Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:4007

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
14_3874
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwleges. De heffingsambtenaar heeft voldoende aangetoond dat opbrengstlimiet niet is overschreden. ROEB-lijst ten onrechte toegepast omdat het bouwwerk in dit geval redelijkerwijs niet kan worden geacht te zijn opgenomen in de ROEB-lijst. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/54
Belastingblad 2016/65
FutD 2016-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/3874

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2015 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [eiseres] B.V., te [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. van Bommel),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oss, verweerder

(gemachtigde: mr. E.G. Borghols).

Procesverloop

Bij nota van 19 maart 2014 heeft verweerder aan eiseres leges in rekening gebracht tot een bedrag van in totaal € 366.277,35, bestaande uit leges in verband met een bouwactiviteit (€ 366.117), het realiseren van een uitweg waarbij de uitvoering in eigen beheer wordt verricht (€ 114,35) en een binnenplanse afwijking (€ 46).

Bij besluit van 23 september 2014 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder de leges gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingestuurd. Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Voor eiseres is verschenen T.J.M. van de Maazen, directeur, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

Eiseres heeft op 31 januari 2014 een aanvraag ingediend voor, onder meer, een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), ten behoeve van de nieuwbouw van een distributiecentrum aan het [adres] (hierna: het distributiecentrum).

Op 13 maart 2014 is de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder heeft voor het in behandeling nemen van deze aanvraag overeenkomstig de bij de Verordening op de heffing en invordering van Leges 2014 van de gemeente Oss (de Legesverordening) behorende Tarieventabel leges geheven, zoals vermeld in het procesverloop. Aan de hand van de zogeheten ROEB-lijst (overzicht bouwkosten van het Regionaal Overleg Eindhoven Bouwtoezicht) heeft verweerder de bouwkosten van het distributiecentrum bepaald op

€ 12.368.825. Deze bouwkosten liggen ten grondslag aan de geheven leges voor de aangevraagde omgevingsvergunning.

Geschil en beoordeling

1. De rechtbank stelt voorop dat enkel de in rekening gebrachte leges voor de aangevraagde bouwactiviteit ter hoogte van € 366.117 in geschil zijn.

Kostendekkendheid Legesverordening

2. Eiseres heeft als meest ver strekkende beroepsgrond aangevoerd dat niet controleerbaar en toetsbaar kan worden vastgesteld dat de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet niet wordt overschreden. De bij de bestreden uitspraak op bezwaar overgelegde onderbouwing van de kostendekkenheid ziet louter op leges voor omgevingsvergunningen. Bij gebrek aan inzicht in de kostendekkendheid van de leges voor alle in de Legesverordening opgenomen diensten, betwist eiseres dat de Legesverordening voldoet aan deze norm.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de door hem in beroep ingebrachte gegevens voldoende is onderbouwd dat de opbrengstlimiet niet is overschreden.

4. Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden de tarieven voor de te heffen rechten ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van die rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

5. Voor haar beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden en de stelplicht en bewijslast daaromtrent, verwijst de rechtbank naar de relevante overwegingen in de arresten van de Hoge Raad van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:777) en 18 april 2014 (ECLI:NL:HR: 2014:938). Daaruit volgt dat, als een belanghebbende aan de orde stelt dat de opbrengstlimiet is overschreden, de heffingsambtenaar inzicht moet verschaffen in de kostendekkendheid van de Verordening. Pas als vervolgens de belanghebbende gemotiveerd één of meerdere (kosten)posten in twijfel trekt, moet verweerder naar vermogen de geuite twijfel wegnemen.

6. In vaste rechtspraak is geoordeeld dat toetsing aan dit winstverbod uitsluitend op het niveau van de betreffende verordening plaats moet vinden. Onderlinge verschillen in kostendekkingspercentages tussen groepen zijn geoorloofd en behoeven geen motivering. Zie in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 13 mei 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AF7525). De rechtbank neemt bij deze beoordeling in aanmerking dat ook na introductie van de Wabo de toets of de opbrengstlimiet is overschreden nog steeds dient plaats te vinden op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden. De rechtbank wijst in dit kader op het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:282). Er dient daarom inzicht te worden verschaft in de mate van kostendekkendheid van de gehele verordening en niet slechts op het niveau van de omgevingsvergunningen.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder in beroep door middel van de Programmabegroting 2014-2017 (Programmabegroting) en een kostendekkingsoverzicht inzicht heeft gegeven in de kostendekkenheid van de (gehele) Legesverordening. Daaruit blijkt dat het kostendekkingspercentage 67,3 % bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee het vereiste inzicht door verweerder verschaft. Dat dit inzicht pas in beroep is gegeven maakt niet dat de bestreden uitspraak op bezwaar voor vernietiging in aanmerking komt.

