Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3873

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
3413860
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eenzijdige wijziging in de arbeidsvoorwaarden. Heeft de werkgever de wijziging van de verdeling van de bijdrage in de pensioenpremie eenzijdig mogen doorvoeren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0676
PJ 2015/128
AR 2015/1374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST- BRABANT

Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 3413860

Rolnummer : 14-8050

Uitspraak : 28 mei 2015

in de zaak van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd te Utrecht,

2. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

4. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

5. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

6. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

7. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats],

8. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

9. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

10. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats],

11. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

12. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

13. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

14. [eiser(es)],

Wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

15. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats],

16. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

17. [eiser(es)],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

18. [eiser(es)],

Wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

19. [eiser(es)], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eisers,

hierna te noemen: eiser sub 1 als ‘FNV’ en eisers sub 2 t/m 19 als ‘de werknemers’ en gezamenlijk als ‘eisers’,

gemachtigde: mr. F.A.A.C. Traa,

t e g e n :

Nederlandse Radiateuren Fabriek B.V.,

gevestigd te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert,

gedaagde,

hierna te noemen: ‘NRF’,

gemachtigde: mr. I.G.J. van den Broek.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- de conclusie van repliek met producties,

- de conclusie van dupliek met producties,

- de akte uitlating producties van eisers,

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

2.1.

NRF ontwikkelt, produceert en distribueert warmtewisselaars (radiateuren) en aanverwante producten (o.a. airconditioning, ventilatoren, en luchtkoelers) voor diverse branches zoals de automotive industrie en de scheepvaart. NRF maakt onderdeel uit van het Europese NRF-concern. In Europa zijn 4 fabrieken gevestigd, waaronder in Mill. In Mill staan twee productiehallen, waar koper/messing en aluminium wordt vervaardigd.

De Nederlandse vestiging in Mill is tevens het hoofdkantoor van het Europese concern.

2.2.

De werknemers zijn allen in loondienst werkzaam bij NRF. Ze zijn allemaal vóór 1 januari 2009 bij NRF in dienst getreden.

In de individuele arbeidsovereenkomsten van de werknemers is bepaald: “De pensioenpremie komt geheel voor rekening van de vennootschap.”

2.3.

In de Algemene Arbeidsvoorwaarden A d.d. 9 maart 2010, waarin een aantal arbeidsvoorwaarden zijn vastgelegd, is het volgende vermeld:

‘Artikel 11 Pensioen

1. Werknemer wordt door werkgever aangemeld als deelnemer van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie.

2. De pensioenpremie komt 50% voor rekening van werkgever en 50% voor rekening van de werknemer. Voor medewerkers die voor 1-1-2009 in dienst zijn getreden, komt de pensioenpremie volledig voor rekening van de werkgever.

(…)’.

2.4.

De werknemers van NRF zijn verplicht deelnemer in het Bedrijfstakpensioenfonds PME. In artikel VII. Financiering lid 2 van het Pensioenreglement PME is bepaald:

‘Bijdrage van de Deelnemer in de premie

De Active deelnemer is aan zijn Werkgever een bijdrage in de premie verschuldigd. Deze bijdrage bedraagt voor de verplichte deelneming maximaal 50% (tot 1 januari 2007 40%) van de totale premie die voor de Actieve deelnemer is verschuldigd. (…)’

2.5.

Op 5 december 2013 hebben NRF en de ondernemingsraad van NRF een principe akkoord gesloten met betrekking tot het versoberen van de arbeidsvoorwaarden, waaronder het wijzigen van de premievrije deelname aan het pensioen. De OR heeft een schriftelijke peiling gehouden om na te gaan of de medewerkers van NRF de resultaten van de afspraken accepteren. De meerderheid heeft ingestemd met het akkoord.

2.6.

