Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3982

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
01/865160-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:436, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting van een 68-jarige vrouw. De rechtbank legt een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van het voorarrest op. Verdachte heeft het feit gepleegd tijdens de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidsstelling in verband met eerder opgelegde gevangenisstraffen. Verdachte moet alsnog de vrijheidsstraf ondergaan, die als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/865160-14
V.I. zaaknummer: 99/000112-51

Datum uitspraak: 13 juli 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2015 en 29 juni 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 maart 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, in of omstreeks de periode van 29 augustus 2014 tot en met 30 augustus 2014 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], immer is/heeft hij, verdachte, opzettelijk, - voornoemde [slachtoffer 1] met een auto gevolgd en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer 1] aangesproken (vanuit de auto) en/of (vervolgens)

- met zijn, verdachtes, auto het fietspad waarop voornoemde [slachtoffer 1] zich bevond, geblokkeerd, in elk geval zijn, verdachtes, auto op het fietspad gezet en/of (vervolgens) uitgestapt en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] opgewacht en/of (vervolgens)

- (met kracht) tegen de fiets van voornoemde [slachtoffer 1] geduwd en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) (bij het gezicht) vastgepakt en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer 1] gezoend en/of (vervolgens)

- de bovenkleding van voornoemde [slachtoffer 1] omhoog gebracht en/of (vervolgens)

- de borst(en) van voornoemde [slachtoffer 1] betast en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) in een auto geduwd en/of (vervolgens)

- de onderkleding van voornoemde [slachtoffer 1] naar beneden geduwd en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) naar beneden geduwd en/of (vervolgens)

- op voornoemde [slachtoffer 1] gaan liggen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De zaak met v.i. zaaknummer 99/000112-51 is aangebracht bij vordering van 23 december 2014.

Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 760 dagen van:

- de gevangenisstraf van 6 jaren, opgelegd bij arrest van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch van 28 februari 2012;

- de gevangenisstraf van 3 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter te

's-Hertogenbosch van 16 maart 2009.

De voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend per 3 februari 2014. De veroordeelde is op 10 juni 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder meer onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 29 augustus 2014 tot en met 30 augustus 2014 in 's-Hertogenbosch gepoogd heeft om aangeefster [slachtoffer 1] te verkrachten.

Het standpunt van de officier van justitie.

Bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot verkrachting.

Het standpunt van de verdediging.

Vrijspraak van de tenlastegelegde poging tot verkrachting.

Het oordeel van de rechtbank.1

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan bij de politie.2 Zij heeft onder meer het navolgende verklaard. Op 29 augustus 2014 omstreeks 23.48 uur vertrok aangeefster op haar fiets vanaf het station in 's-Hertogenbosch in de richting van haar woning in [gemeente]. Ter hoogte van de Meanderflat in 's-Hertogenbosch kreeg aangeefster in de gaten dat zij gevolgd werd door een busje. De bestuurder van dit busje reed schuin achter aangeefster en sprak haar op enig moment aan.3 Zij heeft hier niet op gereageerd en heeft haar weg vervolgd over het fietspad op het Kruiskamppad dat gelegen is naast een kinderboerderij. Aangeefster zag dat de bestuurder haar inhaalde en het pad in reed waar het fietspad – waarover aangeefster reed – op uitkwam. Zij zag dat de bestuurder van het busje zijn voertuig midden op de weg tot stilstand had gebracht en dat hij uit zijn voertuig was gestapt. Aangeefster stapte hierop van haar fiets af, omdat het wegdek niet breed genoeg was om de bestuurder te kunnen passeren.4 Zij zag dat de man haar fiets een flinke duw gaf, waardoor deze op de grond viel. Tevens zag en voelde zij dat de man met twee handen haar hoofd vastpakte en haar ging zoenen. De man deed haar shirt omhoog en pakte met zijn handen haar borsten vast en betastte deze. De man zoog aan de borsten van de aangeefster5 en duwde aangeefster daarna in zijn busje. Aangeefster kwam met haar rug op de achterbank van het busje te liggen, waarna de man haar broek en slipje omlaag deed6 en op aangeefster ging liggen. Toen aangeefster door de achterruit van het busje licht zag, riep ze om hulp. De man stond vervolgens op en – nadat aangeefster uit het busje was gekomen – vertrok met zijn busje.7