8. Eiseres heeft (kort gezegd) gesteld dat uit de door verweerder overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt of alle opbrengsten uit de Legesverordening zijn opgenomen in de Programmabegroting en het kostendekkingsoverzicht. Eiseres heeft in dit verband onder meer gewezen op leges, geheven in het kader van de Natuurbeschermingswet, Flora- en Faunawet en leges geheven in het kader van de APV. Voorts is voor eiseres onduidelijk van wie de door verweerder verschafte overzichten afkomstig zijn en waarop de daarin opgenomen ramingen zijn gebaseerd.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, gegeven de in de rechtspraak neergelegde uitgangspunten en het inzicht dat verweerder heeft geboden in de geraamde baten en lasten, met haar stellingen - die als zodanig slechts van algemene aard zijn - onvoldoende heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de door verweerder overgelegde gegevens. Verweeder heeft ter zitting gemotiveerd gesteld dat alle opbrengsten in het kader van de Legesverordening in het kostendekkingsoverzicht zijn opgenomen. Nu eiseres niet gemotiveerd één of meerdere concrete (kosten)posten van dit overzicht in twijfel heeft getrokken, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam aangetoond dat de opbrengstlimiet niet is overschreden.

Bouwkosten

10. Eiseres voert voorts aan dat het distributiecentrum niet voldoet aan één van de typen bouwwerken die zijn opgenomen in de door verweerder gehanteerde ROEB-lijst, althans redelijkerwijs niet kan worden geacht in de ROEB-lijst te zijn opgenomen. Verweerder neemt ten onrechte aan dat het distributiecentrum is gebouwd door middel van ‘systeembouw’. Dat het bedrijfspand niet valt in één van de categorieën bouwwerken die in de ROEB-lijst zijn opgenomen blijkt volgens eiseres ook uit het grote verschil tussen de werkelijke bouwkosten (€ 7.288.588) en de aan de hand van de ROEB-lijst berekende bouwkosten (€ 12.368.825). Verweerder had daarom de werkelijke bouwkosten als uitgangspunt moeten nemen bij het bepalen van de verschuldigde leges.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een type bouwwerk dat redelijkerwijs niet kan worden geacht te zijn opgenomen in de ROEB-lijst. Volgens verweerder valt het bedrijfspand onder categorie 5 (‘bedrijfshallen’) van deze lijst en in het bijzonder onder de subcategorie ‘systeembouw’, respectievelijk de onderdelen 5.10, 5.11 en 5.12 daarvan.

12. Ingevolge artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Ingevolge artikel 2 van de Legesverordening worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Legesverordening worden de leges geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij de Legesverordening behorende tarieventabel.

Artikel 36 van de bij de Legesverordening behorende Tarieventabel luidt als volgt:


“1. Onder bouwkosten wordt verstaan:


a. de kosten die worden berekend aan de hand van de ‘ROEB-lijst” zoals opgenomen in de bijlage bij deze tarieventabel;
b. uitsluitend voor zover de in de aanvraag begrepen type bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden geacht te zijn genomen in de ‘ROEB-lijst’ wordt onder bouwkosten mede het volgende verstaan. De aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft.”

In de toelichting bij de Verordening en het voor het belastingjaar 2014 te hanteren tarief is, voor zover van belang, vermeld:


“ Vaststelling bouwkostenlijst ROEB
Als er een omgevingsvergunning activiteit bouwen wordt aangevraagd zijn hier leges aan verbonden. Deze leges worden tot op heden bepaald op basis van een raming van de bouwkosten van het project. Deze raming wordt bij de aanvraag van een vergunning door de aanvrager middels een offerte/aanneemsom opgegeven.
Vanaf 2014 wordt er voor gekozen om te werken met kengetallen uit de bouwkostenlijst ROEB (en niet met door de burger aangeleverde offertes/aanneemsommen).
(…).
Bouwkostenlijst:
Voor elk soort bouwwerk zijn er prijzen bepaald van de inhoud per kubieke meter en van de oppervlakte per vierkante meter. De bedragen in deze bouwkostenlijst zijn tot stand gekomen op basis van gegevens van het CBS en bekende bouwkostengegevens in Nederland (taxatieboekje en basisbedragen NBI). Daarbij wordt deze lijst regionaal jaarlijks aangepast aan praktijkvoorbeelden en indexeringen. Dit alles gebeurd (rechtbank:gebeurt) door een onafhankelijke partij.”