NRF en de ondernemingsraad hebben vervolgens op 9 januari 2014 de Overeenkomst Aanpassing Arbeidsvoorwaarden ondertekend. Hierin is het volgende opgenomen:

‘1) Verdeling bijdrage pensioenpremie: 66,66% door werkgever, 33,33 % door werknemer.

2) Afbouwtermijn van 3 ½ jaren met de volgende staffel in bijdrage door werknemer:

1-1-2014: 8% (van de totale pensioenpremie)

1-1-2015: 16% (van de totale pensioenpremie)

1-1-2016: 24% (van de totale pensioenpremie)

1-1-2017: 32% (van de totale pensioenpremie)

1-7-2017: 33,33% eigen bijdrage pensioenpremie

2.6.

NRF heeft haar medewerkers de aangepaste ‘Algemene Arbeidsvoorwaarden A’ per brief van 10 januari 2014 toegezonden. In artikel 9 lid 2 van deze arbeidsvoorwaarden is het volgende vermeld:

‘De pensioenpremie komt 50% voor rekening van werkgever en 50% voor rekening van de werknemer. Voor medewerkers die vóór 1-1-2009 in dienst zijn getreden en tot januari 2014 een premievrij pensioen kenden, komt per juli 2017 66,66% van de pensioenpremie voor rekening werkgever en 33,33 % voor rekening van werknemer. Tot die tijd is onderstaande staffel van eigen bijdrage in de pensioenpremie van toepassing:

1-1-2014: 8%

1-1-2015: 16%

1-1-2016: 24%

1-1-2017: 32%

1-7-2017: 33,33%’.

NRF heeft haar medewerkers hierbij medegedeeld dat de wijzigingen per 1 januari 2014 geëffectueerd zullen worden.

3 Het geschil

3.1.

FNV vordert, zakelijk weergegeven,

- een verklaring voor recht dat NRF niet gerechtigd is om per 1 januari 2014 een werknemersbijdrage in de kosten van de pensioenregeling in te voeren;

- dat de kantonrechter NRF zal gebieden om de premieverdeling 0% werknemer en 100% werkgever alsnog na te komen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2014, onder verbeurte van een dwangsom.

De werknemers vorderen, zakelijk weergegeven,

- dat NRF zal worden veroordeeld tot het toepassen van de pensioenpremieverdeling 0% werknemer en 100% werkgever vanaf 1 januari 2014;

- dat NRF zal worden veroordeeld tot het maken van een op basis van voormelde pensioenpremieverdeling geldende herberekening van het te weinig betaalde loon vanaf 1 januari 2014, op straffe van een dwangsom,

- dat NRF zal worden veroordeeld tot betaling van het uit die herberekening blijkende te weinig betaalde loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente,

Eisers vorderen gezamenlijk, zakelijk weergegeven,

- dat NRF zal worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad

€ 875,-, en

- dat NRF zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Eisers leggen, tegen de achtergrond van (een deel van) de vaststaande feiten, het volgende aan hun vordering ten grondslag.

FNV is op grond van artikel 3:305a lid 3 BW bevoegd om haar vorderingen in te stellen.

Het pensioenreglement bevat slechts een bovengrens van 50%. Het is aan de individuele werkgever om in overleg een andere verdeling te bepalen. In de individuele arbeidsovereenkomsten van de werknemers is van die afwijkingsmogelijkheid gebruik gemaakt en wel in die zin dat daarin is bepaald dat NRF de volledige pensioenpremie voor haar rekening neemt. Ook in de Algemene Arbeidsvoorwaarden A is bepaald dat de pensioenpremie geheel voor rekening van de werkgever komt. De werknemers zijn allemaal vóór 1 januari 2009 bij NRF in dienst getreden. In de individuele arbeidsovereenkomsten is geen eenzijdig wijzigingsbeding, zoals bedoeld in artikel 7:613 BW, opgenomen.

