Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3883

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
14_340
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1272, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Watervergunningen. Zelf in de zaak voorzien. Monitoringsverplichting

Door de StAB is geconstateerd dat de maatregelen in de vergunningen deels afwijken van de maatregelen genoemd in de drie rapporten die ten grondslag hebben gelegen aan de planologische besluitvorming ten behoeve van het gebied Terlo. Ook bestaan hiaten in de kennis met betrekking tot het functioneren van het watersysteem nabij het gebied Terlo. Het had op de weg van verweerder gelegen om, bij gebrek aan voldoende onderzoek, aan de bestreden besluiten een monitoringsverplichting te verbinden. De StAB heeft aangegeven dat bij uitvoering van het totaalpakket aan maatregelen in de vergunningen aan het uitgangspunt wordt voldaan dat de waterhuishouding in het gebied wordt verbeterd en dat overstromingen in uitzonderlijke situaties beheersbaar worden en de watergangen in het gebied in de situatie T=100 nauwelijks zullen overlopen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding de drie watervergunningen volledig te herroepen. De Gelet op de onvolledige voorbereiding van de watervergunningen en de kennishiaten omtrent de waterhuishouding in het (complexe) gebied zal de rechtbank als voorschrift aan de vergunningen verbinden dat monitoring van het gebied Terlo plaatsvindt conform het monitoringsplan Terlo van 15 juni 2015 dat partijen naar aanleiding van het StAB advies en de zitting gezamenlijk hebben opgesteld.

Wetsverwijzingen
Waterwet, geldigheid: 2015-08-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 14/340, SHE 14/3604, SHE 15/310

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Krijger),

en

het Dagelijks Bestuur van het Waterschap De Dommel, verweerder

(gemachtigden: mr. C.C.E.J. van Weert-de Laat, ing. P.J. van Otterdijk en A.G.P.M. van Ham).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Bergeijk, vergunninghouder

(gemachtigden: mr. T.A.P.S. Duffhues en F.H.J. van den Heuvel).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2013 heeft verweerder een watervergunning verleend aan vergunninghouder voor het realiseren van bergingsvijver R4, het aanpassen en het dempen van een watergang en het verwijderen van een duiker nabij de watergang Breerijt, bekend bij het waterschap onder nummer KS20, in het gebied ten noorden en oosten van de sportvelden gelegen aan het Kerkpad te Bergeijk (primair besluit 1). Tegen dit besluit heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 december 2013 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bekend onder SHE 14/340.

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning verleend voor het realiseren van bergingsvijver R3, het aanleggen van een duiker en het dempen van een watergang (primair besluit 2). Tegen dit besluit heeft eiser bij verweerder bezwaar ingediend. Bij besluit van 28 augustus 2014 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2014 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 28 augustus 2014 heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder SHE 14/3604.

Bij besluit van 12 december 2014 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning verleend voor het creëren van waterberging R5 door het aanpassen van een watergang, het aanleggen van een overkluizing, het aanleggen van een duiker, het aanleggen van oeverbeschoeiing en het plaatsen van een terugslagklep op een bestaande duiker op de percelen, kadastraal bekend als gemeente Bergeijk, sectie A, nummers 2512, 2188, 2209 en 2394 in en nabij de watergang Breerijt, bekend bij het waterschap onder nr. KS20. Als voorschrift is aan de vergunning verbonden dat de totale bergingscapaciteit van R5 en R5a tenminste 1.000 mᶟ moet zijn. Hiertegen heeft eiser rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder SHE 15/310.

Verweerder heeft meerdere verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting inzake SHE 14/340 heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen bij gemachtigden.

Bij brief van 29 september 2014 heeft de rechtbank de Stichting advisering bestuursrechtspraak (StAB) benoemd tot deskundige voor het instellen van een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht. Op 8 januari 2015 heeft de StAB advies aan de rechtbank uitgebracht.

Bij brieven van 20 februari 2015 en 7 mei 2015 heeft eiser een reactie gegeven op het StAB-rapport. Verweerder en vergunninghouder hebben op 28 april 2015 een reactie gegeven op het StAB-rapport.

