Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4036

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
14_3606
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De advocaten mr. H.M.S. Cremers en mr. J.J. Serrarens hebben namens 58 gedetineerden (29 per persoon) uit verschillende penitentiaire inrichtingen een kort geding gevoerd tegen de Staat der Nederlanden over het gewijzigde regime dat in alle inrichtingen op 1 maart 2014 is ingevoerd. Verweerder heeft voor deze procedure (uiteindelijk) één toevoeging per advocaat verstrekt. Hij stelt dat het kort geding was gericht op het ongedaan maken van de wijzigingen, zodat sprake is van één rechtsbelang. Voorts is er niet voldaan aan beide vereisten voor het aannemen van een diversiteit aan procedures zoals genoemd in het Handboek Toevoegen.

Volgens eisers is sprake van meerdere rechtsbelangen en, evident, van samenhangende procedures.

De rechtbank volgt eisers in hun stelling dat in de Wet op de rechtsbijstand in de onderhavige situatie geen grondslag kan worden gevonden voor het afgeven van slechts twee toevoegingen. In de procedure zijn voor iedere gedetineerde hem- of haarzelf betreffende feiten en gronden ten grondslag gelegd. De onderlinge verschillen hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om voor ieder een zelfstandig rechtsbelang aan te nemen. De uitspraken van de Afdeling waar verweerder naar heeft verwezen kunnen hier niets aan af doen, gelet op het feit dat in de onderhavige zaken geen sprake is van enige verknochtheid op basis van een familie- of samenlevingsverband.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechtsbijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/3606, SHE 14/3527

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2015 in de zaak tussen

SHE 14/3606

[eiser 1] , te [woonplaats] ), eiser 1

(gemachtigde: mr. H.M.S. Cremers),

[eiseres 2] , te [woonplaats] , eiseres 2,

SHE 14/3527

[eiser 3] , woonplaats kiezende te [woonplaats] , eiser 3,

(gemachtigde: mr. J.J. Serrarens)

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. W.C.M. Smits).

Procesverloop

Bij besluiten van 1 september 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de toevoeging met kenmerk 1GT6638 (SHE 14/3606) en de toevoeging met nummer 1GS9202 (SHE 14/3527) ingetrokken.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten rechtstreeks beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Eiseres 2 is verschenen en heeft tevens eiser 1 vertegenwoordigd. Eiser 3 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Mr. H.M.S. Cremers en mr. J. Serrarens hebben een kort geding gevoerd tegen de Staat der Nederlanden namens 58 gedetineerden uit verschillende inrichtingen tegen het gewijzigde regime dat in alle penitentiaire inrichtingen op 1 maart 2014 is ingevoerd. Mr. Cremers en mr. Serrarens hebben voor 58 gedetineerden -29 per persoon- een toevoeging verzocht. Mr. Cremers en mr. Serrarens nemen deel aan de High Trust regeling, hetgeen betekent dat aanvragen om een toevoeging automatisch worden verstrekt en er enkel een financiële toets plaatsvindt. Op 9 juli 2014 heeft verweerder een voornemen uitgebracht om de reeds verstrekte toevoegingen in te trekken en per advocaat slechts één toevoeging te verstrekken voor de kort geding procedure. Tegen het voornemen kon een zienswijze ingediend worden. De Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand heeft advies uitgebracht, waarna een besluit in primo is genomen. Door verweerder zijn 28 toevoegingen per advocaat ingetrokken, waaronder ook de toevoeging verleend aan eiser 1. Één toevoeging per advocaat is in stand gebleven. In deze toevoeging zijn extra uren toegekend. Tussen partijen is afgesproken dat rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder stelt dat de inwerkingtreding van de Spog (regeling Selectie plaatsing en overplaatsing gedetineerden) en het daarop volgende besluit van de staatssecretaris van 17 maart 2014 tot het wijzigen van de bestemming van alle penitentiaire inrichtingen naar die van instellingen met een regime van beperkte gemeenschap de aanleiding vormden tot het voeren van het kort geding en het kort geding was gericht op het ongedaan maken van de wijzigingen. Allen hadden ditzelfde rechtsbelang. Voor alle rechtzoekenden wordt getracht om het ingevoerde regime ongedaan te maken en de situatie zoals deze voor de invoering was te laten herleven. Niet kan gesproken worden van zelfstandige rechtsbelangen. Voorts is er niet voldaan aan beide vereisten voor het aannemen van een diversiteit aan procedures zoals genoemd in het Handboek Toevoegen (het Handboek) in aantekening 1 bij artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

