Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3890

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
14_3931
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2252, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een expediteur die pakketten laat bezorgen waarin sterke drank zit, oefent geen slijtersbedrijf uit in de zin van de Drank- en Horecawet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7014
Module Horeca 2015/2503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/3931

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te Eindhoven, eiseres

(gemachtigde: mr. M.C.J. Houben),

en

de burgemeester van de gemeente Best, verweerder

(gemachtigden: mw. M.W.C.C. Van Rooij en dhr. J.W. van der Horst)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap [bedrijf], statutair gevestigd te Best, gemachtigde: mw. C.B. Reuvers

Procesverloop

Bij brief van 4 juni 2014 heeft eiseres aan verweerder verzocht de Drank- en Horecawet (DHW) te handhaven omdat het in Best gevestigde bedrijf [bedrijf] zich schuldig zou maken aan een verboden uitoefening van het slijtersbedrijf.

Bij besluit van 29 juli 2014, verzonden op 6 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres medegedeeld hij niet bevoegd is tot handhavend optreden over te gaan, omdat de levering van alcoholhoudende drank door [bedrijf] heeft plaatsgevonden in Eindhoven. Verweerder heeft het verzoek van eiseres doorgestuurd naar de burgemeester van Eindhoven.

Bij besluit van 20 oktober 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de Kamer Grondgebiedzaken van de Onafhankelijke Commissie voor de Behandeling van Bezwaarschriften (OCBB) van 22 september 2014, niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 januari 2015, verzonden op 3 februari 2015 (het bestreden besluit II)

heeft verweerder, onder intrekking van het bestreden besluit I, een herziene beslissing op

bezwaar genomen en het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit, onder

verwijzing naar het advies van de OCBB van 16 december 2014, ongegrond verklaard.

Bij faxbericht van 4 mei 2015 heeft eiseres gronden aangevoerd tegen het bestreden

besluit II.

De derde-partij ([bedrijf]) heeft op 7 mei 2015 schriftelijk gereageerd op het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. [bedrijf] heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het door eiseres ingediende beroep tegen het bestreden besluit I mede gericht geacht tegen het bestreden besluit II.

Overwegingen

Ten aanzien van bestreden besluit I

1. Verweerder heeft bij bestreden besluit II het bestreden besluit I ingetrokken en een herziene beslissing op bezwaar genomen. Op grond hiervan heeft eiseres niet langer belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden

besluit I. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I is dan ook niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van bestreden besluit II

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

[bedrijf] is een expediteur die in opdracht van haar opdrachtgevers, door het inschakelen van vervoerders, pakketten laat bezorgen aan het adres van geadresseerden overeenkomstig artikel 8:60 Burgerlijk Wetboek (BW). [bedrijf] verwerkt een zeer grote hoeveelheid pakketten (tot wel 100.000 per nacht) die arriveren in een depot in Best. De medewerkers van [bedrijf] en de vervoerder zijn niet op de hoogte van de inhoud van de pakketten. [bedrijf] krijgt voor haar werkzaamheden het zogenaamde verzendtarief betaald door haar opdrachtgevers. Het verzendtarief is een bedrag dat gebaseerd is op het aantal pakketten dat een opdrachtgever per jaar verstuurt, ongeacht de inhoud van de pakketten.

Op 28 mei 2014 heeft de ambtelijk secretaris van eiseres, tevens de gemachtigde van eiseres, vanuit Nederland een fles sterke drank besteld via de website www.uvinum.nl. Het bedrijf achter deze website, Uvinum, is gevestigd in Spanje. De Spaanse logistieke onderneming Seur heeft het pakket met de bestelde fles drank bezorgd bij [bedrijf]. Op 2 juni 2014 om 15.03 uur is het pakket in het depot van [bedrijf] in Best binnengekomen, waarna het pakket op 3 juni 2014 om 10.14 uur door of in opdracht van [bedrijf] is bezorgd op het adres van het kantoor van de gemachtigde van eiseres, aan de Kanaaldijk-Noord 1 te Eindhoven.

3. Bij brief van 4 juni 2014 heeft eiseres verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen [bedrijf] wegens het handelen in strijd met de Drank- en Horecawet (DHW). Eiseres heeft zich in deze brief op het standpunt gesteld dat [bedrijf] als slijtersbedrijf in de zin van de DHW dient te worden aangemerkt, dat er bij de afgifte van de fles drank door [bedrijf] niet is gecontroleerd of sprake was van particulier gebruik en dat bij de levering door [bedrijf] evenmin een leeftijdscontrole heeft plaatsgevonden.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit II op het standpunt dat hij terecht het handhavingsverzoek heeft afgewezen nu niet hij maar de burgemeester van Eindhoven bevoegd is over het verzoek tot handhaving te beslissen. De fles sterke drank is immers in de gemeente Best besteld noch bezorgd. Van de uitoefening van een slijtersbedrijf door [bedrijf] is volgens verweerder geen sprake en evenmin is daarvan in enig ander geval gebleken.

