Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3926

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
C/01/274350 / HA ZA 14-91
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot het ter vrije beschikking stellen, leeg en in de contractueel overeengekomen staat, van een verhuurd pand, onder verbeurte van een dwangsom. Vraag of het pand tijdig en in de juiste staat ter beschikking is gesteld. Voor beantwoording van de vraag of aan veroordeling is voldaan en dwangsommen zijn verbeurd, zijn doel en strekking van de veroordeling bepalend. Van het verbeuren van een dwangsom kan pas sprake zijn als met grote mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat schending van het gebod waarop de veroordeling ziet, heeft plaatsgevonden. Afwijzing vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten omdat verzet tegen executie van dwangsommen geen misbruik van recht oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
mr. N. Amiel en prof. mr. A.W. Jongbloed annotatie in TvHB 2015/17, UDH:TvHB/12513

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/274350 / HA ZA 14-91

Vonnis van 1 juli 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.W.M. van Dam-van den Broek te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de brief met productie van 11 december 2014 van [gedaagde]

  • -

    het tussenvonnis van 24 december 2014

  • -

    de akte tot productie van [eiseres]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.1. [eiseres] is eigenaar van de winkelruimte aan [adres] (hierna: het pand). [eiseres] heeft een huurovereenkomst gesloten met [verhuurder] (hierna te noemen: [verhuurder]) en aan die onderneming het pand verhuurd met ingang van 31 juli 2008.

2.1.2. Nadat [verhuurder] bij vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2012 in staat van faillissement was verklaard, heeft [eiseres] op grond van art. 39 Fw de huurovereenkomst opgezegd.

2.1.3. Bij huurovereenkomst van 22 januari 2013 (hierna: de huurovereenkomst) heeft [eiseres] het pand opnieuw verhuurd, nu aan [gedaagde]. In artikel 1.2 van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde als casco wordt verhuurd. De ingangsdatum van de huur is blijkens het bepaalde onder 1.3 van de huurovereenkomst 1 februari 2013.

2.1.4. De curator in het faillissement van [verhuurder], mr. C.G. Klomp, heeft bij dagvaarding in kort geding van 15 februari 2013 een vordering tegen [eiseres] ingesteld en onder meer gevorderd hem te machtigen om met ingang van 1 februari 2013 Helioform Quality Shoes B.V. (hierna te noemen: Helioform) in de plaats te stellen als huurder. Helioform heeft in die procedure als gevoegde en tussenkomende partij gevorderd dat [eiseres] zou worden veroordeeld tot nakoming van de gedane toezegging dat zij in de plaats van de failliete huurder zou worden gesteld. [gedaagde] heeft op haar beurt in die procedure als gevoegde en tussenkomende partij gevorderd dat [eiseres] zou worden veroordeeld om de winkelruimte leeg en in de contractueel overeengekomen staat aan haar ter vrije beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom. In reconventie heeft [eiseres] gevorderd dat Klomp en/of Helioform worden veroordeeld om de winkelruimte leeg en in de oorspronkelijke staat ter vrije beschikking aan [gedaagde] te doen stellen, op straffe van een dwangsom.

2.1.5. Bij vonnis van 8 mei 2013 heeft de kantonrechter van deze rechtbank in het hiervoor onder 2.1.4 bedoelde kort geding - onder meer - als volgt beslist:

‘in conventie:

wijst de vorderingen van Klomp q.q. af;

wijst de vorderingen van Helioform af;

(…);

veroordeelt [eiseres] (op vordering van [gedaagde]) om de bedrijfsruimte aan [adres] binnen zes weken na betekening van dit vonnis leeg en in de contractueel overeengekomen staat aan [gedaagde] ter vrije beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, met een maximum van € 250.000,00 voor elke kalenderdag of deel daarvan dat Helioform met terbeschikkingstelling in gebreke blijft;

