Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3866

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
05-01-2016
Zaaknummer
15_411
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebiedsverbod door burgemeester op grond van artikel 172a, van de Gemeentewet. Gelet op de duur, frequentie en de ernst van de overlast waarbij eiser betrokken was, heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om aan eiser een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden op te leggen, maar de rechtbank acht de motivering van verweerder voor het aanwijzen van het forse gebied onvoldoende. Alle incidenten waarbij eiser betrokken is geweest, hebben plaatsgevonden in het centrum van Eindhoven. Het gebied dat verweerder nu heeft aangewezen, is in noordelijke richting echter ruim eenmaal zo groot als het gebied waar de incidenten zich hebben afgespeeld. Verweerder heeft niet gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser, dan wel de groep waartoe eiser behoort, zou uitwijken naar het gebied ten noorden van de Kruisstraat indien dat gebied niet bij het verbod zou worden betrokken. Dat de groep waartoe eiser behoort, nu al overlast zou hebben veroorzaakt in het gehele gebied is niet met objectieve gegevens onderbouwd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het noodzakelijk is het gehele gebied ten noorden van het centrum onder het gebiedsverbod te laten vallen en waarom niet – zoals eiser heeft betoogd – met een zich over een kleiner gebied uitstrekkend verbod kon worden volstaan, dat eiser minder in zijn bewegingsvrijheid zou hebben beperkt. Het beroep is gegrond en verweerder moet een nieuw besluit nemen, waarin ofwel nader wordt gemotiveerd waarom het gebied zo groot is, ofwel een kleiner gebied wordt vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/411

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. J.N.H. Kepers).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser voor een periode van drie maanden vanaf de uitreiking van het bestreden besluit een verbod opgelegd om zich te begeven of te bevinden in het in het besluit nader omschreven gebied (hierna: gebiedsverbod).

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 7 mei 2014 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 7 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of eiser voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, aangezien het gebiedsverbod inmiddels geruime tijd is verstreken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) impliceren huis- en verblijfsverboden, gelet op de gronden waarop deze worden opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de betrokkene (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2010 ECLI:NL:RVS:2010:BO4882). Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat degene aan wie een dergelijke verbod is opgelegd, als gevolg van het besluit in zijn eer en goede naam is geschaad. Naar het oordeel van de Afdeling kan het resultaat dat diegene nastreeft, te weten vernietiging van het besluit, om die reden voor hem van meer dan principiële betekenis zijn. Bovendien heeft eiser in beroep aangevoerd dat hij belang heeft bij de onderhavige procedure omdat hij een schadevergoeding wenst te gaan vorderen van de burgemeester van Eindhoven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van procesbelang.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Volgens het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de politie-eenheid Oost-Brabant Basisteam Eindhoven Zuid van 27 februari 2014 is eiser in de periode van 4 oktober 2011 en 9 februari 2014 bij de volgende incidenten in Eindhoven betrokken geweest:

- 9 februari 2014 op de Willemstraat: bezit harddrugs in combinatie met onverklaarbare hoeveelheid geld;

- 22 januari 2014 op het Stationsplein: niet meewerken aan controle, niet identificeren, samenscholen;

- 8 augustus 2013 op de Kruisstraat: afval weggooien op een plaats waar dat niet hoort en weigeren dit in opdracht van de politie op te ruimen;

- 31 juli 2013 op het Stationsplein: samenscholen met anderen uit de groep op een overlastlocatie;

- 25 juni 2013 op het Stationsplein: (met anderen uit de groep) op weg zijn om drugs te verkopen in combinatie met een onverklaarbare hoeveelheid geld;

- 16 oktober 2012 op de Raiffeisenstraat: met een ander uit de groep op weg zijn om drugs te verkopen;

- 9 augustus 2012 op de Vestdijktunnel: cocaïne dealen, bezit van wiet in combinatie met een onverklaarbare hoeveelheid geld;

- 7 augustus 2012 op de Vestdijk: samenscholen met anderen uit de groep;

- 13 januari 2012 op de Vestdijk: zonder doel hangen in een portiek met een ander uit de groep;

- 4 oktober 2011 op de Vestdijk: samenscholen, zonder doel hangen in een portiek met een ander uit de groep.

