Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:421

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-01-2015
Datum publicatie
02-02-2015
Zaaknummer
3498402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

huur kappersruimte in zorginstelling; beperkende voorwaarden; ondernemersrisico afnemend aantal klanten; 6:248 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2015/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 3498402

Rolnummer : 14-8838

Uitspraak : 29 januari 2015

in de zaak van:

Van Neynselstichting,

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

eiseres,

gemachtigde: LAVG,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 1],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘Van Neynselstichting’ en ‘[gedaagde]’.

1 De procedure

Van Neynselstichting heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. [gedaagde] is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen bepaald. Van Neynselstichting heeft ten behoeve van de comparitie nog stukken ingezonden. De comparitie heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Van Neynselstichting vordert betaling van € 1.466,08, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

Van Neynselstichting legt daaraan het volgende ten grondslag.

Zij heeft aan [gedaagde] verhuurd de bedrijfsruimte, zijnde een kappersruimte, in verzorgingshuis Zuiderschans te ’s-Hertogenbosch voor een periode van 1 jaar, ingaande 1 juli 2012. De huurovereenkomst is verlengd, maar is door [gedaagde] opgezegd en beëindigd per 15 december 2013. De huurprijs bedroeg € 482,24 per maand. [gedaagde] is nog de huur verschuldigd van oktober tot en met 15 december 2013, zijnde in totaal € 1.205,60.

De verschuldigde buitengerechtelijke kosten bedragen € 180,84. De verschuldigde wettelijke handelsrente bedraagt tot 26 september 2014 € 79,64.

2.2.

[gedaagde] heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

De huurperiode voor het eerste jaar zou op 1 juli 2013 aflopen. Van Neynselstichting heeft mij in maart 2013 een nieuw contract aangeboden. Omdat er geruchten gingen dat de Zuiderschans zou worden gesloopt heb ik aangedrongen op een halfjaarcontract, want ik wilde niet plotseling zonder klanten zitten. Dat heb ik op 21 maart 2013 gekregen. Mij werd verzekerd dat de sluiting pas in 2016 zou zijn.

Na maart 2013 ging de klandizie snel achteruit en heb ik huurverlaging gevraagd omdat de inkomsten steeds lager werden. De bewoners konden zich bij andere verzorgingshuizen inschrijven met bemiddeling van de Zuiderschans. Daardoor ging de klandizie nog sneller naar beneden. Het werd steeds moeilijker om inkomsten te verkrijgen. Ik moest steeds meer interen. Ik heb dat regelmatig bij de managers van de Zuiderschans aangegeven, maar ik moest mij aan het contract houden. Ik heb op een gegeven moment gevraagd of ik per 1 december 2013 kon stoppen, maar dat was niet mogelijk.

Nadat ik ziek werd heeft de manager mij op 13 december 2013 gebeld met de vraag waar ik bleef en dat ik het niet kon maken ziek te zijn. Zij heeft vervolgens die morgen een kapster in de kapsalon gezet die mijn werkzaamheden overnam. Later die dag heeft mevrouw [naam manager] mij gebeld en gevraagd of ik niet per 16 december 2013 wilde stoppen. Daar heb ik mee ingestemd.

Ik heb daarna een uitkering aangevraagd omdat ik zoveel was ingeteerd dat ik mijn gezin niet kon onderhouden.

Ik ben van mening dat Van Neynselstichting een verkeerde voorspiegeling van de zaken heeft gegeven waar het de toekomst van de Zuiderschans betreft. In het tweede contract was ook ineens vermeld dat tussentijdse opzegging niet mogelijk was. Er is sprake van contractbreuk door Van Neynselstichting.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat, op basis van de stukken van het geding dan wel het ter zitting verhandelde, het volgende vast.

Van Neynselstichting heeft aan [gedaagde] verhuurd de bedrijfsruimte, zijnde een kappersruimte, in verzorgingshuis Zuiderschans te ’s-Hertogenbosch voor een periode van 1 jaar, ingaande 1 juli 2012. De aanvangshuurprijs bedroeg € 417,- per maand. De kappersruimte is ingericht verhuurd.

Ingevolge de huurovereenkomst is het gehuurde een niet voor publiek toegankelijk lokaal; er is sprake van een beperkte toegang en een beperkte klantenkring, daar het [gedaagde] slechts is toegestaan om kappersdiensten te verlenen aan personen die als cliënten verblijven in verzorgingshuis Zuiderschans, de bezoekers van cliënten en aan vrijwilligers of personeel dat daar werkzaam is.