[getuige 1] heeft onder meer het navolgende verklaard. De getuige kwam op die bewuste nacht met zijn scooter ter plaatse aangereden. Hij zag een rode auto stilstaan voor het fietspad die hij herkende als een Hyundai Atos. Getuige heeft jaren in de auto-import gewerkt en weet daarom veel van automodellen. Hij zag dat het linker achterportier van de auto open was en dat er een fiets op de grond lag. Hij zag dat vanaf de achterbank van de auto benen uitstaken en hoorde een vrouwenstem om hulp roepen. De getuige zag een man bij de achterdeur van de auto staan. Hij zag dat de man van hem schrok. De man droeg een shirt met verticale rood/gele strepen van voetbalclub Galatasaray. De man zou een breed postuur hebben en een dikke buik.8

[getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard. De getuige fietste op die bewuste nacht om omstreeks 00.00-00.30 uur over het Kruiskamppad in 's-Hertogenbosch. Hij zag een auto met hoge snelheid achteruit rijden. De getuige zag een vrouw aan de rechterzijde van het fietspad staan en hoorde haar om hulp roepen. Hij zag dat de vrouw bij een fiets stond met haar broek op haar enkels. De vrouw leek in paniek. Hij zag haar trillen tijdens het aantrekken van haar broek.9

De ter plaatse gearriveerde verbalisanten hebben onder meer gerelateerd dat zij op de plaats delict een pet hebben aangetroffen. Gezien de weersomstandigheden en de staat van de pet, zou deze pet er nog maar korte tijd gelegen moeten hebben. De verbalisanten hebben om die reden de pet veiliggesteld voor een sporenonderzoek.10 Ook de BH van aangeefster werd veiliggesteld voor een sporenonderzoek. Zowel de pet als de BH zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderworpen aan een DNA-vergelijkend onderzoek. De uit de bemonstering van de pet en de binnenkant van de BH verkregen DNA-profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen die in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken zijn opgenomen. Dit vergelijkend DNA-onderzoek heeft geleid tot een match tussen het DNA-profiel van verdachte en het op de pet en de BH aangetroffen DNA. De kans dat het DNA op de pet en de BH afkomstig zijn van een willekeurig ander persoon is volgens de onderzoekers kleiner dan één op één miljard.11

Verdachte heeft ter terechtzitting van 29 juni 2015 onder meer verklaard dat hij op die bewuste nacht heeft gereden in een rode Hyundai Atos.12 Op de Christian Huygensweg in

's-Hertogenbosch zou hij aangeefster hebben aangesproken omdat zij met haar fiets aan de hand liep. Toen heeft aangeefster haar fiets geparkeerd en vastgezet en heeft verdachte haar afgezet bij de kinderboerderij op het Kruiskamppad. De verdachte ontkent dat hij aangeefster gepoogd heeft te verkrachten. Hij stelt aangeefster niet te hebben aangeraakt en de achterportieren van zijn auto zijn niet open geweest.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op die bewuste avond/nacht de beschikking had over een rode Hyundai Atos. Een soortgelijk voertuig is door [getuige 1] op de plaats delict ook waargenomen. Verder stelt de rechtbank vast dat het door [getuige 1] opgegeven signalement van de persoon bij voornoemd voertuig overeenkomt met de uiterlijke kenmerken van verdachte. Immers heeft de rechtbank ter terechtzitting van 29 juni 2015 vast kunnen stellen dat verdachte een breed postuur en een dikke buik heeft. In de woning waar verdachte verbleef is een soortgelijk shirt aangetroffen als het shirt met verticale rood/gele strepen van voetbalclub Galatasaray waarover [getuige 1] heeft verklaard. Aan de binnenzijde van de BH van aangeefster is voorts het DNA-materiaal (in casu speeksel) van verdachte aangetroffen. Dit past weer in de verklaring van aangeefster dat de dader aan haar borsten heeft gezogen. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij met aangeefster op de plaats delict was, maar hij heeft geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de aanwezigheid van zijn DNA-materiaal aan de binnenzijde van de BH van aangeefster. Gelet op de plaats waar het DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen, kan het niet anders zijn dan dat er lichamelijk contact is geweest tussen aangeefster en verdachte. Dit past niet bij de stellige verklaring van verdachte dat hij aangeefster nimmer heeft aangeraakt, maar ondersteunt de verklaring van aangeefster dat verdachte aan haar borsten heeft gezogen.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de door aangeefster afgelegde verklaring geloofwaardig en betrouwbaar. De door haar afgelegde verklaring over de soort en kleur van het voertuig alsmede het signalement van de verdachte komen weliswaar niet overeen met het uiterlijk van verdachte en zijn voertuig, echter deze verschillen zijn naar het oordeel van de rechtbank te verklaren uit de grote impact die het incident op aangeefster heeft gehad en waardoor haar waarnemingsvermogen mogelijk beperkt is geweest. Dat dit gebeuren een enorme impact heeft gehad op aangeefster blijkt uit de verklaring van [getuige 2] die zag dat aangeefster in paniek leek en haar zag trillen tijdens het binnenstebuiten aantrekken van haar broek. De verklaring van aangeefster wordt in voldoende mate ondersteund door de waarnemingen van [getuige 1] die een gedetailleerde beschrijving van de dader heeft gegeven, die sterk wijst in de richting van verdachte. Dat de door aangeefster gegeven uiterlijke beschrijving van de dader en zijn auto in enige mate afwijken van het daadwerkelijke uiterlijk van verdachte en de door hem gebruikte auto vormt daarom voor de rechtbank geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en de getuigenverklaringen te twijfelen. De rechtbank acht de alternatieve lezing van verdachte ongeloofwaardig en komt derhalve op grond van het bovenstaande tot de deelconclusie dat verdachte de dader is geweest van de handelingen die verricht zijn bij aangeefster.