In haar aanvullende gronden heeft eiseres gesteld dat het verzoek om handhaving niet gericht is op de afgifte in Eindhoven en het al dan niet toepassen van leeftijdscontrole, maar op het volgens eiseres door [bedrijf] in Best uitgeoefende slijtersbedrijf. Ter zitting heeft eiseres dit standpunt herhaald. De rechtbank zal zich op grond hiervan in haar uitspraak beperken tot de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [bedrijf] geen slijtersbedrijf in de zin van de DHW uitoefende en dat verweerder dus niet bevoegd was handhavend op te treden.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt

4. De relevante artikelen uit de DHW luiden:

Artikel 1

1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

- slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen;

- slijtlokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van of samenvallend met een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse;

(…)

Artikel 3

1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

(…)

Artikel 7

1. Een vergunning is vereist voor iedere inrichting.

2. Geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van het (…) slijtersbedrijf anders dan in een inrichting.

(…)

Artikel 8

1. Leidinggevenden van het (…) slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen (…)

2. (…)

3.Leidinggevenden beschikken tevens over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

(…)

Artikel 24

1. Het is verboden een horecalokaliteit of een slijtlokaliteit voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is:

a. een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de vergunning, bedoeld in artikel 29, tweede lid, met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder (…).

(…)

Voorts acht de rechtbank relevant de navolgende passages uit de wetsgeschiedenis.

Memorie van toelichting:

Het stellen van inrichtingseisen geschiedt om het tappen van alcoholhoudende drank en het slijten van sterke drank te doen plaatsvinden onder omstandigheden, welke uit sociaal-hygiënisch oogpunt aanvaardbaar zijn. Dit doel zou niet worden bereikt, indien dit tappen of slijten ook op plaatsen welke bezwaarlijk aan bedoelde eisen kunnen voldoen, zou worden toegelaten. Gelet op het vorenstaande is (…) in het wetsontwerp de bepaling opgenomen, dat geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van een bedrijf of werkzaamheid, waarvoor het vergunningstelsel geldt, anders dan in een inrichting.

(…)

Bij het slijten van alcoholhoudende drank is (…) wel degelijk sprake van verkopen, doch ook in dat geval verdient het aanbeveling te spreken van „verstrekken". Het wetsontwerp legt immers (…) in navolging van de bestaande Drankwet ook aan het krachtens vergunning slijten van alcoholhoudende drank territoriale beperkingen op. Zo mag in een gebouw slechts alcoholhoudende drank worden gesleten in de lokaliteiten, welke in de vergunning zijn vermeld. Daarmede wordt de plaats, waar wordt gesleten, van grote betekenis, hetgeen impliceert, dat het, indien men het woord „verkopen" bezigt, mede van de plaats, waar een koop- en verkoopovereenkomst tot stand komt, zou afhangen, of al dan niet van wetsovertreding sprake is. Dit zou er b.v. toe leiden, dat een slijter bestellingen, welke bij hem telefonisch worden gedaan naar aanleiding van een door hem gezonden prijscourant, slechts zou mogen aanvaarden, indien zijn telefoontoestel zich bevindt in een lokaliteit, welke overeenkomstig artikel 8, eerste lid, onder a van het wetsontwerp in de vergunning is vermeld. Dergelijke consequenties zijn moeilijk te aanvaarden. Bovendien is de plaats, waar een overeenkomst tot stand komt, niet altijd gemakkelijk te bepalen. Naar de mening van de ondergetekenden dient derhalve ook hier de voorkeur te worden gegeven aan het feitelijke begrip „verstrekken".

(…)

De mogelijkheid om de omschrijving van het slijtersbedrijf bij algemene maatregel van bestuur uit te breiden wordt geschapen om als uitoefening van dit bedrijf te kunnen aanmerken het met het verstrekken van alcoholhoudende drank gepaard gaande verstrekken aan particulieren van die waren, welke bij het gebruiken van die drank plegen te worden genuttigd of gebezigd, zoals b.v. zoutjes en kaas onderscheidenlijk kurketrekkers en glaswerk. Tegen een dergelijke uitbreiding van het slijtersbedrijf bestaat naar de mening van de ondergetekenden uit sociaal-hygiënisch oogpunt geen bezwaar. Het naar de inhoud uit de bestaande Drankwet overgenomen artikel 11 van het wetsontwerp is gebaseerd op de gedachte, dat in beginsel geen kleinhandel mag worden uitgeoefend daar waar krachtens vergunning alcoholhoudende drank wordt verstrekt, teneinde te voorkomen, dat degenen, die andere waren dan drank wensen te kopen onnodig aan de verleiding om alcoholhoudende drank te gebruiken of te kopen worden blootgesteld. Anderzijds is er alles voor te zeggen, dat degene, die bij de slijter drank koopt, zich daar tevens meerbedoelde waren kan verschaffen. Juist de slijter is degene, die kan adviseren, wat bij bepaalde dranken wel of niet kan worden genuttigd.