De ondernemingsraad is geen partij bij de totstandkoming van de arbeidsvoorwaarden tussen NRF en de aldaar werkzame personeelsleden. De OR kan de individuele werknemers dan ook niet binden ten aanzien van het aangaan of het wijzigen van die arbeidsvoorwaarden. De werknemers zijn niet gebonden aan de ‘Overeenkomst Aanpassing Arbeidsvoorwaarden’. Zij hebben hun instemming onthouden. De werknemers gaan er alleen maar op achteruit en zitten niet te wachten op een structurele inkomensachteruitgang. Het enkele gegeven dat volgens de CAO een premieverdeling van 50%-50% gehanteerd mag worden, betekent niet dat NRF de met haar werknemers overeengekomen arbeidsvoorwaarden eenzijdig terzijde kan schuiven.

Eisers betwisten dat de bedrijfseconomische situatie dusdanig zou zijn dat NRF met succes een beroep zou kunnen doen op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW. Weliswaar zijn enkele onderdelen van NRF verliesgevend, het bedrijf in het geheel draait echter nog steeds met winst.

3.2.

NRF voert, kort weergegeven, het volgende verweer.

NRF heeft op een aantal onderdelen de Algemene Arbeidsvoorwaarden A willen aanpassen; de winstdelingsregeling, de anciënniteitsuitkering en de verdeling van de pensioenpremie. Het gaat hier om arbeidsvoorwaarden die losstaan van de cao: het zijn extra of riantere arbeidsvoorwaarden dan de cao kent.

NRF heeft met de OR afspraken gemaakt over de wijziging van onder andere de verdeling van de pensioenpremie. NRF is zich ervan bewust dat de afspraken met de OR de individuele werknemers niet per definitie bindt. NRF is echter van oordeel dat zij onder de gegeven omstandigheden het recht heeft de wijziging eenzijdig door te voeren.

De fabrieken in Mill, waar koper/messing en aluminiumproductie plaatsvindt, draaien al jaren verlies. Voor het voortbestaan van de fabrieken en behoud van werkgelegenheid is een verlaging van de arbeidskosten noodzakelijk. Er is een langdurig overlegtraject geweest met de OR waar een onderhandelingsresultaat uit voort is gekomen. Daarvoor bestond een groot draagvlak bij het personeel. Het invoeren van een eigen bijdrage voor de pensioenpremie vindt stapsgewijs plaats, zodat pas na 3,5 jaar de pensioenbijdrage op de afgesproken norm zit. Dit is een verslechtering voor de werknemers, maar nog altijd een gunstigere regeling dan de standaardregeling in de CAO. Het voorkomen van het sluiten van de fabrieken in Mill is een collectief belang. NRF heeft met betrekking tot de wijziging van de verdeling van de pensioenpremie een redelijk voorstel gedaan, waarop de werknemers positief behoren in te gaan.

Ook op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft NRF het recht om de wijziging eenzijdig door te voeren.

3.5.

Hetgeen partijen nog bij conclusie van repliek en van dupliek en bij akte hebben aangevoerd zal, indien en voor zover relevant, in het navolgende aan de orde komen

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het met elkaar eens dat de afspraken die NRF met de OR heeft gemaakt ter zake van de wijziging van de eigen bijdrage van de pensioenpremie de werknemers niet bindt. Op grond van de individuele arbeidsovereenkomsten komt de pensioenpremie geheel voor rekening van de werkgever en de werknemers kunnen daar in beginsel ook aanspraak op maken. Van een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW is geen sprake.

Hetgeen ter beantwoording voorligt is aldus de vraag of NRF de wijziging van de verdeling van de pensioenpremie eenzijdig heeft mogen doorvoeren c.q. of de werknemers op goede gronden geweigerd hebben om die wijziging te accepteren.

4.2.

NRF toetst de door haar gewenste wijziging aan de criteria zoals door de Hoge Raad geformuleerd in het Stoof/Mammoet-arrest (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847).