De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat de door verdachte verrichte handelingen bij aangeefster geen handelingen zijn die bestaan of mede bestaan uit of zijn gericht op het seksueel binnendringen van het lichaam. Er is volgens haar geen begin van uitvoering, zodat het tenlastegelegde niet gekwalificeerd kan worden als een poging tot verkrachting.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte met zijn voertuig de doorgang voor aangeefster heeft versperd door met zijn voertuig midden op het fietspad te staan. Verder heeft verdachte aangeefster tegen haar wil in gezoend, haar borsten betast en daaraan gezogen. Verdachte heeft aangeefster in zijn auto geduwd, haar broek en slipje naar beneden gedaan en is op haar gaan liggen. Verdachte is gestopt met de aanranding van aangeefster toen [getuige 1] de auto naderde. Dit samenstel van feiten is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de uitvoering van de verkrachting van aangeefster, dat naar het oordeel van de rechtbank het handelen van verdachte kan worden gezien als een begin van uitvoering van de verkrachting en kan worden gekwalificeerd als een poging tot verkrachting. Het verweer van de raadsvrouwe wordt daarom verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 29 augustus 2014 tot en met 30 augustus 2014 te ‘s-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, om door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], immer is/heeft hij, verdachte, opzettelijk, - voornoemde [slachtoffer 1] met een auto gevolgd en vervolgens

- voornoemde [slachtoffer 1] aangesproken vanuit de auto en vervolgens

- zijn, verdachtes, auto op het fietspad gezet en vervolgens uitgestapt en vervolgens voornoemde [slachtoffer 1] opgewacht en vervolgens

- met kracht tegen de fiets van voornoemde [slachtoffer 1] geduwd en vervolgens

- voornoemde [slachtoffer 1] met kracht bij het gezicht vastgepakt en vervolgens

- voornoemde [slachtoffer 1] gezoend en vervolgens

- de bovenkleding van voornoemde [slachtoffer 1] omhoog gebracht en vervolgens

- de borsten van voornoemde [slachtoffer 1] betast en vervolgens

- voornoemde [slachtoffer 1] met kracht in een auto geduwd en vervolgens

- de onderkleding van voornoemde [slachtoffer 1] naar beneden geduwd en vervolgens

- voornoemde [slachtoffer 1] met kracht naar beneden geduwd en vervolgens

- op voornoemde [slachtoffer 1] gaan liggen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

