Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:427

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-01-2015
Datum publicatie
29-01-2015
Zaaknummer
3613839
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

OR verzoekt OR-lid uit te sluiten van alle werkzaamheden van de OR op grond van artikel 13 WOR.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden artikel 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/208
RAR 2015/70
TvPP 2015, afl. 2, p. 60
JAR 2015/44 met annotatie van mr. C. Nekeman
AR-Updates.nl 2015-0089
OR-Updates.nl 2015-0049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton Eindhoven

Zaaknummer : 3613839

EJ verz. : 14-829

Uitspraak : 29 januari 2015

in de zaak van:

De Ondernemingsraad Gemeente Eindhoven,

gevestigd te Eindhoven,

verzoekster,

gemachtigde: mr. C.P. van den Eijnden,

t e g e n :

de heer [verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. A.H.G.M. van den Boomen-Meeuwissen.

Partijen worden hierna genoemd “OR” en “[verweerder]”.

1 Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit het volgende:

  1. het verzoekschrift ex artikel 13 WOR met producties;

  2. het verweerschrift met producties;

  3. de mondelinge behandeling die op 15 januari 2015 heeft plaatsgevonden, ten behoeve waarvan beide partijen producties hebben toegezonden. De gemachtigden hebben op de zitting nog spreekaantekeningen voorgedragen.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

De OR verzoekt uit hoofde van artikel 13 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] uit te sluiten van alle werkzaamheden van de ondernemingsraad voor de rest van de zittingsperiode en [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

De OR baseert zijn verzoek, kort weergegeven, op het volgende.

[verweerder] is al vele jaren OR-lid van de Gemeente Eindhoven. Als OR-lid belemmert hij de werkzaamheden van de OR ernstig. Deze belemmering bestaat uit zijn handelen op basis van geruchten dan wel het wandelgangenorakel. De OR verliest haar geloofwaardigheid als hij zomaar handelt naar de suggestieve verhalen van [verweerder]. [verweerder] weigert steeds deze geruchten te onderbouwen. [verweerder] trekt het handelen van de OR in twijfel, conformeert zich niet aan afspraken. Hij handelt niet naar de gedragscode van de OR. [verweerder] maakt zich schuldig aan stemmingmakerij. [verweerder] heeft verschillende petten op. Uit hoofde van al deze rollen laat hij zich kritisch uit. Bepaalde uitlatingen zijn schadelijk voor de OR omdat de medewerkers [verweerder] niet los kunnen zien van zijn OR-lidmaatschap. [verweerder] neemt zijn verantwoordelijkheden als OR-lid niet in acht. [verweerder] heeft meegewerkt aan een brief van het CNV en heeft de geheimhoudingsplicht geschonden. [verweerder] toont geen enkel zelfinzicht en is niet bereid aan een oplossing mee te werken. De samenwerking met de OR-leden is onmogelijk gemaakt. De OR heeft unaniem zijn vertrouwen in [verweerder] opgezegd.

2.3.

[verweerder] heeft tegen het verzoek, kort weergegeven, het navolgende tot verweer aangevoerd.

[verweerder] voert aan dat de OR hem onterecht neerzet als lastig en een dwarsligger. Hij betwist dat de OR gemotiveerd heeft aangetoond dat hij de OR ernstig heeft belemmerd. De OR geeft juist blijk van het niet waarderen van een proactieve, kritische houding van een OR-lid. [verweerder] stelt dat hij niet handelt op basis van geruchten, maar dat hij geen namen en rugnummers wenst te noemen van zijn informatiebronnen omdat de jarenlange ervaring in de gemeenteraad hem geleerd heeft dat dit tot repercussies voor de betrokken personen kan leiden. [verweerder] betwist de geheimhoudingsplicht te hebben geschonden. [verweerder] heeft erkend een beperkte bijdrage te hebben gehad aan de brief van het CNV, terwijl ook andere informanten door de CNV zijn benaderd. Hij heeft aangegeven aan mediation te willen meewerken nadat de OR zijn naam heeft gezuiverd. De verdere samenwerking in de OR zal wat hem betreft op een professionele manier lopen. De verhoudingen zijn niet verstoord.