Eisers stellen zich op het standpunt dat die maatstaf niet gehanteerd dient te worden bij de beoordeling van hun vordering omdat geen sprake is van een wijziging van de arbeidsvoorwaarden in een individueel geval maar van een wijziging van een regeling voor een groep van werknemers. De gewenste wijziging dient volgens eisers alleen te worden getoetst aan artikel 6: 248 lid 2 BW.

De kantonrechter ziet gelet op de geldende rechtspraak op dit punt, anders dan door eisers bepleit, geen aanleiding om een andere maatstaf aan te leggen dan de gehanteerde maatstaf in het Stoof/Mammoet-arrest. Materieel zal deze toets overigens niet anders uitvallen dan de toets aan artikel 6:248 lid 2 BW.

4.3.

Bij de beoordeling van de vraag of een werknemer positief moet reageren op een voorstel tot (eenzijdige) wijziging van de arbeidsvoorwaarden - zoals onderhavige wijziging in de verdeling van de bijdrage in de pensioenpremie - waarbij geen sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van art. 7:613 BW, zijn volgens vaste jurisprudentie drie te beantwoorden vragen te onderscheiden: 1) is er sprake van gewijzigde omstandigheden die voor de werkgever reden kunnen zijn om een wijziging van de overeenkomst voor te stellen? 2) is het gedane voorstel tot wijziging van de overeenkomst in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk? En 3) kan aanvaarding van de wijziging in redelijkheid van de werknemer worden gevergd?

4.4.

NRF heeft uitvoerig de omstandigheden uiteengezet die tot de gewenste wijziging in de arbeidsvoorwaarden aanleiding hebben gegeven. De fabrieken van NRF te Mill schrijven al jaren achtereen rode cijfers. Het bedrijf is in de loop der jaren steeds meer een handelsbedrijf geworden en steeds minder een productiebedrijf. Heden ten dage, zo stelt NRF, is ongeveer 70% van de verhandelde producten inkoop, terwijl dat voorheen 70% eigen productie was. NRF heeft ter toelichting hierop aangevoerd dat het niet meer loont om in Nederland standaard producten te produceren omdat deze elders in de wereld vele malen goedkoper worden geproduceerd. Het volume in massaproductie is steeds verder afgenomen en vervangen door op maat gemaakte specifieke producten. Dit heeft tot gevolg dat er op de zelf gefabriceerde producten meer en meer verlies wordt geleden. Het is daarom volgens NRF noodzakelijk, teneinde te vermijden dat de fabrieken worden gesloten, om de productiekosten te verlagen.

NRF heeft aldus voldoende onderbouwd dat er voor haar aanleiding is om de onderhavige wijziging voor te stellen. Daarmee is de eerste vraag bevestigend beantwoord.

4.5.

De tweede vraag kan echter niet positief worden beantwoord. Bij de beantwoording van deze vraag dienen alle omstandigheden te worden meegewogen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven, de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, het belang van NRF bij het voorstel en het belang van de werknemers bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden.

In dit verband moet als eerste worden vastgesteld dat, anders dan NRF van mening is, in het onderhavige geval sprake is van een wijziging van een primaire arbeidsvoorwaarde. De gevraagde bijdrage in de pensioenpremie brengt immers een verlaging van het nettoloon met zich. Deze verlaging bedraagt kennelijk, afhankelijk van de hoogte van het loon, 3,5% tot 6%. Het gaat aldus om een substantiële verlaging.

Het belang van de werknemers bij het ongewijzigd blijven van het (netto)loon is evident en komt groot gewicht toe. Waar de rechter zich in het algemeen terughoudend dient op te stellen met betrekking tot het goedkeuren van een eenzijdige wijziging van een arbeidsvoorwaarde door een werkgever, geldt dat temeer ten aanzien van een wijziging die een verlaging van het nettoloon ten gevolge heeft.

