Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3731

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
WR 15-014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

Zaaknummer : WR 15/014

Beschikking van 30 juni 2015

in de zaak van

[verzoeker 1] ,

wonende te Purmerend,

verzoeker,

tegen

mrs. E.J.C. Adang, E.C.M. de Klerk en J. van der Weij,

in hun hoedanigheid van voorzitter respectievelijk leden van de wrakingskamer ter terechtzitting van 21 mei 2015 van de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met nummer: WR 15/004,

verweerders.

Partijen zullen hierna respectievelijk verzoeker en de rechters van de eerdere wrakingskamer worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van de wrakingskamer van

21 mei 2015 in de zaak met nummer WR 15/004;

  • -

    de schriftelijke reactie van 3 juni 2015 van voormelde wrakingskamer.

  • -

    de brief van verzoeker van 18 juni 2015;

  • -

    het dossier in de wrakingszaak met nummer WR 15/004;

  • -

    het dossier in de hoofdzaak met nummer C/01/288344/FA RK 14-7102.

1.2.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op

18 juni 2015. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De rechters van de eerdere wrakingskamer zijn niet verschenen. In de schriftelijke reactie hebben de rechters van de eerdere wrakingskamer aangegeven niet in de wraking te berusten, waarbij tevens is aangegeven dat op het tijdstip van de mondelinge behandeling de rechters verhinderd zijn vanwege andere verplichtingen.

Voorts is als belanghebbende [belanghebbende] verschenen, zijnde de advocaat van de wederpartij van verzoeker in de hoofdzaak. Nadat zij was weggegaan is de rechtbank op de hoogte geraakt van het schrijven van [verzoeker 1] waarbij hij onder meer deze wrakingskamer wraakt. Dat schrijven wordt in de behandeling betrokken.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de voorzitter en leden van de wrakingskamer in de procedure met nummer WR 15/004.

2.2.

Verzoeker heeft betoogd dat de rechters van de eerdere wrakingskamer niet onbevooroordeeld het in die procedure voorliggende wrakingsverzoek kunnen beoordelen. Voor hetgeen zich ter zitting van 21 mei 2015 heeft voorgedaan wordt verwezen naar het proces-verbaal. De wrakingsgronden zijn daarin uitputtend opgenomen.

2.3.

De eerdere wrakingskamer heeft aangegeven niet in de wraking te berusten.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoeker heeft bij brief van 18 juni 2015 medegedeeld deze wrakingskamer te wraken. De kern van zijn betoog komt erop neer dat hij geen vertrouwen meer heeft in de rechters die bij de rechtbank Oost-Brabant werkzaam zijn. De wrakingskamer verklaart dit verzoek aanstonds niet ontvankelijk omdat aldus misbruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot wraking. Verzoeker wraakt telkens de rechters van de wrakingskamer en het onderhavige verzoek betreft niet specifieke klachten tegen (het optreden van) de rechters uit deze wrakingskamer doch een algemene wraking tegen alle rechters van deze rechtbank. Daartoe kan het recht van wraking echter niet worden gebruikt.

De rechtbank zal dan ook overgaan tot inhoudelijke beoordeling van de wraking d.d. 21 mei 2015.

3.2.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan elk van de rechters die een zaak behandelen (en dus ook een wrakingskamer), door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.4

Vooropgesteld dient te worden dat verzoeker reeds eerder op 19 maart 2015 tijdens de mondelinge behandeling van zijn oorspronkelijk wrakingsverzoek de wrakingskamer heeft gewraakt, dat dit wrakingsverzoek toen is behandeld op 4 april 2015, en dat bij beschikking van 9 april 2015 het verzoek is afgewezen. De behandeling van het oorspronkelijke wrakingsverzoek van verzoeker is op 21 mei 2015 voortgezet, waarna verzoeker wederom de wrakingskamer gewraakt heeft. De gronden die aan dit wrakingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, komen in grote lijnen overeen met de wrakingsgronden die ter zitting van 19 maart 2015 zijn aangevoerd.

3.5.

De door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden kunnen niet de conclusie dragen dat de rechters van de eerdere wrakingskamer blijk hebben gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker dan wel de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt. Daarom zal het verzoek tot wraking worden afgewezen.

3.6.

Nu verzoeker telkens zonder goede grond overgaat tot wraking van de wrakingskamer en thans is gebleken dat dit (ook) is ingegeven in gebrek aan vertrouwen in alle rechters van deze rechtbank bepaalt de wrakingskamer, met verwijzing naar het bepaalde in artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat een volgend verzoek tot wraking van de/een wrakingskamer met betrekking tot de zaak C/01/288344/ FA RK 14/7/102 niet in behandeling wordt genomen.

4 De beslissing

De rechtbank,

verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van deze wrakingskamer 18 juni 2015,

wijst het verzoek tot wraking van mrs. E.J.C. Adang, E.C.M. de Klerk en J. van der Weij af,

bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de hiervoor genoemde wrakingskamer en een eventueel volgende wrakingskamer met betrekking tot de zaak C/01/288344 FA RK 14/7/102 niet in behandeling wordt genomen.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. Bik, voorzitter, mr. J.H. Wiggers en

mr. J.M.P. Willemse-Schwering, leden, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.