Het onderzoek ter zitting inzake SHE 14/340, SHE 14/3604 en SHE 15/310 is hervat c.q. heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De derde partij is verschenen bij gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is eigenaar van een perceel aan de [adres] . Het perceel ligt net binnen de bebouwde kom van [woonplaats] . Eiser exploiteert op dat perceel een installatiebedrijf. Op het perceel van eiser staat het woonhuis van eiser en een werkplaats. Om het perceel van eiser loopt een sloot ter afwatering van zijn perceel. Ten westen, zuiden en zuidoosten van het perceel van eiser is de woonwijk Terlo geprojecteerd.

1.2

Eiser heeft destijds beroep ingesteld tegen de goedkeuring van de vaststelling van het bestemmingsplan “Terlo”. Voor dit plan is door Oranjewoud in 2010 een plan “waterhuishoudingsplan Ontwikkelingslocatie Terlo Bergeijk” opgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 25 november 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK4290) het beroep op dit onderdeel ongegrond verklaard. Tegen de op het bestemmingsplan Terlo gebaseerde uitwerkingsplannen “Terlo 1” en “Terlo 2” heeft eiser eveneens beroep ingesteld. Tijdens dit beroep heeft de gemeente de waterproblematiek nader onderzocht, resulterend in het door Arcadis opgestelde rapport “Functioneren Breerijt” d.d. 14 juli 2011. Dit rapport is getoetst door het bureau Artesia Water Research Unlimited. Artesia heeft op 1 juli 2011 het advies “Hydrologisch neutraal bouwen van de wijk Terlo in Bergeijk” uitgebracht. De Afdeling heeft in de uitspraak van 7 december 2011 (ECLI:NL:RVS: 2011:BU7024) de rechtsgevolgen van de goedkeuring van de Uitwerkingsplannen 1 en 2 in stand gelaten.

1.3

Eiser heeft ook geprocedeerd tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van 19 woningen (plan Terlo). Bij uitspraak van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2586) heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard.

1.4

Om de bergingen R3 en R4 te kunnen realiseren is op 20 december 2012 het bestemmingsplan “Terlo herziening” vastgesteld, dat daarnaast een uitwerking van het noordelijke deel van het bestemmingsplan Terlo omvat. Het middendeel van het moederplan Terlo is ongeveer tegelijkertijd aangepast in het bestemmingsplan “Terlo Midden” (vastgesteld op 27 juli 2013). Eiser heeft tegen beide plannen beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij uitspraken van 11 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2109 respectievelijk ECLI:NL:RVS:2014:2050) heeft de Afdeling de beroepen tegen beide bestemmingsplannen ongegrond verklaard.

1.5

Verweerder heeft in totaal 4 watervergunningen verleend ter verbetering van de waterhuishouding in plan Terlo. Naast de drie in geschil zijnde watervergunningen heeft verweerder op 25 juni 2012 een watervergunning verleend voor het aanbrengen van diverse wijzigingen in de waterhuishouding ten behoeve van de ontwikkeling van de woonwijk Terlo fase 1. Met deze vergunning zijn in 2012 onder meer de bergingsvijvers R1 en R2, een regelstuw, de aanpassing van een aantal watergangen, duikers en een overkluizing (bypass) Weebosserweg naar Triloo gerealiseerd. Tegen deze vergunning is geen beroep ingesteld.

1.6

In november 2010 zijn delen van het afvoergebied van de Breerijt benedenstrooms van het perceel van eiser bij een hevige neerslaggebeurtenis overstroomd. De neerslaggebeur-tenis was kleiner dan de maatgevende gebeurtenis die ten grondslag lag aan het Waterhuishoudingsplan.

2. Ter zitting van 23 september 2014 is vastgesteld dat de grieven van eiser zich niet richten tegen de drie rapporten “Functioneren Breerijt”, “Waterhuishoudingsplan, Ontwikkelingslocatie Terlo, Bergeijk” en “Hydrologisch Neutraal Bouwen van de wijk Terlo in Bergeijk” die mede ten grondslag liggen aan de watervergunningen.

3. Eiser heeft in de aanloop naar de tweede procedure geklaagd dat verweerder laat heeft gereageerd op het advies van de StAB. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om in het kader van een goede procesorde de reactie van verweerder buiten beschouwing te laten. Ter zitting heeft eiser zich over verweerders reactie kunnen uitlaten.