(…)

in reconventie:

veroordeelt Helioform om de bedrijfsruimte aan [adres] binnen zes weken na betekening van dit vonnis leeg en in de contractueel overeengekomen staat aan [eiseres] ter vrije beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, met een maximum van € 250.000,00 voor elke kalenderdag of deel daarvan dat Helioform met terbeschikkingstelling in gebreke blijft;

(…)’

2.1.6. Helioform en [eiseres] hebben tegen het vonnis van 8 mei 2013 appel ingesteld. [eiseres] heeft bovendien voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

2.1.7. [gedaagde] heeft het vonnis van 8 mei 2013 aan [eiseres] doen betekenen op 13 mei 2013.

2.1.8. [eiseres] heeft het vonnis van 8 mei 2013 op 15 mei 2013 aan Helioform doen betekenen.

2.1.9. Op 7 juni 2013 heeft [gedaagde] het vonnis van 8 mei 2013 nogmaals aan [eiseres] doen betekenen.

2.1.10. Bij arrest van 25 juni 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het hoger beroep van voormeld vonnis van 8 mei 2013 als volgt overwogen en beslist:

‘4.9. De staat waarin Helioform dient op te leveren (grief 8 in het principaal appel)

(…)

4.9.3. Opgeleverd dient te worden in de staat waarin de bedrijfsruimte bij het einde van de exploitatie door Helioform zich bevindt, na medeneming door Helioform van haar eigendommen. Het hof merkt hierbij dat de staat waarin opgeleverd moet worden zich niet leent voor een beoordeling in dit kort geding. De opgelegde dwangsom heeft, zo begrijpt het hof de voorzieningenrechter, aldus enkel betrekking op de ‘lege’ ontruiming, niet op de staat waarin wordt opgeleverd. Geschillen over de wijze waarop door Helioform wordt opgeleverd dienen in een bodemprocedure aan de orde te komen.

(…)

5. De uitspraak

(…)

vernietigt het vonnis waarvan beroep maar alleen voor zover in conventie [eiseres] en in reconventie Helioform is veroordeeld tot oplevering binnen zes weken

alsmede

Helioform in reconventie is veroordeeld om de bedrijfsruimte na ontruiming ‘in de contractueel overeengekomen staat’ aan [eiseres] ter beschikking te stellen;

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijzigt de opleveringstermijn van zes weken in zeven weken;

en

bepaalt dat Helioform de bedrijfsruimte ter beschikking moet stellen in de staat waarin die ruimte zich aan het einde van exploitatie door Helioform bevindt, na medeneming door Helioform van haar eigendommen en verstaat dat de opgelegde dwangsom geen betrekking heeft op de staat waarin de bedrijfsruimte wordt opgeleverd;

en verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

(…)’

2.1.11. Op 1 juli 2013 heeft [gedaagde] het arrest van 25 juni 2013 aan [eiseres] doen betekenen.

2.1.12. Helioform heeft de winkelruimte op 3 juli 2013 ontruimd. Oplevering van de winkelruimte door [eiseres] aan [gedaagde] heeft diezelfde dag plaatsgevonden. Bij de oplevering is vastgesteld dat een trap naar een splitlevel ontbrak (hierna: de trap). In opdracht van [eiseres] heeft makelaar [naam makelaar], [naam makelaardij], de oplevering begeleid en hiervan een inspectierapport opgesteld, dat mede namens [gedaagde] is ondertekend. In het rapport is onder meer vermeld: ‘trap verdieping wordt aangeleverd/overleg huurder/verhuurder’.

2.1.13. Medio september 2013 heeft [eiseres] de trap retour ontvangen van Helioform en is de trap ter beschikking van [gedaagde] gesteld.

2.1.14. Bij exploot van 15 oktober 2013 heeft [gedaagde] bevel gedaan tot betaling van

€ 250.094,78 aan verbeurde dwangsommen, vermeerderd met explootkosten.