In maart 2013 hebben partijen gesproken over verlenging van de huurovereenkomst. Omdat de Zuiderschans in 2016 zou worden gesloten heeft [gedaagde] aangedrongen op een verlenging van het contract voor slechts een half jaar. Het contract is aldus verlengd tot 1 januari 2014. De huurprijs is, inclusief servicekosten, bepaald op € 482,24 per maand. Daarbij is een vermindering van € 121,- per maand inbegrepen. In het contract is bepaald dat tussentijdse opzegging door de huurder niet mogelijk is. Tussentijdse opzegging door de verhuurder is volgens het contract wel mogelijk, namelijk in het geval de huurder niet naar tevredenheid functioneert, ter beoordeling van verhuurder.

Nadat [gedaagde] in december 2013 ziek was geworden heeft Van Neynselstichting op 13 december een andere kapster in het gehuurde bewoners van Zuiderschans laten kappen.

Op voorstel van Van Neynselstichting is de huurovereenkomst vervolgens per 16 december 2013 beëindigd.

[gedaagde] heeft de huur en servicekosten over de maanden oktober, november en december (tot en met 15 december) 2013 niet betaald.

3.2.

Ter comparitie heeft [gedaagde] toegelicht dat zij na maart 2013 steeds minder klanten kreeg, omdat veel bewoners verhuisden (met bemiddeling van Zuiderschans). Bovendien had zij concurrentie van andere kappers die bewoners van Zuiderschans kapten en die in de hal openlijk voor zichzelf reclame mochten maken door briefjes op te hangen en van wie Zuiderschans op verzoek de telefoonnummers aan bewoners verstrekte. Voorts heeft zij ten aanzien van haar inkomsten toegelicht dat zij in oktober 2013 nog maar enkele klanten heeft gehad en dat zij de verschuldigde huur uit eigen middelen heeft moeten betalen en zou moeten betalen.

Van de zijde van Van Neynselstichting is erkend dat Zuiderschans per 1 januari 2016 gaat sluiten en er in 2013 al bewoners verhuisden, en dat ook andere kappers in Zuiderschans actief waren en enkele daarvan in de hal reclame voor zichzelf maakten, maar zij heeft aangevoerd dat het aantal bewoners dat in 2013 is verhuisd niet groot is (27 van de 134), dat de kaartjes van de andere kappers uit de hal zijn verwijderd, dat zij geen telefoonnummers van andere kappers aan bewoners heeft verstrekt en dat zij het bewoners niet kan verbieden een andere kapper te kiezen. Volgens Van Neynselstichting schoot [gedaagde] tekort in haar ondernemerschap, in haar commercialiteit; zij zou beter reclame voor zichzelf hebben kunnen maken. Voorts heeft Van Neynselstichting betwist dat [gedaagde] in oktober 2013 maar enkele klanten heeft gehad.

3.3.

Uit de hiervoor vermelde vaststaande feiten blijkt al dat [gedaagde] beperkt was in het drijven van haar onderneming. Zij mocht in het gehuurde immers geen klanten van buiten Zuiderschans kappen. Van Neynselstichting was niet slechts de verhuurder van [gedaagde]. Zij oefende ook toezicht uit op de wijze waarop [gedaagde] haar werkzaamheden verrichtte. Zo oefende Van Neynselstichting toezicht uit op de kwaliteit van de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden. Zij kon een klanttevredenheidsonderzoek instellen, zo blijkt uit de overgelegde en door [gedaagde] geparafeerde Service Level Agreement, en zij hield toezicht op het door [gedaagde] gehanteerde prijsniveau. Als [gedaagde] naar het oordeel van Van Neynselstichting niet naar tevredenheid functioneerde was Van Neynselstichting ingevolge de huurovereenkomst bevoegd de huurovereenkomst tussentijds op te zeggen. Tussentijdse opzegging was voor [gedaagde] echter niet mogelijk.

Voorts was [gedaagde] verplicht om in geval van ziekte en vakantie vervanging te regelen. En er golden voor [gedaagde] regels met betrekking tot haar gedrag en voorkomen. Het was haar verboden om tijdens het werk gebruik te maken van mobiele telefoon ten behoeve van privédoeleinden.

3.4.