- Een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

- Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen dan zou conform de LOVS-richtlijnen niet meer dan een straf van twee jaar opgelegd kunnen worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder ten nadele van verdachte het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting van een weerloze vrouw van destijds 68 jaar, tijdens de nachtelijke uren op een verlaten fietspad. Een verkrachting, maar ook een poging daartoe, maakt een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het lijdt ook geen twijfel dat slachtoffers daarvan zeer lange tijd geestelijk lijden. Daar komt bij dat het slachtoffer in de onderhavige zaak in verband met haar leeftijd bijzonder kwetsbaar was. Verdachte heeft zijn slachtoffer volstrekt willekeurig uitgezocht. Het gevoel dat het normaal is om ’s nachts veilig naar huis te kunnen fietsen wordt door een gebeurtenis als deze aangetast en veroorzaakt bij veel mensen gevoelens van angst en zorg. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en hij heeft zijn eigen behoeftebevrediging vooropgesteld. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat het uiteindelijk bij een poging is gebleven, doch aan de komst van toevallige passanten. De rechtbank kenschetst deze daad van de verdachte dan ook als een afschuwelijk en laf misdrijf.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte in 2012 eerder werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren voor een verkrachting en het medeplegen van verkrachting. Kennelijk heeft deze forse veroordeling verdachte er niet van kunnen weerhouden om opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen.

Ter zake de veroordeling in 2012 is verdachte op 10 juni 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. In het kader van de daaraan gestelde voorwaarden verbleef verdachte in een opvangtehuis. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het onderhavige feit heeft gepleegd kort nadat hij in vrijheid was gesteld en derhalve nog in een proeftijd liep, maar ook het gegeven dat verdachte dit feit heeft gepleegd tijdens een proefverlof.

De rechtbank laat in het nadeel van verdachte ook meewegen dat hij geen enkele medewerking heeft verleend aan het gedragskundig onderzoek. Door deze houding van verdachte heeft de rechtbank geen duidelijk(er) beeld van hem als persoon, noch enig inzicht in zijn psychische gesteldheid kunnen krijgen, zodat de rechtbank hiermee geen rekening kan houden bij de beoordeling.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en noodzakelijk is.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

In verkrachtingszaken wordt als uitgangspunt voor een voltooide verkrachting een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden gehanteerd. In de onderhavige zaak is het echter gebleven bij een poging tot verkrachting, zodat de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf van 16 maanden zal hanteren.

Gelet echter op de onverhoedse aanval van verdachte op aangeefster, de leeftijd en kwetsbaarheid van het slachtoffer, het feit dat verdachte eerder voor verkrachtingen is veroordeeld, het gegeven dat verdachte het feit tijdens een proeftijd en een proefverlof heeft gepleegd – welke omstandigheden als strafverzwarende factoren worden aangemerkt – acht de rechtbank een verhoging van de strafmaat ten opzichte van de landelijke oriëntatiepunten passend. Daarmee komt de rechtbank tot het slotsom dat een gevangenisstraf van 3 jaren gepast en geboden is.

De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Motivering van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling 99/000112-51.

De eis van de officier van justitie.

- Toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Het standpunt van de verdediging.

- Primair afwijzing en subsidiair gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Het oordeel van de rechtbank.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Een voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt altijd onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zal begaan. Ook aan verdachte was deze voorwaarde bekend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd, kort nadat verdachte voorwaardelijk in vrijheid was gesteld, aan een zeer ernstig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet tot herroeping of slechts gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling over te gaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

art. 10, 15j, 27, 45, 242 Wetboek van Strafrecht

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot verkrachting Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met v.i-zaaknummer 99/000112-51.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe. Gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. E. Boersma, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 13 juli 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost Brabant, afdeling zedencriminaliteit, zaaknummer 2014082861.

2 Verklaring aangeefster [slachtoffer 1], p. 22.

3 Verklaring aangeefster [slachtoffer 1], p. 24.

4 Verklaring aangeefster [slachtoffer 1], p. 25.

5 Verklaring aangeefster [slachtoffer 1], p. 26.

6 Verklaring aangeefster [slachtoffer 1], p. 27.

7 Verklaring aangeefster [slachtoffer 1], p. 28.

8 Verklaring [getuige 1], p. 58.

9 Verklaring [getuige 2], p. 61 en 62.

10 Relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], p. 14.

11 NFI-rapport “onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek” d.d. 15 december 2014, opgemaakt door deskundige A.G.M. van Gorp, p. 84 en 85.

12 Pv onderzoek ter terechtzitting d.d. 29 juni 2015.