Van betekenis is voorts dat de fabrieken van NRF te Mill kennelijk verliesgevend zijn, maar dat niet is gesteld of gebleken dat, zonder de onderhavige wijziging van de arbeidsvoorwaarden, sluiting ervan onafwendbaar is dan wel een faillissement van de onderneming onafwendbaar is. Integendeel, NRF maakt blijkens de overgelegde gedeponeerde jaarrekeningen ieder jaar een behoorlijke winst. De onderhavige wijziging van de arbeidsvoorwaarden is derhalve bepaald nog geen ultimum remedium.

Om deze redenen kan de betreffende wijziging niet als redelijk worden aangemerkt.

4.6.

Voorgaande overwegingen brengen tevens met zich dat aanvaarding van de wijziging in redelijkheid niet van de werknemers kan worden gevergd. Daaraan doet niet af dat de Ondernemingsraad met de wijziging heeft ingestemd en dat blijkbaar een groot aantal van de werknemers heeft ingestemd met de wijziging, althans daartegen geen overwegende bezwaren heeft.

4.7.

De vorderingen zijn derhalve toewijsbaar, zij het met de volgende aanpassingen.

De wettelijke verhoging is toewijsbaar, doch wordt gematigd tot 10%, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat tevens de wettelijke rente toewijsbaar is.

De door FNV gevorderde dwangsom is toewijsbaar als na te melden, aangezien FNV, als vereniging als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 BW, er een zelfstandig belang bij heeft dat de wijziging ongedaan wordt gemaakt.

De door de werknemers gevorderde dwangsom met betrekking tot de gevorderde herberekening van het te weinig betaalde loon is toewijsbaar vanaf 60 dagen na betekening van het vonnis, gelet op de complexiteit van de herberekeningen. De dwangsom is verder toewijsbaar als na te melden.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar, aangezien eisers onvoldoende hebben onderbouwd dat zij buiten rechte kosten hebben gemaakt die niet vallen onder de kosten die geacht worden te worden vergoed met de proceskostenveroordeling.

4.8.

NRF zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van de vorderingen van FNV:

verklaart voor recht dat NRF niet gerechtigd is om per 1 januari 2014 een werknemersbijdrage in de kosten van de pensioenpremie in te voeren;

gelast NRF binnen 60 dagen na betekening van dit vonnis de premieverdeling 0% werknemer en 100% werkgever alsnog na te komen, en wel met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2014, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag voor elke dag dat NRF dit nalaat;

bepaalt dat ten titel van deze dwangsom geen hoger bedrag verbeurd zal kunnen worden dan de somma van € 100.000,-, en dat de dwangsom vatbaar is voor matiging voor zover handhaving ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

ten aanzien van de vorderingen van de werknemers:

veroordeelt NRF tot het toepassen van de pensioenpremieverdeling 0% werknemer en 100% werkgever vanaf 1 januari 2014;

veroordeelt NRF binnen 60 dagen na betekening van dit vonnis een voor ieder van eisers sub 2 tot en met 19 op basis van voormelde pensioenpremieverdeling geldende herberekening van het vanaf 1 januari 2014 te weinig betaalde loon te maken, op straffe van een dwangsom van € 25,- per dag per werknemer voor elke dag dat NRF niet aan deze veroordeling voldoet;

bepaalt dat ten titel van deze dwangsom geen hoger bedrag verbeurd zal kunnen worden dan de somma van € 2.000,- per werknemer, en dat de dwangsom vatbaar is voor matiging voor zover handhaving ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

veroordeelt NRF tot betaling van het uit die herberekening blijkende te weinig betaalde loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, gematigd tot 10%, en met de wettelijke rente vanaf het moment van het opeisbaar worden van de deelbedragen van het achterstallige loon tot de dag der voldoening;

ten aanzien van de vorderingen van alle eisers:

veroordeelt NRF in de kosten van de procedure, aan de zijde van eisers tot heden begroot op € 1.305,80, waarvan € 93,80 wegens explootkosten, € 462,- wegens griffierecht en € 750,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis waar het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2015.