2.1.15. In de bodemprocedure tussen [gedaagde] en [eiseres] is door de kantonrechter op 9 januari 2014 vonnis gewezen. De kantonrechter heeft op vordering van [gedaagde] voor recht verklaard dat er tussen [eiseres] en [gedaagde] een huurovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de winkelruimte op basis waarvan [eiseres] de winkelruimte per 1 februari 2013 aan [gedaagde] ter beschikking had dienen te stellen.

2.1.16. [eiseres] heeft in kort geding onder meer gevorderd, primair, dat [gedaagde] wordt verboden tot invordering van dwangsommen over te gaan tot dat de bodemrechter over de verschuldigdheid daarvan geoordeeld zal hebben en, subsidiair, dat [gedaagde] tot zekerheid voor de terugbetaling van eventueel onrechtmatig geïnde dwangsommen een bankgarantie zal stellen. Bij vonnis van 21 januari 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

2.1.17. Bij arrest van 25 november 2014 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voormeld vonnis van 21 januari 2014 vernietigd en [gedaagde] verboden tot invordering van dwangsommen over te gaan totdat de bodemrechter over de verschuldigdheid daarvan geoordeeld zal hebben. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

‘7.4.2. (…)

Uit het exploot van betekening van het vonnis van [gedaagde] aan [eiseres] van maandag 13 mei 2013 blijkt dat [eiseres] eerst zes weken later, namelijk op dinsdag 25 juni 2013, het pand ter vrije beschikking aan [gedaagde] diende te stellen, bij gebreke waarvan dwangsommen zouden worden verbeurd.

Omdat het vonnis aan de curator/Helioform twee dagen later is betekend (woensdag 15 mei 2013) gold voor Helioform als laatste dag voor de ontruiming woensdag 26 juni 2014. Ter zitting van het hof van 14 juni 2013 is met partijen deze situatie besproken in verband met de uitspraakdatum. Uitspraak op de eerstvolgende roldatum, dinsdag 18 juni was te kort dag. Uitspraak een week later, op dinsdag 25 juni 2013, was wel mogelijk en deze datum is ook gehaald. Om Helioform de gelegenheid te geven om op adequate wijze te ontruimen (en zonder dwangsommen te verbeuren) is de ontruimingstermijn met een week verlengd (zie rov. 4.11 van het arrest van 25 juni 2013). Helioform diende derhalve uiterlijk woensdag 3 juli 2014 te ontruimen. Bijgevolg kon [eiseres] eerst op dezelfde dag na de ontruiming, althans volgende dag het pand ter vrije beschikking stellen van [gedaagde].

[gedaagde] heeft met deze gang van zake op de zitting van 14 juni 2013 ingestemd. Door de ter beschikkingstelling van het pand aan [gedaagde] op 3 juli 2014 verbeurt [eiseres] bijgevolg geen dwangsommen. Het vonnis kan mitsdien in zoverre niet in stand blijven.’

(De rechtbank begrijpt dat het meermaals in deze overweging genoemde jaartal ‘2014’ berust op een vergissing en gelezen dient te worden als ‘2013’).

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat [eiseres] tijdig en volledig heeft voldaan aan de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van 8 mei 2013 respectievelijk het arrest van 25 juni 2013 althans een verklaring voor recht dat [eiseres] geen dwangsommen verbeurd is noch wat betreft een termijnoverschrijding aangaat noch wat het ter vrije beschikking stellen conform de huurovereenkomst aan [gedaagde] betreft, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 7.332,03, vermeerderd met rente en kosten.

3.5.

[eiseres] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn waarbinnen [eiseres] het pand aan haar ter beschikking diende te stellen, op 1 juli 2013 afliep. [eiseres] heeft zich er onder verwijzing naar de overwegingen van het hof onder 4.7.2 van het arrest van 25 november 2014 onder meer op beroepen dat zij uiterlijk 3 juli 2013 het pand aan [gedaagde] ter beschikking diende te stellen.