Eisers stellen zich op het standpunt dat er in de situatie zoals beschreven onder artikel 32 Wrb met name sprake is van slechts één rechtzoekende die tegelijkertijd of achtereenvolgens meer dan één aanvraag om rechtsbijstand indient. Dit is nadrukkelijk gesteld in de eerste alinea van aantekening 1 in het Handboek. In het onderhavige geval betrof het 58 verschillende rechtzoekenden. De grondslag voor de intrekking van 56 toevoegingen is onjuist.

Uit aantekening 2 van het Handboek inzake artikel 32 Wrb blijkt dat uit concrete omstandigheden moet blijken of er sprake is van hetzelfde rechtsbelang. Alle 58 cliënten hadden een eigen zelfstandig rechtsbelang. Het betreft gedetineerden uit verschillende penitentiaire inrichtingen die allen hun eigen verhaal hebben omdat het ingevoerde regime bij ieder van hen anders werd en wordt ingevuld.

Vervolgens stellen eisers dat er sprake is van een situatie ex artikel 11, tweede lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr). In dit artikel wordt uitgegaan van twee of meer rechtzoekenden. Er is evident sprake van samenhangende procedures.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 10 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3343) moeten, gelet op de tekst van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang bezien, in geval van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meer toevoegingen worden verstrekt. Als er één rechtsbelang is, kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van behandeling van een procedure in meer dan één instantie.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria wordt in dit besluit onder rechtsbelang verstaan het belang voor de behartiging waarvan de rechtzoekende rechtsbijstand verzoekt, voor zover dat belang hem rechtstreeks en individueel aangaat.

Volgens aantekening 2 bij artikel 32 van de Wrb van het Handboek is het begrip rechtsbelang in artikel 1 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria gedefinieerd als het belang waarvoor de rechtzoekende rechtsbijstand aanvraagt. Aldus gedefinieerd zal in de beoordeling moeten worden betrokken wat het door de rechtzoekende met de rechtsbijstand beoogde eindresultaat is, met welk oogmerk rechtsbijstand is verzocht. De wijze waarop het belang behartigd wordt en de wegen die daartoe bewandeld worden, zijn voor de beoordeling minder bepalend. Bij de beoordeling van vervolgaanvragen gaat het veeleer om de vraag of de werkzaamheden waarvoor toevoeging wordt aangevraagd, dienen ter behartiging van hetzelfde rechtsbelang waarvoor reeds eerder is toegevoegd. Indien sprake is van een samenstel van belangen, zal moeten worden beoordeeld of deze ieder afzonderlijk een zelfstandige betekenis hebben, dan wel zo nauw met elkaar samenhangen dat niet gesproken kan worden van een zelfstandig rechtsbelang.

Eisers hebben gesteld dat de wijzigingen voor iedere gedetineerde, of in ieder geval per penitentiaire inrichting, andere gevolgen hebben. Verweerder heeft dit niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat gesteld kan worden dan iedere gedetineerde aan de vordering hem- of haarzelf betreffende feiten en gronden ten grondslag hebben gelegd. Deze verschillen hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om voor eiser 1 en 3 een zelfstandig rechtsbelang aan te nemen. De uitspraken van de Afdeling (ECLI:NL:RVS: 2012:BX5992 en ECLI:NL:RVS:2013:BY9229) waar verweerder naar verwezen heeft kunnen hier niets aan af doen, gelet op het feit dat in de zaken van eisers geen sprake is van enige verknochtheid op basis van een familie- of samenlevingsverband.

Verweerder heeft ten onrechte de verleende toevoegingen ingetrokken op grond van artikel 32 van de Wrb. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor eiser 1 en eiser 3 vast op elk € 980,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 aan eisers 1 en 2 en van
    € 45,00 aan eiser 3 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 980,00 voor eiser 1 en € 980,00 voor eiser 3.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Belt - Brouns, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2015.

griffier rechter

De rechter is niet in staat deze

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.