Ingevolge artikel 37 van de Tarieventabel bedraagt, voor zover van belang, het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag 2,96% van de bouwkosten als de bouwkosten € 450.000 of hoger bedragen.

13. De rechtbank stelt voorop dat legesheffing naar vaste rechtspraak (zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 6 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9449 en 9 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4731) een objectief karakter draagt. Het bepalen van de bouwkosten aan de hand van de in de Tarieventabel opgenomen ROEB-lijst, waarmee is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de prijs die in het economische verkeer heeft te gelden tussen derden voor het tot stand te brengen bouwwerk, voldoet naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aan de objectieve vereisten voor de berekening van het bedrag aan leges.

14. Verweerder heeft de bouwkosten van het distributiecentrum met inachtneming van de ROEB-lijst bepaald op € 12.368.825. Vast staat dat de (bij de aanvraag) geraamde bouwkosten € 7.265.000 en de werkelijke bouwkosten van het distributiecentrum

€ 7.288.588 bedragen. Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat deze prijs marktconform is.

15. De rechtbank stelt vast dat het verschil tussen de aan de hand van de ROEB-lijst door verweerder bepaalde bouwkosten en de geraamde bouwkosten € 5.080.237 bedraagt en dat daarmee de prijs in het economische verkeer met (afgerond) 70% wordt overschreden. naar het oordeel van de rechtbank kan het in de aanvraag van eiseres begrepen bouwwerk om die reden in dit geval redelijkerwijs niet worden geacht te zijn opgenomen in de ROEB-lijst. Dat de door eiseres geraamde bouwkosten zijn berekend op basis van 1500 m² minder oppervlakte dan bij de aanvraag is opgegeven, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, kan dit verschil niet verklaren en noopt daarom niet tot een ander oordeel.

16. Het beroep is gegrond en de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd. Ter finale afdoening van het geschil zal de rechtbank het verschuldigde bedrag aan leges bepalen aan de hand van de (door verweerder als zodanig niet betwiste) aannemingsom/ daadwerkelijke bouwkosten exclusief omzetbelasting van € 7.288.588. Uitgaande hiervan dienen de leges, voorzover betrekking hebbend op de bouwactiviteit, te worden verminderd tot € 215.742.

17. Gelet op het voorgaande kunnen de overige door eiseres aangevoerde grieven verder onbesproken blijven.

18. Verweerder dient het gestorte griffierecht aan eiseres te vergoeden. De rechtbank ziet aanleiding voor een poceskostenveroordeling. De rechtbank kent 3 punten toe (bezwaarschrift 1 punt, beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt), met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 244 wat betreft de bezwaarfase en € 490 wat betreft de beroepsfase. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 1.224.

19. Eiseres heeft nog verzocht te bepalen dat verweerder de wettelijke rente vergoedt over de door haar teveel betaalde leges. Dit verzoek is niet voor toewijzing vatbaar. Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen geldt ingevolge artikel 231 van de Gemeentewet de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990. Artikel 28a e.v. van de Invorderingswet 1990 bevat een regeling voor de vergoeding van invorderingsrente. Voor vergoeding van wettelijke rente over het bedrag waarmee de leges worden verminderd is daarnaast geen grond (ECLI:NL:HR:2005:AT2884). Het met ingang van 1 juli 2009 in artikel 4:102, lid 1, van de Awb bepaalde omtrent de vergoeding van de wettelijke rente is ingevolge artikel 4:103 van de Awb niet van toepassing indien bij formele wet een andere regeling omtrent verzuim en de gevolgen daarvan is getroffen. Dit is voor de heffing van (gemeentelijke) belastingen het geval (MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29 702, blz. 52). Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

- vermindert de leges, voor zover betrekking hebbend op de bouwactiviteit, tot

€ 215.742 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het gestorte griffierecht van € 328 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.224;

- wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. E.J.J.M. Weyers en

mr. M.P. Schutte, leden, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

De griffier is buiten staat rechter

om deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.