2.4.

De nadere stellingen van partijen komen hieronder, voor zover relevant, aan de orde.

3. De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast.

a. [verweerder] is al vele jaren lid van de OR van de Gemeente Eindhoven;

b. De OR bestaat uit 17 leden (momenteel 16 inclusief [verweerder]);

c. De huidige zittingsperiode van de OR loopt van 1 februari 2013 tot 1 februari 2017;

d. [verweerder] is ook actief als CNV vakbondslid, (waarnemend) lid van het Georganiseerd Overleg en als vakbondsconsulent.

3.2.

De kantonrechter stelt voorop dat een OR binnen een onderneming een publieke functie heeft waarin de verschillende groepen in de onderneming zich vertegenwoordigd weten. Wil ingevolge artikel 13 WOR een OR-lid worden uitgesloten van deelname aan de OR moet er sprake zijn van ernstige belemmeringen van de werkzaamheden van de OR, die uitsluiting van een OR-lid rechtvaardigen. Van een ernstige belemmering kan sprake zijn als een groot deel van de OR weigert om nog langer met het OR-lid samen te werken. Hiervoor dient wel sprake te zijn van een gefundeerd bezwaar tegen samenwerking met het OR-lid. Het zijn van kritisch OR-lid duidt nog niet op ernstige belemmeringen.

3.3.

Vast is komen te staan dat de samenwerking in de OR ernstig verstoord is. De OR-leden hebben unaniem hun vertrouwen in [verweerder] opgezegd. [verweerder] heeft door zijn handelwijze blijk gegeven geen vertrouwen te hebben in de integriteit van de OR-leden. Hij wil geen namen en rugnummers van zijn informanten noemen. [verweerder] geeft de OR hierdoor onvoldoende mogelijkheden, te weinig concrete aanwijzingen, om op grond van zijn inbreng, actie te kunnen ondernemen of op onderzoek uit te gaan. Dit belemmert de OR in zijn functioneren. Op basis van de beperkte informatie die de OR van [verweerder] krijgt, kan de OR weinig ondernemen richting de bestuurder. [verweerder] noemt zijn inbreng signalen vanaf de werkvloer die naar zijn mening onterecht niet door de OR worden opgepakt. [verweerder] kan de OR echter geen verwijt maken op dit punt. Het is de taak van een OR om de betrouwbaarheid van informatie te controleren. Bij gebrek aan onderbouwing kunnen deze signalen door de OR alleen gekwalificeerd worden als geruchten. De samenwerking binnen de OR lijdt hieronder omdat onderling vertrouwen wel noodzakelijk is. De geloofwaardigheid van de OR wordt geschaad op het moment dat naar aanleiding van de door [verweerder] ingebrachte informatie gehandeld zou worden, in het geval die informatie achteraf onjuist blijkt te zijn.

3.4.

Ook heeft [verweerder] herhaalde malen, ook op de zitting, geuit dat hij vindt dat de OR-leden het te veel het bestuur naar de zin willen maken en te weinig oog hebben voor de achterban. Dit zijn ernstige beschuldigingen die niet zijn onderbouwd door [verweerder]. Uit de overgelegde stukken komt niet een beeld naar voren van een OR die ver verwijderd is van de werkvloer. Het is mogelijk dat [verweerder] niet persoonlijk achter de door de OR gekozen werkwijze staat. Een OR, zeker in een periode van onrust wegens reorganisatie, moet echter eensgezind naar buiten toe treden. In de gedragscode die [verweerder] heeft geaccepteerd, hoewel door hem niet ondertekend, is dit ook vastgelegd. Door als individueel lid in het openbaar opmerkingen te maken die in strijd zijn met de binnen de OR gemaakte afspraken, belemmert [verweerder] de samenwerking tussen hem en de overige OR-leden. De onduidelijkheid die ontstaat is ook niet in het belang van de medewerkers. De geloofwaardigheid van de OR wordt daarmee beschadigd. [verweerder] maakt onderdeel uit van de OR. Het is aan hem om zich te confirmeren aan de standpunten van de OR en deze naar buiten toe uit te dragen, ook al heeft hij een andere mening. Het ligt op de weg van [verweerder] om zich als OR-lid terug te trekken op het moment dat hij zich niet kan verenigen met de visie en afgesproken werkwijze van de OR.