Op basis van dat proces-verbaal heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiser een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden opgelegd.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake is van structurele overlast. Volgens verweerder maakt eiser deel uit van een groep personen die de openbare orde herhaaldelijk hebben verstoord. Eiser is meerdere malen met dezelfde personen door de politie aangetroffen in overlastgevende situaties. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder aanleiding gezien voor het opleggen van een gebiedsverbod, waarbij tijdelijk meer gewicht wordt gehecht aan het algemeen belang dan aan het belang van eiser. Volgens verweerder had niet kunnen worden volstaan met een minder zware maatregel zoals een kortere duur van het verbod of een verbod voor een beperkter gebied.

4. Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet (Gmw) is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde.

Ingevolge artikel 172, derde lid, van de Gmw is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

Ingevolge artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gmw kan de burgemeester, onverminderd artikel 172, derde lid, en hetgeen bij gemeentelijke verordening is bepaald omtrent de bevoegdheid van de burgemeester om bevelen te geven ter handhaving van de openbare orde, aan een persoon die herhaaldelijk individueel of groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven zich niet te bevinden in of in de omgeving van een of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in een of meer bepaalde delen van de gemeente.

Ingevolge artikel 172a, vierde lid, van de Gmw geldt het bevel voor een door de burgemeester vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden. Het bevel kan ten hoogste driemaal worden verlengd met een door de burgemeester vast te stellen periode van telkens ten hoogste drie maanden.

5. In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het gebiedsverbod niet opgelegd had mogen worden. Volgens eiser heeft hij de openbare orde niet verstoord en maakt hij geen deel uit van een groep die zich daarmee bezig houdt. Verweerder scheert alle Antillianen over één kam en eiser voelt zich gediscrimineerd. Eiser spreekt wel eens andere personen van Antilliaanse komaf, maar hij ‘hangt’ niet rond in Eindhoven en hij houdt zich ook niet bezig met drugshandel. Het niet kunnen tonen van een legitimatiebewijs en het bij zich hebben van contant geld heeft niets te maken met het verstoren van de openbare orde. Bovendien is er geen sprake van een ernstig gevaar dat het opleggen van een gebiedsverbod zou rechtvaardigen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat de beslissing van verweerder zeer diep in het leven van eiser ingrijpt. Het opgelegde verbod ziet op een aanzienlijk deel van het centrum van Eindhoven waardoor hij wordt afgesneden van veel voorzieningen. Het gebied is dan ook veel te ruim genomen; het is veel groter dan de straten en pleinen waar de mogelijke problemen zich zouden hebben afgespeeld. Hierdoor wordt eiser te ernstig in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Bovendien had eiser een vriendin in het gebied en moest hij er werkzaamheden verrichten. Verweerder heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder had kunnen volstaan met een minder zware maatregel zoals een waarschuwing of een kortere periode.

6. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder bevoegd is om aan eiser een gebiedsverbod op te leggen en, zo ja, of verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen uitgaan van de juistheid van de in het hiervoor geciteerde proces-verbaal vermelde politiebevindingen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3446) mag een bestuursorgaan als verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. De enkele ontkenning van eiser dat hij tot de overlastgevende groep behoort en de stelling dat hij enkel af en toe een praatje maakt met bekenden acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Op grond van het proces-verbaal van bevindingen acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser deel uitmaakt van een groep personen, die de openbare orde herhaaldelijk verstoorden en dat eiser meermalen met dezelfde personen door de politie is aangetroffen in overlastgevende situaties. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat en deugdelijk gemotiveerd waarom, gelet op de beschikbare, voldoende geconcretiseerde gegevens, sprake is van een ernstige vrees voor verder verstoring van de openbare orde door eiser. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder bevoegd was op grond van artikel 172a van de Gmw een gebiedsverbod aan eiser op te leggen.