Bij totstandkoming van een regeling in boven aangegeven zin kunnen met name de aan een slijter te stellen eisen van vakbekwaamheid mede op deze waren betrekking hebben.

(…)

Artikel 14 is wederom ontleend aan de bestaande Drankwet. Het is een samenvatting van een onderdeel van artikel 2 en van artikel 39, eerste lid, onder b, van deze wet. Het in laatstbedoelde bepaling vervatte voorschrift, dat op de verpakking het alcoholpercentage dient te zijn vermeld, geldt thans slechts voor diegenen, die zonder verlof A zwak-alcoholische drank voor gebruik elders dan ter plaatse verstrekken. Volgens het onderhavige artikel zal dit voorschrift, zulks mede ter voorlichting van het publiek, ook gelden voor degenen, die het slijtersbedrijf uitoefenen.

(Kamerstukken II 1961-1962, 6811, nr. 3, MvT, p. 18-24)

Memorie van antwoord:

(ten aanzien van artikel 3, lid 2, van het ontwerp van Wet)

Het lijkt de ondergetekenden nuttig in dit verband op te merken, dat, anders dan het slijtersbedrijf, de z.g. „horeca"-bedrijvigheid in de praktijk een veelheid van schakeringen vertoont.

(…)

(ten aanzien van artikel 3, lid 3, van het ontwerp van Wet)

De in dit lid vervatte omschrijving van het begrip „slijtersbedrijf" brengt mede, dat een ieder, die bedrijfsmatig aan particulieren sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse verstrekt, daartoe op grond van het eerste lid, onder b, in het bezit moet zijn van een vergunning. Een „grossier", die mede aan particulieren levert, oefent in zoverre het slijtersbedrijf uit en heeft daartoe een vergunning nodig. Dit volgt rechtstreeks uit de gegeven omschrijving. Een opsomming, daarnaast, van de categorieën afnemers, aan wie hij zonder vergunning mag leveren, is, in het licht van het bovenstaande, overbodig.

(…)

Het geven van een aanwijzing betreffende alcoholpercentage bij verkoop zowel van zwak-alcoholische als van sterke drank behoort naar de mening van de ondergetekenden tot de normale service, welke bij het verstrekken van drank aan het publiek dient te worden geboden. Voor de veronderstelling, dat de vraag naar sterke drank met het hoogste alcoholpercentage zal toenemen, omdat daarmede de beste kwaliteit zou worden verkregen, zijn naar de mening van ondergetekenden onvoldoende indicaties aanwezig. Het is immers algemeen bekend te achten, dat de kwaliteit van de drank behalve van het alcoholpercentage van vele andere factoren afhankelijk is. Bovendien kunnen de kopers van drank van hun leveranciers, gezien de aan dezen gestelde eisen van vakbekwaamheid, ter zake de nodige deskundige voorlichting ontvangen.

(Kamerstukken II 1962-1963, 6811, nr.5, MvA, p. 7-9)

5. Uit de wet en de aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar dat het door de wetgever beoogde slijtersbedrijf wordt uitgeoefend in een inrichting, waar voorraad aanwezig is waaruit particulieren, indien gewenst na advies van de ter zake deskundige slijter, een keuze kunnen maken uit de van etiketten voorziene flessen, waarna uiteindelijk de sterke drank wordt verkocht (verstrekt).

Gelet op de hierboven geschetste feiten is er bij [bedrijf] geen voor het publiek zichtbare van etiketten voorziene drankvoorraad aanwezig. De eventueel aanwezige flessen sterke drank bevinden zich in pakketten en zijn als zodanig voor de medewerkers van [bedrijf] en vervoerders niet herkenbaar. Er is geen slijtlokaliteit waar particulieren drank kunnen uitzoeken, waar drank kan worden ge- of verkocht (verstrekt) en waar klanten zich kunnen laten voorlichten door een deskundige slijter. De activiteiten van [bedrijf] lijken in niets op de vergunningplichtige activiteiten die worden ontplooid door het slijtersbedrijf als bedoeld door de wetgever. Gelet op de feitelijke werkzaamheid van [bedrijf], het (doen) vervoeren van pakketten, staat ook vast dat [bedrijf] niet aangemerkt kan worden als een grossier, die optreedt als handelaar tussen enerzijds de fabrikant of importeur en anderzijds de detaillist.

De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] geen slijtersbedrijf uitoefent zoals bedoeld in de DHW. Daarom heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd is om handhavend op te treden.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep

  • -

    tegen het besluit van 20 oktober 2014 (het bestreden besluit I): niet-ontvankelijk

  • -

    tegen het besluit van 15 januari 2015 (het bestreden besluit II): ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter, en mr. J.M.H. Rijken-Lie, en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. A.E. van Langen-Wouda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.