is aangedaan zeer treffend onder woorden heeft gebracht. Het moeten missen van hun dochter en zus, het ongewis blijven over haar laatste levensmomenten en de gedachte aan dat zij op de plaats van het delict alleen werd achtergelaten, grijpen diep in hun levens in. Ook de impact van dit verlies en de wijze waarop dit verlies tot stand is gekomen weegt mee bij het bepalen van de strafmaat.

Een levensdelict als de bewezenverklaarde doodslag schokt de rechtsorde en de omstandigheden waaronder het lichaam van [slachtoffer] is gevonden brengt in een brede kring van omstanders en in de samenleving in het algemeen verbijstering en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank er voorts rekening mee dat verdachte ten tijde van het gebeurde op 26 oktober 2014 een contactverbod met [slachtoffer] had, maar haar – ondanks diverse waarschuwingen van vrienden – toch ontmoet heeft.

De verdachte heeft ter zitting spijt betuigd van wat hij heeft gedaan. Hij heeft gezegd dat hij verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] en dat hij op vele momenten anders had moeten handelen. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis, in het nadeel van de verdachte meegewogen dat verdachte geen oprechte spijt, schuld of schaamte heeft betuigd. De rechtbank ziet dit anders. De gedragsdeskundigen hebben vastgesteld dat de emotionele ontwikkeling van verdachte nog niet is uitgerijpt en dat er narcistische persoonlijkheidstrekken zijn. Tegen die achtergrond heeft verdachte naar zijn vermogen spijt betuigd en inzicht in zijn handelen getoond. Enig tekortschieten daarin mag dan ook niet tot verzwaring van de straf leiden. Hetzelfde geldt voor het gevaar dat verdachte in de toekomst opnieuw een soortgelijk delict zal plegen. De gedragsdeskundigen hebben geen verhoogd risico op het plegen van een nieuw levensdelict kunnen vaststellen, wel een matig verhoogd risico op huislijk geweld. Dit is onvoldoende om de straf te verzwaren.

Omstandigheden ten voordele van verdachte

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank er ook rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld, zij het dat dit aspect bij een feit als het onderhavige nauwelijks gewicht in de schaal legt.

Voorts houdt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte. De rechtbank doet dit mede omdat zowel de psychiater als de psycholoog in de hiervoor genoemde pro justitia rapportages aangeven dat de persoonlijkheid van verdachte nog niet voldoende uitgerijpt is.

Ten aanzien van de straf

Doodslag behoort tot de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht. De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit feit tot uitdrukking gebracht door daarop 15 jaar gevangenisstraf als strafmaximum te stellen. Voor deze feiten worden doorgaans langdurige gevangenisstraffen opgelegd. De hoogte van de eis van de officier van justitie is echter niet in lijn met de straffen die in vergelijkbare doodslagsituaties zijn opgelegd.

Al de hierboven genoemde aspecten bepalen de hoogte van de straf en brengen de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Op deze gevangenisstraf zal de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht in mindering worden gebracht.

De rechtbank legt een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich voor wat betreft de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling. De rechtbank merkt op dat [benadeelde partij 2] weliswaar niet in de bewezenverklaring van feit 2 of 3 genoemd wordt, maar ziet haar desondanks als rechtstreeks benadeelde van feit 2 aangezien zij eveneens in de woning genoemd bij feit 2 woonde.

De rechtbank acht beide vorderingen in hun geheel toewijsbaar; ten aanzien van de immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening en ten aanzien van de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vorderingen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregelen.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert; ten aanzien van de immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening en ten aanzien van de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vorderingen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 55, 57, 138, 285, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:doodslagT.a.v. feit 2:in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen (in eendaadse samenloop begaan met feit 3)T.a.v. feit 3:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegdVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3:Maatregel van schadevergoeding van € 25.366,49 subsidiair 161 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] van een bedrag van € 25.366,49 (zegge: vijfentwintigduizend driehonderdzesenzestig euro en negenenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 161 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 23.866,49 aan materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het bedrag aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 oktober 2014) tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering (1 juli 2015) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], van een bedrag van € 25.366,49 (zegge: vijfentwintigduizend driehonderdzesenzestig euro en negenenveertig eurocent), te weten € 1.500,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 23.866,49 aan materiële schadevergoeding.

Het bedrag aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 oktober 2014) tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering (1 juli 2015) tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 1.517,10 subsidiair 25 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] van een bedrag van € 1.517,10 (zegge: duizend vijfhonderdzeventien euro en tien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 17,10 aan materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het bedrag aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 oktober 2014) tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indienen van de vordering (1 juli 2015) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], van een bedrag van € 1.517,10 (zegge: duizend vijfhonderdzeventien euro en tien eurocent), te weten € 1.500,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 17,10 aan materiële schadevergoeding.

Het bedrag aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 oktober 2014) tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indienen van de vordering (1 juli 2015) tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 21 juli 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, onderzoek “Ceres”, dossiernummer PL2233/2014150954, afgesloten d.d. 31 december 2014, aantal doorgenummerde bladzijden: 1903, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij dit proces-verbaal.

2 Verklaringen getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], blz. 265, 277 resp. 282

3 Proces-verbaal van bevindingen blz. 377, 378 en 381

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2015

5 Getuigen [getuige 4] (blz. 336-337), [getuige 5] (blz. 340-341) [getuige 6] (blz. 343-344) en [getuige 7] (blz. 345-346)

6 Proces-verbaal beschrijving camerabeelden blz. 104-106

7 Proces-verbaal beschrijving camerabeelden blz. 105-106

8 Proces-verbaal van bevindingen blz. 87

9 Proces-verbaal blz. 14 alsmede proces-verbaal van bevindingen identificatie blz. 95

10 Proces-verbaal van bevindingen blz. 106

11 Pathologie onderzoek d.d. 30 januari 2015 blz. 1268

12 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2015

13 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2015

14 Aangifte [slachtoffer] blz. 1117, 1120

15 Aangifte [benadeelde partij 1] blz. 1126, 1127

16 Aangifte [slachtoffer] blz. 117-1123

17 Aangifte [benadeelde partij 1] blz. 1126, 1127

18 Getuige [benadeelde partij 2] blz. 1130

19 Aangifte [benadeelde partij 1] blz. 1126-1127 en getuige [getuige 8] d.d. 23 april 2015, documentcode 20150423.1430.20559, blz. 1 en 2

20 Rapport van GZ-psycholoog drs. M.M.F. van Casteren d.d. 5 februari 2015, blz. 27 en rapport van psychiater E.M.M. Mol d.d. 15 februari 2015, blz. 25