Op grond van de beslissingen bij het vonnis van de kantonrechter van 8 mei 2013 en het arrest van 25 juni 2013 diende [eiseres] het pand binnen zeven weken na de betekening van het vonnis van de kantonrechter aan [gedaagde] ter vrije beschikking te stellen. Gegeven de betekening van dit vonnis op 13 mei 2013 hield dit in dat [eiseres] het pand uiterlijk op 1 juli 2013 ter beschikking diende te stellen. De hernieuwde betekening van het vonnis van 8 mei 2013 op 7 juni 2013 doet hieraan niet af nu er geen omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] heeft bedoeld de termijn van zes weken door die tweede betekening later te hebben willen laten aanvangen of dat tweede betekeningsexploot in de plaats van het eerste te hebben willen stellen.

Echter hetgeen het hof bij het arrest van 25 november 2014 onder 4.7.2 heeft overwogen komt er op neer dat [gedaagde] er op de zitting van 14 juni 2013 mee heeft ingestemd dat het pand pas op 3 juli 2013 dan wel de daarop volgende dag aan haar ter beschikking zou worden gesteld. [gedaagde] heeft ter comparitie verklaard dat er op de zitting van 14 juni 2013 tussen Helioform en [eiseres] discussie is ontstaan over de termijn die Helioform nodig had om te kunnen opleveren, in welke discussie [gedaagde] zich niet heeft gemengd, dat het hof de oplevertermijn buiten [gedaagde] om heeft verlengd en dat [gedaagde] toen niet heeft gezegd dat zij het daarmee eens was. Vast staat derhalve dat op de zitting van 14 juni 2013 is gesproken over de oplevertermijn voor Helioform en dat die is verlengd tot 3 juli 2013. Gegeven de omstandigheid dat de oplevering door [eiseres] aan [gedaagde] pas zou kunnen plaatsvinden nadat Helioform aan [eiseres] had opgeleverd, zoals bij [gedaagde] bekend was, moet [gedaagde], voor zover zij al niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met een uiterste oplevering aan haar op 3 juli 2013, worden geacht daarmee stilzwijgend te hebben ingestemd door ter zitting van het hof van 14 juni 2013 niet te laten blijken van bezwaren tegen de voor Helioform geldende opleveringsdatum, nu die uiterste opleveringsdatum voor Helioform immers mee zou kunnen brengen dat de opleveringsdatum waarvan [gedaagde] in deze procedure van uitgaat, 1 juli 2013, niet gehaald zou worden. Die instemming wordt ondersteund door het feit dat is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] aan [eiseres], in reactie op de aanvankelijke uitnodiging van [naam makelaar] voornoemd bij e-mail van maandag 1 juli 2013 voor oplevering op de daaropvolgende donderdag of vrijdag en de latere mededeling van de gemachtigde van [eiseres] van 2 juli 2013 dat oplevering op 3 juli 2013 zou plaatsvinden, te kennen heeft gegeven met oplevering op 3 juli 2013 niet in te stemmen dan wel heeft aangegeven dat oplevering op een latere datum dan 1 juli 2013 te laat zou zijn. Nu vast staat dat het pand op 3 juli 2013 aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld, moet derhalve worden vastgesteld dat die terbeschikkingstelling tijdig heeft plaatsgevonden.

4.2.

Volgens [gedaagde] brachten de in het vonnis van 8 mei 2013 en het arrest van 25 juni 2013 neergelegde veroordelingen tot vrije terbeschikkingstelling van het pand aan haar, leeg en in de contractueel overeengekomen staat, voor [eiseres] de verplichting mee om het pand casco, inclusief de trap, ter beschikking te stellen. [eiseres] heeft gesteld dat in de procedure in conventie niet aan de orde is geweest hoe inhoudelijk opgeleverd zou moeten worden. Volgens [eiseres] moet het arrest van het hof van 25 juni 2013 redelijkerwijs zo worden uitgelegd dat een dwangsom niet verbeurd kan zijn wanneer [gedaagde] als huurder na of bij de oplevering nog een door [eiseres] als verhuurder te verhelpen onvolkomenheid signaleert. [eiseres] beroept zich in dit verband mede op de overwegingen onder 7.5.2 van het hof bij arrest van 25 november 2014.

