Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3871

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
01/860133-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Wel poging daartoe door op korte afstand met een glas water in iemands gezicht te gooien waarbij het slachtoffer geraakt werd door het glas. Voorwaardelijk opzet.

Opgelegd wordt een taakstraf van 180 uren met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van twee jaren. Tevens dient ruim EUR 5.000,- aan schade te worden betaald.

Eis was 10 maanden gevangenisstraf, gebaseerd op zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860133-15

Datum uitspraak: 07 juli 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 mei 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 juni 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 10 januari 2015 te Eindhoven aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere, althans een, snijwond(en) met (een) blijvend(e) litteken(s) in het gezicht, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een glas in het gezicht te slaan, althans (met kracht) met een zwaaiende beweging die [slachtoffer] met een glas tegen haar gezicht te slaan ;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 10 januari 2015 te Eindhoven [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een glas tegen haar gezicht te slaan, althans (met kracht) met een zwaaiende beweging die [slachtoffer] tegen haar gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) snijwond(en) in het gezicht met (een) blijvend(e) litteken(s) in het gezicht ten gevolge heeft gehad;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 10 januari 2015 te Eindhoven grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig

met een glas in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen, althans met een glas (met kracht) een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het gezicht van [slachtoffer] en daarbij het gezicht van [slachtoffer] heeft geraakt, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer snijwonden met (een) blijvend(e) litteken(s), heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

art 308 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Primaire feit.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij stelt dat verdachte op een drukke dansvloer de keuze heeft gemaakt om met een glas van korte afstand water te gooien naar het slachtoffer. Verdachte is doelbewust met een glas in de hand afgegaan op het slachtoffer en heeft op korte afstand van het slachtoffer een gooiende beweging met dat glas gemaakt naar het gezicht van het slachtoffer, zodat de kans om haar met dat glas in het gezicht te raken aanmerkelijk was. Door het handelen van verdachte is in ieder geval sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De officier van justitie hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat zij haar enkels verzwikte op het moment dat zij water naar het slachtoffer gooide.

De raadsman van verdachte bepleit vrijspraak voor het primair tenlastegelegde, omdat er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte had hoge hakken aan en zou zijn omgezwikt, waardoor het beoogde nat gooien is ontaard in onderhavig incident.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat zij het opzet had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zij heeft verklaard dat zij enkel met water wilde gooien naar [slachtoffer]. Zij maakte -aldus verdachte- met haar linkerhand waarin zij het glas vasthield, een zwaaiende beweging naar links in de richting van [slachtoffer] en raakte daarbij met het glas [slachtoffer] in het gezicht. Volgens verdachte is zij tijdens haar draaiende beweging omgezwikt omdat zij op hoge hakken liep.

De verklaring van verdachte dat zij enkel met water wilde gooien, wordt ondersteund door de verklaring van de [getuige] die zag dat verdachte een snelle beweging met haar arm maakte en hij dacht dat verdachte met drank naar het slachtoffer gooide.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte verrichte handelingen, te weten het pakken van het glas, het snelle omdraaien richting het slachtoffer en het maken van een gooiende beweging naar het slachtoffer, er op duiden dat zij slechts de bedoeling had water te gooien naar het slachtoffer door wie zij en haar vriend kort tevoren waren nat gegooid. Dat verdachte doelbewust het slachtoffer met een glas in het gezicht heeft willen slaan is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank is er evenmin sprake van voorwaardelijk opzet. Door te handelen als hiervoor vermeld, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank wel de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij het slachtoffer met het glas in het gezicht zou raken, maar niet dat zij [slachtoffer] aldus zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling en dient verdachte van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging (subsidiaire feit).De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer].

Zoals hierboven is overwogen, wilde verdachte - uit boosheid - de inhoud van het glas in het gezicht van [slachtoffer] gooien. Verdachte maakte een snelle beweging met haar hand waarmee ze het glas vasthield in de richting van het gezicht van [slachtoffer], die zeer dicht bij haar stond. De rechtbank gaat uit van de lezing van verdachte dat het niet haar bedoeling was om [slachtoffer] letsel toe te brengen. Door echter zo te handelen, is de rechtbank van oordeel dat zij daarmee willens en weten de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij met het glas [slachtoffer] in het gezicht zou raken en daardoor pijn en/of letsel bij haar zou veroorzaken. Als gevolg van verdachtes handelen heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende zichtbare en ontsierende littekens in het gezicht opgelopen.

Bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

(subsidiair)

op 10 januari 2015 te Eindhoven [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een glas tegen haar gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten snijwonden in het gezicht met blijvende littekens in het gezicht ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Voor het primaire feit:

Een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ad € 5821,54 te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een druk café [slachtoffer] met een glas in het gezicht geslagen. De gevolgen voor [slachtoffer] zijn als ingrijpend en ernstig aan te merken. [slachtoffer] heeft door het handelen van verdachte diverse snijwonden in haar gezicht opgelopen. De snijwonden zijn gehecht met 60 à 70 hechtingen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat [slachtoffer] iedere dag geconfronteerd wordt met de gevolgen van het voorval. Zij heeft meerdere blijvende littekens in het gezicht. Bovendien is het nog maar de vraag of er in de toekomst door een plastisch chirurg nog iets aan de littekens gedaan kan worden.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat zij de ernst van het leed dat zij aan haar slachtoffer heeft aangedaan inziet en oprecht berouw heeft getoond.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, een taakstraf voor de duur van 180 uur passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het primaire feit en dus minder bewezen acht dan de officier van justitie en voorts van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].De benadeelde partij heeft een vordering ingediend van € 5.821,54, inclusief € 500,00 aan kosten rechtsbijstand.

De rechtbank acht - met uitzondering van de kosten rechtsbijstand, die geen deel uitmaken van de schadevergoeding maar als kosten van de benadeelde partij voor vergoeding in aanmerking komen - de vordering toewijsbaar, nu deze door de verdediging niet is weersproken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op EUR 500,00 terzake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag ad € 5.321,54 tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 300.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

T.a.v. primair: De rechtbank verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij.

T.a.v. subsidiair:

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. subsidiair:mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. subsidiair: Taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. subsidiair: Gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

T.a.v. subsidiair: Maatregel van schadevergoeding van EUR 5.321,54 subsidiair 61 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 5.321,54 (zegge: vijfduizend driehonderdeenentwintig euro en vierenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit EUR 5.000,00 immateriële schadevergoeding (post 2) en EUR 321,54 materiële schadevergoeding (overige posten).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2015, de datum van het delict, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van EUR 5.321,54 (zegge: vijfduizend driehonderdeenentwintig euro en vierenvijftig cent), te weten EUR 5.000,00 immateriële schadevergoeding (post 2) en EUR 321,54 materiële schadevergoeding (overige posten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2015, de datum van het delict, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op EUR 500,00 terzake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief in kantonzaken.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. M. Senden en mr. W.B. Kok, leden,

in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,

en is uitgesproken op 7 juli 2015.

Mr. W.B. Kok is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.