4.1

Eiser heeft met betrekking tot alle drie de bestreden besluiten in algemene zin aangevoerd dat in het gebied Terlo woningen gebouwd gaan worden in een zeer nat gebied. Er is in de afgelopen 10 jaar vrijwel elk jaar sprake geweest van wateroverlast. De gronden van eiser liggen op nagenoeg het laagste punt. De gemeente Bergeijk is voornemens ten behoeve van de woningbouw delen van het gebied op te hogen. Eiser vreest dat de wateroverlast voor zijn perceel dan nog verder zal toenemen. Eiser beoogt met zijn beroep een waarborg voor een goede waterhuishouding in het gebied Terlo. Eiser stelt dat in de vergunningen opnieuw wordt afgeweken van eerder door de gemeente gehanteerde aannames en uitgangspunten. Eiser heeft deze stelling onderbouwd met een rapport van drs. ing. C. Snaterse van 13 september 2013 (het rapport Snaterse). Snaterse concludeert hierin dat het voorgenomen en gerealiseerde maatregelenpakket ontoereikend is om een goede waterhuishouding te waarborgen en de risico’s van wateroverlast voor eiser voldoende te mitigeren. Voor het treffen van de juiste maatregelen is nader onderzoek vereist gebaseerd op actuele en voldoende informatie en zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk gebaseerd op in het rapport opgenomen aanbevelingen. Hierop wordt in het bestreden besluit niet ingegaan. Verweerder heeft zich evenmin vergewist of de maatregelen in de bestreden besluiten daadwerkelijk uitvoerbaar zijn en aansluiten op reeds eerder genomen of nog te nemen maatregelen in het gebied. Eiser beklaagt zich in dit verband over de fasering van de maatregelen in meerdere besluiten. Eiser constateert dat niet vast staat dat de bergingscapaciteit van de totale bergingsvijvers voldoende is om het gebiedseigen water op te vangen en op verantwoorde wijze af te voeren. Niet vast staat dat bergingsvijvers, die voornamelijk zijn bedoeld om water uit het afwateringsgebied op te vangen, die functie kunnen vervullen. Onvoldoende staat vast dat de afwatering van het retentiewater uit het gebied op adequate wijze kan geschieden. Volgens eiser wordt afgeweken van het uitgangspunt van een grondwater neutrale ontwikkeling. Niet aannemelijk is geworden dat de werkelijke waterhuishoudkundige situatie van het geheel ten opzichte van de oorspronkelijke werkelijke situatie verbetert.

4.2

Verweerder heeft de bestreden besluiten onder meer gebaseerd op de rapporten “Functioneren Breerijt”, “Waterhuishoudingsplan, Ontwikkelingslocatie Terlo, Bergeijk” en “Hydrologisch Neutraal Bouwen van de wijk Terlo in Bergeijk”. Aan de uitgangspunten van deze rapporten wordt voldaan. Verweerder stelt dat de maatregelen niet zijn bedoeld om het van oudsher natte perceel van eiser droog te krijgen. De toets die is gedaan is dat er geen significante vernatting van het perceel mag optreden. In andere woorden: minimaal gelijke ontwateringsdiepte in de nieuwe situatie (2015) ten opzichte van de oude situatie (2009). De toets vanuit het beleid is een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Dit wordt uitgelegd in het beleid als het vasthouden en vertraagd afvoeren van afstromend hemelwater. Van belang is of voldoende berging wordt gecreëerd om te voldoen aan de beleidsregels van het water-schap bij de toename van verhard oppervlak (als gevolg van de woningbouw). Hoewel de maatregelen in de vergunningen deels afwijken van specifiek genoemde maatregelen in de rapporten Waterhuishoudingsplan en Functioneren Breerijt zijn de effecten van deze aangepaste maatregelen doorgerekend en verbetert de waterhuishoudkundige situatie in het gebied ten opzichte van de situatie zoals voorgesteld in de rapporten. Omdat de woonwijk Terlo in meerdere fasen wordt aangelegd worden per fase maatregelen gerealiseerd om de waterhuishouding te verbeteren. Verweerder stelt dat in alle verschillende fases het watersysteem aan de eisen van een verantwoorde waterhuishouding dient te voldoen.