8. Voorts is de rechtbank voor oordeel dat verweerder, gelet op de duur, frequentie en de ernst van de overlast waarbij eiser betrokken was, in redelijkheid het besluit heeft kunnen nemen om aan eiser een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden op te leggen.

9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eiser door het verbod van een deel van het centrum en de daarin gelegen voorzieningen zou zijn afgesneden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser niet met objectieve gegevens heeft aangetoond dat hij een vriendin of een baan had in het centrum van Eindhoven. Bovendien heeft verweerder aangegeven dat eiser wel (beperkt) gebruik kon maken van het treinstation. Ook kon eiser ontheffing van het verbod vragen indien hij gedurende de drie maanden naar de rechtbank of het stadhuis zou moeten.

10. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat verweerder had kunnen volstaan met het aanwijzen van een kleiner gebied overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft (de gemachtigde van) eiser aangegeven het reëel te vinden dat het gebied in het directe centrum onder het gebiedsverbod valt en te begrijpen dat de omgeving van de Woenselse Markt in het gebiedsverbod is meegenomen. Het gebied dat verweerder heeft aangewezen is echter veel groter dan deze gebieden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat alle incidenten waarbij eiser betrokken is geweest plaats hebben gevonden in het gebied waarover het verbod zich uitstrekt. Om te voorkomen dat het overlastgebied zich verplaatst – verweerder spreekt in dit verband over een zogenoemd ‘waterbedeffect’– is het gehele gebied aangewezen. Volgens verweerder kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken van een disproportionele maatregel. Ter zitting heeft verweerder hierover verder opgemerkt dat het probleemgebied in het centrum inmiddels is uitgebreid tot aan de overkant van het spoor en tot in de wijk Woensel. Ook heeft verweerder aangegeven dat niet alleen gekeken is naar de incidenten waarbij eiser betrokken is geweest, maar ook naar waar de groep waartoe eiser behoort, zich heeft bevonden. De rechtbank acht deze motivering van verweerder onvoldoende om het aanwijzen van het forse gebied te rechtvaardigen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat alle incidenten waarbij eiser betrokken is geweest, op een enkel incident op de Kruisstraat na, hebben plaatsgevonden in het centrum van Eindhoven. Het gebied dat verweerder nu heeft aangewezen is in noordelijke richting echter ruim eenmaal zo groot als het gebied (inclusief de Kruisstraat) waar de incidenten zich hebben afgespeeld. Verweerder heeft niet gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser, dan wel de groep waartoe eiser behoort, zou uitwijken naar het gebied ten noorden van de Kruisstraat indien dat gebied niet bij het verbod zou worden betrokken. Dat de groep waartoe eiser behoort, nu al overlast zou hebben veroorzaakt in het gehele gebied is niet met objectieve gegevens onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het noodzakelijk is gehele gebied ten noorden van het centrum onder het gebiedsverbod te laten vallen en waarom niet – zoals eiser heeft betoogd – met een zich over een kleiner gebied uitstrekkend verbod kon worden volstaan, dat eiser minder in zijn bewegingsvrijheid zou hebben beperkt.

11. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

12. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen. In dat besluit zal verweerder moeten motiveren waarom het gebied zo groot is en waarom niet kon worden volstaan met een kleiner gebied, ofwel zal een kleiner gebied moeten worden vastgesteld (zie rechtsoverweging 10). Omwille van proceseconomische redenen zal de rechtbank geen toepassing geven aan de bestuurlijke lus.

13. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,– en een wegingsfactor 1).

14. Tevens bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, aan de zijde van eiser begroot op € 980,−;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,– aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.H. Rijken - Lie, rechter, in aanwezigheid van

drs. J.A. Meijer - Habraken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 juli 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.