3.5.

De kantonrechter stelt vast dat er nauwelijks sprake is van samenwerking. Zoals de OR meerdere malen heeft herhaald, kritisch zijn mag, maar [verweerder] ondermijnt de samenwerking met de andere OR-leden als hij gemaakte afspraken openlijk afvalt. Het functioneren van de OR wordt hierdoor ernstig bemoeilijkt. [verweerder] draagt verschillende petten in de organisatie als het gaat om vertegenwoordiging en medezeggenschap. [verweerder] dient deze petten naar de organisatie toe duidelijk te onderscheiden, zodat op het moment dat hij zich uitlaat of een mening geeft vanuit een bepaalde rol, helder is welke achtergrond daarbij hoort. Van medewerkers, de overige OR-leden, de bestuurder en anderen kan niet verwacht worden dat zij altijd weten namens wie [verweerder] spreekt. Ze hoeven dit wellicht niet altijd te weten als [verweerder] zijn verantwoordelijkheid neemt om ervoor te blijven zorgen dat misverstanden voorkomen worden. Als [verweerder] in het openbaar kritiek levert die de OR raakt, brengt hij het handelen van de OR en zijn integriteit in twijfel. Vanzelfsprekend is dit een onwenselijke situatie.

3.6.

Een belangrijk verwijt van de OR over het individueel optreden van [verweerder] en zijn dwarsbomen van de samenwerking met de OR, volgt uit de verklaring van de gemeentesecretaris, WOR-bestuurder. Zij heeft verklaard dat [verweerder] in de overlegvergaderingen opmerkingen maakt en vragen stelt op persoonlijke titel, zonder dat dit door de OR als geheel wordt gedragen, zodat niet met één mond wordt gesproken. Verder verklaart de gemeentesecretaris dat zij heeft ervaren dat [verweerder] niet als OR-lid maar op persoonlijke titel informatie uit de overlegvergaderingen met het Georganiseerd Overleg en met bestuurders deelt. Dat weet zij omdat zij door individuele wethouders na een overlegvergadering geconfronteerd is geweest met vragen of informatie die zij tijdens de overlegvergadering had verstrekt. Dit is vervelend omdat [verweerder] de informatie in een andere context gebruikte en niet namens de OR optrad, maar op persoonlijke titel. [verweerder] handelt daarmee buiten het weten van de OR om. [verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief, omdat de gemeentesecretaris deze niet namens B&W heeft geschreven. [verweerder] heeft aangegeven dat hij niet weet over welke informatie het precies gaat, maar dat niet alles wat in de OR besproken wordt vertrouwelijk is. Hij heeft echter niet bestreden dat hij, zoals de gemeentesecretaris heeft verklaard, wel informatie deelt zonder medeweten van de OR en dat hij afwijkende standpunten uitdraagt.

3.7.

Op 22 mei 2014 heeft de CNV een kritische brief aan het college van B&W gestuurd over de reorganisatie bij de Gemeente Eindhoven. De OR was niet vooraf van deze brief op de hoogte. Toen hij deze onder ogen kreeg herkende de OR eerder gemaakte opmerkingen en standpunten van [verweerder] daarin, zoals bijvoorbeeld het gebruik van de term angstcultuur en bedrijfsadviseur. De brief deed veel stof opwaaien en werd ook in de media overgenomen. De bestuurder heeft de OR aangesproken op de inhoud ervan. [verweerder] heeft als vakbondsconsulent een rol gespeeld bij de totstandkoming van de inhoud van deze brief van het CNV. De precieze mate van betrokkenheid van [verweerder] bij het opstellen van deze brief is onduidelijk gebleven. [verweerder] heeft erkend een aandeel te hebben gehad in het tot stand komen van deze brief. Deze brief is voor de OR wel de druppel geweest op basis waarvan zij het vertrouwen in [verweerder] heeft opgezegd. Volgens de OR zat deze brief vol onjuistheden. Voor de OR bleek hieruit dat [verweerder] het meerderheidsstandpunt van de OR niet accepteerde en daar niet naar handelde. [verweerder] meent dat hij uit hoofde van zijn rol als vakbondsconsulent dat kon doen. Hiermee gaat [verweerder] voorbij aan zijn verantwoordelijkheid als OR-lid om zorgvuldig om te gaan met het uitdragen van standpunten die de positie van de OR in negatieve zin zouden kunnen raken.