4.3

In opdracht van vergunninghouder is door Arcadis op 28 november 2013 een reactie gegeven op de rapportage van Snaterse. Arcadis stelt dat door het treffen van de watermaatregelen de situatie juist aanzienlijk zal verbeteren ten aanzien van de oorspronkelijke situatie. De kans dat delen van het perceel van eiser overstromen blijft aanwezig, maar is aantoonbaar kleiner dan in de situatie voor de realisering van de watermaatregelen. Daarbij is de kans zeer klein dat bij die overstromingen het waterniveau boven het bouwpeil van de gebouwen op dit perceel komt die op NAP +32,08 m en NAP +32,18 m liggen. Ten aanzien van berging R4 is opgemerkt dat bij de uitwerking van het ontwerp is geconstateerd dat het mogelijk was om op deze locatie beneden NAP +31,80 m maar boven NAP+ 31,30 m, 2.020 m3 te realiseren in plaats van de in tabel 13 (Functioneren Breerijt) genoemde 1.950 m3. Het model dat is gebruikt voor de berekeningen van de vergunningaanvragen is gebaseerd op het model van de rapportage Functioneren Breerijt. Hierin is de oppervlakkige afvoer vanaf de gebieden die afwateren op de Breerijt wel degelijk meegenomen. De afstroming van zowel de verharde als de onverharde gebieden wordt in het model berekend. De hydraulische berekeningen laten zien dat de situatie door deze maatregelen wel degelijk verbetert ondanks dat de maatregelen gefaseerd worden gerealiseerd.

4.4

De rechtbank heeft de StAB de vraag gesteld of de grondslag voor de verleende vergunningen overeenkomt met de uitgangspunten van de drie rapporten “Functioneren Breerijt”, “Waterhuishoudingsplan, Ontwikkelingslocatie Terlo, Bergeijk” en “Hydrologisch Neutraal Bouwen van de wijk Terlo in Bergeijk”. De StAB heeft in antwoord op deze onderzoeksvraag in algemene zin aangegeven dat het ter plaatse aanwezige waterhuishoudkundige systeem een aantal knelpunten kent en dat er weinig bekend is over de neerslag-afvoerrelatie van het gebied. De StAB merkt op dat de bergingscapaciteit van de bergingsvijvers R1, R2 en R3 in de vergunningen groter is dan het Waterhuishoudingsplan en het rapport “Functioneren Breerijt” voorschrijven. De capaciteit van R4 is kleiner dan uit het rapport “Functioneren Breerijt” volgt en de capaciteit van R5 is overeenkomstig het rapport. Teneinde te toetsen of wordt voldaan aan het in de drie rapporten opgenomen uitgangspunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen, stelt de StAB vast dat de neerslagsituatie T=10 (de situatie die op grond van het genoemde uitgangspunt maatgevend is) niet expliciet is beschouwd. De vergunningen voldoen niet aan de voorwaarde dat de afvoer uit het plangebied in de maatgevende situatie T=10 niet meer bedraagt dan de landbouwkundige afvoer. Voorts wordt gedeeltelijk afgeweken van het uitgangspunt dat de bergingsopgave boven NAP +31.00 moet liggen en het is onduidelijk of de bergingscapaciteit boven NAP+31,00 voor de situatie T= 100 meer dan 4.600 m3 bedraagt. De StAB merkt op dat de maatregelen in de vergunningen niet zijn getoetst overeenkomstig het toetsingsinstrumentarium dat in het beleid van het waterschap wordt voorgeschreven (het Sobek-RR model). De StAB concludeert dat onvoldoende is onderzocht of wordt voldaan aan de geldende norm voor wateroverlast. Ten aanzien van de aanvullende maatregelen is geconstateerd dat deze de waterhuishouding in het gebied dat afvoert op de Breerijt in sterke mate verbeteren. Uit de berekeningen volgt dat als gevolg van de maatregelen de watergangen in het gebied nauwelijks zullen overlopen. Aldus wordt met het totaalpakket aan maatregelen in de vergunningen aan het uitgangspunt voldaan dat de waterhuishouding in het gebied wordt verbeterd en dat overstromingen in uitzonderlijke situaties beheersbaar worden en de watergangen in het gebied in de situatie T=100 nauwelijks zullen overlopen.