De gang van zaken op 13 december 2013 illustreert het voorgaande: [gedaagde] was ziek en had kennelijk geen vervanging geregeld; Van Neynselstichting heeft ingegrepen en heeft een andere kapster in het gehuurde bewoners laten kappen. [gedaagde] had de kappersruimte weliswaar gehuurd, maar als zij bij afwezigheid geen vervanging had geregeld was het Van Neynselstichting toegestaan om het gehuurde ter beschikking van een andere kapster te stellen.

3.5.

Hieruit blijkt dat [gedaagde] niet zomaar een bedrijfsruimte/kapsalon huurde waarin zij als zelfstandige haar eigen onderneming kon drijven, maar dat zij als “ondernemer” volledig ingesnoerd zat door allerlei aanvullende bepalingen. Het is, gelet op deze aanvullende bepalingen, niet duidelijk wat [gedaagde] als zzp-er onderscheidde van een werknemer die als kapster bij Van Neynselstichting in dienst is. De belangrijkste verschillen lijken te zijn dat Van Neynselstichting [gedaagde] niet hoefde te betalen voor haar werkzaamheden (en geen werkgeverslasten voor haar behoefde te dragen), maar dat [gedaagde] daarentegen aan Van Neynselstichting diende te betalen, en dat het ondernemersrisico volledig op [gedaagde] was afgewenteld.

In dat verband is het opmerkelijk dat, hoewel [gedaagde] voor de exploitatie van haar onderneming volledig afhankelijk was van de klandizie van de bewoners van Zuiderschans, zij daarbinnen wel moest concurreren met derden en voldoende ‘commercieel’ geacht werd te zijn door zichzelf aan te prijzen en klanten te werven. Het moge duidelijk zijn dat Van Neynselstichting de bewoners niet kan verplichten zich bij [gedaagde] te laten kappen, maar zij heeft niet verhinderd dat andere kappers [gedaagde] in het gebouw concurrentie konden aandoen door kaartjes met hun gegevens op te hangen en zo klanten onder de bewoners te werven.

3.6.

De afname van klanten als gevolg van verhuizing in verband met de op handen zijnde sluiting van Zuiderschans is ook voor (het ondernemers-)risico van [gedaagde] gekomen. Kennelijk is ongeveer 20% van de bewoners in 2013 al verhuisd. Dat zal zonder twijfel tot afname van klanten van [gedaagde] hebben geleid.

Hoewel niet zonder meer aannemelijk is dat [gedaagde] in oktober 2013 slechts enkele klanten heeft gehad, is wel aannemelijk dat zij – ondanks de huurverlaging van € 121,- - het laatste half jaar het hoofd niet boven water heeft kunnen houden en dat zij is ingeteerd op haar reserves. Het heeft op de weg van Van Neynselstichting gelegen, mede gelet op de omstandigheid dat zij de arbeidsvoorwaarden van [gedaagde] vrijwel volledig bepaalde althans in haar greep had, om [gedaagde] tegemoet te komen door haar ofwel een verdere verlaging van de huurprijs aan te bieden ofwel in te gaan op haar verzoek om de huurovereenkomst eerder te beëindigen. (Een eerdere beëindiging kon kennelijk wel toen [gedaagde] ziek was en er bewoners in paniek raakten omdat dreigde dat ze niet voor de kerstdagen konden worden geknipt.)

3.7.

De kantonrechter leest het verweer van [gedaagde] zo dat zij van mening is dat het onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Van Neynselstichting thans de gehele huur over de maanden oktober, november en december tot 15 december 2013 vordert. Dat verweer dient te worden gehonoreerd.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] over de maanden oktober en november de helft van de huur verschuldigd is en vanaf 1 december 2013 in het geheel geen huur meer.

Dat betekent dat [gedaagde] nog een bedrag va € 482,24 aan Van Neynselstichting verschuldigd is. Dit bedrag is toewijsbaar.

Als [gedaagde] voor dit bedrag een betalingsregeling wil treffen dient zij contact met de gemachtigde van Van Neynselstichting op te nemen.

3.8.

Gelet op voorgaande overwegingen is er onvoldoende grond voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, aangezien [gedaagde] op betaling van een te hoog bedrag is aangesproken.

3.9.

De gevorderde wettelijke handelsrente is eveneens te hoog, want over een te hoog bedrag berekend. De wettelijke handelsrente over voormeld bedrag is toewijsbaar vanaf 1 januari 2014.

3.10.

Omdat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van de procedure worden gecompenseerd als na te melden.

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Van Neynselstichting te betalen de somma van € 482,24, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot de dag van voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2015.