3.8.

Volgens de OR levert de handelwijze van [verweerder] een schending op van de geheimhoudingsplicht. De vertrouwelijke informatie die gedeeld wordt in de OR-vergaderingen en de gesprekken die daar gevoerd worden mogen niet doorgespeeld worden aan anderen. Daarnaast heeft [verweerder] een e-mail over het door de OR voorgestelde mediation traject met een derde gedeeld, wat een schending van de geheimhouding oplevert, aldus de OR. De kantonrechter overweegt dat niet vast is komen te staan dat [verweerder] zich daaraan schuldig heeft gemaakt. De OR heeft onvoldoende concreet gespecificeerd welke informatie [verweerder] tegen welke precieze afspraken in, heeft verspreid. Terecht heeft [verweerder] aangevoerd dat niet per se alles wat binnen de OR besproken wordt, de kwalificatie krijgt ‘vertrouwelijk’. Wat de e-mail over mediation betreft, kan [verweerder] geen verwijt worden gemaakt dat hij zoiets dergelijks met een vertrouwenspersoon/collega bespreekt. Zeker nu het gaat om een kwestie die hem persoonlijk raakt.

3.9.

Aan de inzet en betrokkenheid van [verweerder] wordt niet getwijfeld. Kennelijk geniet [verweerder] steun en waardering vanuit verschillende geledingen en vanuit de achterban. De OR dient echter alle medewerkers te vertegenwoordigen en op constructieve wijze met de bestuurder te overleggen. Op het moment dat de OR ernstig belemmerd wordt in haar functioneren gaat dit ten koste van iedereen. Aan deze situatie moet zo snel mogelijk een einde worden gemaakt, temeer nu de organisatie zich in een indringend reorganisatieproces bevindt. In dit geval betekent het dat als het gebrek aan samenwerking met [verweerder] de OR ernstig belemmert in haar werkzaamheden, de positie van [verweerder] binnen de OR onmogelijk is geworden.

3.10.

De kantonrechter stelt vast dat de OR het vertrouwen in [verweerder] heeft opgezegd en dat de OR niet met [verweerder] als OR-lid wil samenwerken. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de OR voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin artikel 13 WOR toegepast kan worden. De OR heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat [verweerder] de OR ernstig belemmert in haar werk. [verweerder] heeft zich meerdere malen niet bereid verklaard mee te werken aan mediation zonder dat de OR hem excuses maakt. De OR heeft aangegeven dat dit juist uit de mediation naar voren moet komen. Als excuses aan de orde blijken te zijn dan zal de OR dat zeker doen. De OR heeft meerdere voorstellen gedaan om met [verweerder] in gesprek te geraken om de samenwerking te verbeteren en zelfs om met elkaar in training te gaan. [verweerder] weigert om in overleg te gaan. [verweerder] miskent dat beide partijen bereid moeten zijn om met een open instelling aan mediation te beginnen. De houding van [verweerder] geeft onvoldoende blijk van zijn inzet om tot een goede samenwerking te komen. Het bovenstaande houdt in dat de vordering van de OR toegewezen zal worden.

3.11.

Gezien de aard van de procedure worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

4 De beslissing

bepaalt dat [verweerder] vanaf heden van alle werkzaamheden van de Ondernemingsraad van de Gemeente Eindhoven uitgesloten wordt voor de rest van de zittingsperiode, zijnde tot 1 februari 2017;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M.A. van der Put, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2015.