4.5

Verweerder stelt dat uit het StAB-rapport volgt dat er voldoende berging is gerealiseerd. Overigens delen zij niet de opvatting van de StAB dat niet conform beleid is getoetst. Ook met het gehanteerde programma InfoWorks CS kan voldoende onderzoek worden verricht. Dit is ook gebruikt in het rapport “Functioneren Breerijt”. Gebruik van het SOBEK RR model leidt overigens tot de conclusie dat minder berging nodig is. Gezien de beleidsuitgangspunten is voldoende onderzocht of met de voorliggende vergunningen wordt voldaan aan de geldende norm voor wateroverlast. Ook als alleen de berging boven de GHG wordt meegenomen, wordt aan de bergingsopgave voldaan. Voortschrijdend inzicht bij verweerder heeft verweerder ertoe geleid niet langer vast te houden aan het NAP +31.00. Verweerder merkt op dat de watervergunning voor bergingsvijver R1 en R2 geen onderwerp is van de procedures.

4.6

Eiser stelt dat de StAB diens grieven grotendeels onderschrijft. Eiser merkt wel op dat het (eerdere) rapport van Snaterse niet door de StAB als bron in aanmerking is genomen. Voorts heeft de StAB alleen met verweerder overleg gevoerd over de wijze van monitoring.

4.7

Naar aanleiding van het bestreden besluit 3 hebben partijen tussentijds overleg gevoerd. Partijen hebben geconstateerd dat een duiker aan de zuidzijde van de Weebosserweg een technische verbetering is ten opzichte van de huidige aansluiting via een duiker onder de weg en vervolgens via de noordzijde richting de bypass. Eiser beoogt tevens dat een stuw wordt geplaatst in de sloot aan het Kerkepad en verweerder en vergunninghouder zijn bereid om deze aan te leggen, ook al achten zij de stuw niet noodzakelijk.

4.8

Ingevolge artikel 2.1 eerste lid sub a, van de Waterwet is de toepassing van deze wet gericht op onder meer de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Ingevolge artikel 6.21 van de Waterwet wordt een vergunning geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 van de Waterwet.

4.9

Op grond van artikel 2.8 van de Waterwet worden bij provinciale verordening normen gesteld voor de gemiddelde overstromingskans per jaar. In de Verordening Water Noord-Brabant (Verordening) zijn in artikel 2.3 normen gesteld. Voor de aanleg van de wijk Terlo lag het perceel van eiser buiten de bebouwde kom en gold de norm T=10. Na het besluit van de gemeenteraad van Bergeijk van 27 september 2012 ligt het perceel van eiser binnen de bebouwde kom.

4.10

De rechtbank stelt voorop dat de uitgangspunten in de drie rapporten Functioneren Breerijt”, “Waterhuishoudingsplan, Ontwikkelingslocatie Terlo, Bergeijk” en “Hydro-logisch Neutraal Bouwen van de wijk Terlo in Bergeijk” in overeenstemming zijn met de hierboven genoemde doelstelling van de Waterwet. De rechtbank ziet in navolging van de StAB de volgende uitgangspunten in de drie rapporten :

 er is geen toe- of afname van de afvoer op de rand van het plangebied: de afvoer op de grens van het plangebied bij extreme afvoersituaties (T=10) mag niet groter zijn dan de maatgevende afvoer van het plangebied in de referentiesituatie;

 er mogen geen veranderingen van oppervlaktewaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten;

 er mag geen overlast optreden door extreme gebeurtenissen;

 de neerlag wordt in het plangebied geborgen;

 water uit de bovenstroomse gebieden wordt geborgen of doorgevoerd;

 extreme waterstanden in het regionale systeem leiden niet tot overlast;

 er mogen geen veranderingen van grondwaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten.

Het gebruik van het programma Infoworks beschouwt de rechtbank niet als een van de uitgangspunten in de drie rapporten.