Dat het pand leeg moest worden opgeleverd is tussen partijen niet in geschil. Nu partijen van mening verschillen over de vraag of de dwangsom ook betrekking heeft op de staat waarin het pand moest worden opgeleverd, dienen de veroordelingen bij vonnis van 8 mei 2013 en arrest van 25 juni 2013 op dit punt te worden uitgelegd. Bij die uitleg dienen het doel en de strekking van de veroordeling van [eiseres] tot richtsnoer te worden genomen, in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085). Tevens dient in aanmerking te worden genomen dat het opleggen van een dwangsom een diep ingrijpend middel is om de veroordeelde te bewegen tot het doen van hetgeen waartoe hij gehouden is. De schending van een gebod waarop de veroordeling ziet kan grote financiële gevolgen hebben. Gelet daarop kan er pas sprake zijn van het verbeuren van een dwangsom als met grote mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat die schending heeft plaatsgevonden.

De procedures die hebben geleid tot het vonnis van 8 mei 2013 en het arrest van 25 juni 2013 hielden verband met de omstandigheid dat zowel Helioform als [gedaagde] een gebruiksrecht op het pand pretendeerden. In die procedures ging het er om dat zou worden bepaald wie van hen gerechtigd was om het pand te gebruiken (totdat in een bodemprocedure zou zijn beslist) en aan wie het pand in verband daarmee ter beschikking moest worden gesteld. Daarover is in het voordeel van [gedaagde] beslist.

[gedaagde] heeft gesteld dat in de zaak tussen haar en [eiseres] het debat zich niet heeft beperkt tot de vraag of het pand al dan niet leeg zou kunnen worden opgeleverd maar dat zij juist zekerheid wenste te hebben dat er ook in de contractueel overeengekomen staat zou worden opgeleverd en dat de veroordeling van [eiseres] derhalve ook daarop ziet.

Uit het vonnis van 8 mei 2013 noch uit het arrest van 25 juni 2013 blijkt dat tussen [eiseres] en [gedaagde] de staat van oplevering onderwerp van debat is geweest.

[gedaagde] heeft in haar conclusie (onder 3.9) gesteld dat uit de omstandigheid dat het hof bij arrest van 25 juni 2013 expliciet een onderscheid heeft gemaakt tussen de wijze waarop Helioform aan [eiseres] diende op te leveren (‘in de staat waarin die ruimte zich aan het einde van de exploitatie door Helioform bevindt’) en de wijze waarop [eiseres] aan [gedaagde] diende op te leveren (‘in de contractueel overeengekomen staat’), genoegzaam volgt dat de wijze waarop er opgeleverd diende te worden expliciet aan de orde is gesteld in het geschil tussen partijen. [gedaagde] miskent hiermee echter dat de staat waarin Helioform diende op te leveren onderwerp was van een grief die Helioform, anders dan [eiseres], in dit verband had aangevoerd tegen het vonnis van 8 mei 2013 en dat het door [gedaagde] gesignaleerde onderscheid enkel daaruit is voortgevloeid. Op grond van dat onderscheid kan derhalve niet worden geconcludeerd dat de wijze waarop aan [gedaagde] opgeleverd diende te worden aan de orde is geweest in de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde]. Daar komt bij dat [gedaagde] in haar conclusie (onder 3.44) heeft gesteld dat over de staat van oplevering niet is gedebatteerd. Er wordt daarom van uitgegaan dat naast de vraag wie er gerechtigd was tot het gebruik van het pand aan de beslissing tot terbeschikkingstelling van het pand onder verbeurte van een dwangsom, niet tevens een debat over de staat van oplevering tussen [eiseres] en [gedaagde] ten grondslag heeft gelegen. De veroordeling moet daarom worden geacht betrekking te hebben op de vrije terbeschikkingstelling van het pand aan [gedaagde] waarbij de staat van oplevering voor de verbeurte van dwangsommen enkel relevant is voor zover op grond van de staat waarin is opgeleverd zou moeten worden geconcludeerd dat van vrije terbeschikkingstelling geen sprake is. De enkele omstandigheid dat de trap bij oplevering ontbrak rechtvaardigt die conclusie niet.

4.3.

De slotsom van het voorgaande is dat [eiseres] moet worden geacht door de lege terbeschikkingstelling van het pand aan [gedaagde] op de wijze waarop zij dat heeft gedaan, te hebben voldaan aan de veroordeling bij vonnis van 8 mei 2013 en arrest van 25 juni 2013, zodat [eiseres] geen dwangsommen heeft verbeurd. De gevorderde verklaring voor recht dat [eiseres] tijdig en volledig heeft voldaan aan de inhoud van dat vonnis en dat arrest zal daarom worden toegewezen.

4.4.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 81,44

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 2.000,00 (1,0 punt × tarief € 2.000,00)

Totaal € 2.689,44

in reconventie

4.5.

[gedaagde] heeft gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld in de werkelijk door [gedaagde] gemaakte proceskosten. [gedaagde] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij verwikkeld is in zeven door [eiseres] aangespannen procedures en dat er in verband daarmee sprake is van misbruik van procesrecht althans een onrechtmatige daad nu [eiseres] haar processuele bevoegdheid enkel heeft uitgeoefend met geen ander doel dan [gedaagde] te schaden. [eiseres] heeft tot haar verweer onder meer aangevoerd dat van de zeven procedures die [gedaagde] noemt, er drie door anderen dan [eiseres] zijn aangespannen en dat de vier procedures die door [eiseres] zijn aangespannen verband hielden met een dwangsomclaim van [gedaagde]. Volgens [eiseres] stond het haar vrij zich te verweren tegen een waarschijnlijk onterechte claim.

De procedures die hebben geleid tot de vonnissen van 8 mei 2013 en, zoals [gedaagde] heeft gesteld, 5 juni 2014 zijn niet door [eiseres] aangespannen zodat het verwijt van [gedaagde] aan [eiseres] dat dit wel het geval is, niet opgaat. Voor wat betreft de procedure die heeft geleid tot het arrest van 25 juni 2013 heeft [eiseres] gesteld dat zij, nadat Helioform van het vonnis van 8 mei 2013 hoger beroep had ingesteld, vanwege de samenhang van de zaken genoodzaakt was hoger beroep en incidenteel hoger beroep in te stellen. [gedaagde] heeft dat niet weersproken zodat daarvan kan worden uitgegaan. Daaruit blijkt niet van misbruik van procesrecht en evenmin van de bedoeling van [eiseres] om [gedaagde] te schaden.

De overige procedures, waaronder de onderhavige, zijn gericht tegen de executie door [gedaagde] van het vonnis van 8 mei 2013 en het arrest van 25 juni 2015 voor wat betreft de opgelegde dwangsommen. Het is niet onbegrijpelijk dat [eiseres] zich met alle mogelijke middelen verzet tegen de executie van dwangsommen tot een bedrag van in totaal

€ 250.000,00, te minder nu zowel uit het vonnis van de kantonrechter van 6 november 2014, het arrest van 25 november 2014 als dit vonnis in conventie volgt dat dat verzet niet zonder grond is. Van misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen van [eiseres] zoals door [gedaagde] gesteld is derhalve geen sprake. De vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.

4.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punt × factor 1,0 × tarief € 384,00)

Totaal € 768,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [eiseres] tijdig en volledig heeft voldaan aan de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van 8 mei 2013 respectievelijk het arrest van 25 juni 2013,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.689,44,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 768,00,

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.