4.11

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om te onderzoeken of in alle neerslagsituaties, ook de neerslagsituatie T=10, wordt voldaan aan de uitgangspunten in de drie rapporten. Gelet op de bevindingen van de StAB op dit onderdeel is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bestreden besluiten in zoverre onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de maatregelen in de vergunningen deels afwijken van de maatregelen genoemd in de drie rapporten, in het bijzonder met betrekking tot de afwijkende bergingscapaciteit in vijver R4 alsmede dat hiaten bestaan in de kennis met betrekking tot het functioneren van het watersysteem nabij het plangebied Terlo. De rechtbank hecht hierbij geen waarde aan de bevinding van de StAB dat niet conform de voorgeschreven wijze van toetsen onderzoek is uitgevoerd omdat verweerder in zijn reactie en ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat door middel van het model Infoworks dat ook in een van de rapporten is gebruikt voldoende inzicht kan worden gekregen in de effecten van de maatregelen op het gebied. De rechtbank hecht evenmin betekenis aan de bevindingen van de StAB omtrent de watervergunning voor de vijvers R1 en R2 want deze vergunning is geen onderwerp van deze procedure. Dat de StAB de bevindingen in het rapport Snaterse niet bij het advies heeft betrokken acht de rechtbank evenmin van belang omdat verweerders besluitvorming centraal staat. Deze beroepsgrond slaagt.

5.1

Eiser stelt dat de duiker met een lengte van 170 meter niet functioneert. Hij zit (snel) verstopt en kent grote hoogteverschillen. Door het niet functioneren van deze duiker functioneren ook de getroffen watermaatregelen (onder andere de bypass en de retentie-vijvers) onvoldoende en voldoet het afvoersysteem niet. Voorts kan het vuilwaterriool de aanvoer van het water niet aan en loopt over. Het gemengde riool loost via de randvoor-ziening Broekstraat op vrijwel dezelfde locatie als de verlengde bypass. De waterstand van de Breerijt ter plaatse van deze lozingen beïnvloedt in extreme situaties zowel de werking van het gemengde systeem als de werking van de bypass. Dit is niet onderzocht.

5.2

De genoemde voorzieningen maken geen onderdeel uit van de bestreden vergunningen. De rechtbank ziet daarom niet in hoe deze eventuele gebreken of onvolkomenheden in het overige waterhuishoudingssysteem van het gebied kunnen leiden tot onrechtmatigheid van de bestreden besluiten. Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eiser beoogt dat monitoring en metingen in het gebied zullen gaan plaatsvinden en dat afhankelijk van de resultaten maatregelen zullen worden genomen. Eiser heeft nog een advies overgelegd van zijn deskundige, C. Snaterse, over het monitoringsplan van verweerder dat is opgesteld naar aanleiding van het StAB advies met een voorstel inzake (nadere) afspraken over monitoring.

6.2

De StAB heeft aangegeven dat verweerder is begonnen met het modelleren van het gehele beheersgebied om dit te toetsen aan de wateroverlastnormen in de Verordening. De StAB acht monitoring zinvol en geeft hier een aantal aanwijzingen voor. Verweerder heeft met inachtneming van het advies hierover van de StAB een monitoringsplan opgesteld. Na afloop van de zitting zijn partijen in overleg met elkaar getreden over de inhoud van het monitoringsplan dat vervolgens is aangepast. Eiser heeft de rechtbank bericht dat hij akkoord is met het definitieve Monitoringsplan Terlo van 15 juni 2015.

6.3

Gelet op de door de StAB geconstateerde hiaten in de beschikbare kennis en het hierboven geconstateerde gebrek in de voorbereiding van de bestreden besluiten is de rechtbank van oordeel dat het inderdaad op de weg van verweerder had gelegen om, bij gebrek aan voldoende onderzoek, aan de bestreden besluiten een monitoringsverplichting te verbinden. Deze beroepsgrond slaagt.

7.1

Gelet op rechtsoverwegingen 4.11 en 6.3 zijn de beroepen gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien op de navolgende wijze.

7.2

De StAB heeft aangegeven dat bij uitvoering van het totaalpakket aan maatregelen in de vergunningen aan het uitgangspunt wordt voldaan dat de waterhuishouding in het gebied wordt verbeterd en dat overstromingen in uitzonderlijke situaties beheersbaar worden en de watergangen in het gebied in de situatie T=100 nauwelijks zullen overlopen. Gelet op deze conclusie in het advies van de StAB ziet de rechtbank geen aanleiding de drie waterver-gunningen volledig te herroepen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser hier niet beter van wordt. De rechtbank gaat voorts uit van de bereidheid van verweerder en vergunninghouder om een duiker aan de zuidzijde van de Weebosserweg aan te leggen en een stuw in de sloot aan het Kerkepad te plaatsen. Deze maatregelen maken weliswaar geen onderdeel uit van de aanvragen maar van verweerder mag worden verwacht dat hij zijn afspraken nakomt.

7.3

Gelet op de onvolledige voorbereiding van de watervergunningen en de kennishiaten omtrent de waterhuishouding in het (complexe) gebied zal de rechtbank als voorschrift aan de vergunningen verbinden dat monitoring van het gebied Terlo plaatsvindt conform het monitoringsplan Terlo van 15 juni 2015. Voorts dient vergunninghouder op verzoek jaarlijks desgevraagd monitoringsgegevens aan bewoners van het gebied Terlo te verschaffen. De rechtbank verstaat onder het gebied Terlo het gebied aangeduid in figuur 1 van het StAB advies. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden besluiten voor zover deze worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om voorschriften op te nemen voor het geval de vergunde maatregelen niet resulteren in het gewenste resultaat, namelijk dat wordt voldaan aan de uitgangspunten in de drie rapporten dan wel de wateroverlastnormen in de Verordening. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder in dat geval aanvullende maatregelen zal (laten) treffen om aan de doelstelling van artikel 2.1 van de Waterwet te voldoen. Het voert bovendien te ver om bij wijze van vergunningsvoorschrift vergunninghouder te verplichten tot verdere maatregelen die nu niet zijn aangevraagd en waar mogelijk een nieuwe watervergunning voor is vereist.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht (in alle drie de zaken) vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in de beroepsfase en de bezwaarfase. De rechtbank beschouwt de drie zaken als samenhangende zaken omdat zij identiek zijn, met dien verstande dat de rechtbank wel van oordeel is dat eiser aanspraak kan maken op vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand gedurende de twee hoorzittingen bij verweerder en de twee zittingen bij deze rechtbank. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.205,00 (1 punt voor het indienen van twee bezwaarschriften, 2 punten voor het twee keer verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van drie beroepschriften, 2 punten voor het twee keer verschijnen ter zitting, ½ punt voor het geven van een schriftelijke reactie op het StAB-advies met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1). Eiser maakt ook aanspraak op vergoeding van gemaakte deskundigenkosten. Het betreffen facturen van Snaterse over de periode van week 40 (2014) tot en met week 22 (2015) tot een totaal bedrag van € 9.099,20. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Ingevolge artikel 1, onder b, van het Bpb kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op de kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Hoewel deze tekst niet dwingt tot een eis dat het verslag van de deskundige schriftelijk moet zijn uitgebracht, is de Rechtbank van oordeel dat het uit een oogpunt van inzichtelijkheid en controleerbaarheid is aangewezen dat het oordeel van die deskundige in een schriftelijk stuk van hemzelf is neergelegd. In onderhavig geval wreekt zich dat de gemaakte kosten niet alleen betrekking hebben op de schriftelijke rapporten van Snaterse maar ook in verband met het bijwonen van de zitting en overleggen met eisers gemachtigde. Voorts worden kosten in rekening gebracht die zijn gemaakt na de zitting. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de vergoeding voor deze kosten in goede justitie te bepalen op

€ 3.511,72 (25 x € 116,09) met toepassing van artikel 2, eerste lid onder a, van het Bpb en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluit 1 en 2;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 3 en herroept de primaire besluiten 1 en 2 voor zover daarbij geen voorschriften inzake monitoring zijn opgelegd aan vergunninghouder;

- verbindt de volgende voorschriften aan de primaire besluiten 1 en 2 en het bestreden besluit 3:

o vergunninghouder dient de effecten van de maatregelen die in deze vergunning zijn vergund te monitoren met inachtneming van het monitoringsplan Terlo van 15 juni 2015;

o vergunninghouder dient desgevraagd jaarlijks de monitoringsgegevens te verschaffen aan bewoners van het gebied Terlo.

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten 1 en 2 en het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 3;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 497,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 5.716,72.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. H.F.M.W. van Rijswick, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.