Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3730

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
WR 15-012
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

Zaaknummer: WR 15 /012

Beschikking van 30 juni 2015

in de zaak van

1 [verzoekster 1],

gevestigd te Azewijn,

2. [verzoekster 1],

gevestigd te Laren,

3. [verzoekster 1].,

gevestigd te Holten,

4. [verzoekster 1],

gevestigd te Rheden,

verzoeksters,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

mr. J.J.H. Bruggink,

in zijn hoedanigheid van rechter in de rechtbank te Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met zaaknummer: 01/267681/HA ZA 13-623,

verweerder.

Partijen zullen hierna respectievelijk verzoeksters en de rechter worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het wrakingsverzoek van 13 mei 2015;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 29 mei 2015;

  • -

    het dossier in de hoofdzaak.

1.2.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op

18 juni 2015. Met bericht van kennisgeving zijn verzoeksters en de rechter niet verschenen.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met zaaknummer:

01/267681/HA ZA 13-623. Verzoeksters hebben betoogd dat de rechter niet onbevooroordeeld dat geschil kan beoordelen.

Ter onderbouwing van het wrakingverzoek hebben verzoeksters gewezen op feiten en omstandigheden die zij uitgebreid in het schriftelijk wrakingsverzoek hebben verwoord. De kern van het betoog komt erop neer dat zij ontstemd zijn over het optreden van de rechter tijdens het op 24 april 2015 gehouden getuigenverhoor en dat zij de handelswijze van de rechter tijdens de zitting ongepast en vooringenomen achten.

2.2.

De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten omdat geen sprake is van enige vooringenomenheid jegens verzoeksters.

Tevens heeft de rechter aangevoerd dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het verzoek niet is gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan verzoeksters bekend waren.

3 De beoordeling

3.1.

In artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat het wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding vormen voor het verzoek tot wraking, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feiten of omstandigheden aan de verzoeksters bekend zijn geworden.

Het wrakingsverzoek van verzoeksters is per fax ingekomen op de administratie van de rechtbank op 13 mei 2015. Verzoeksters hebben dit verzoek ingediend naar aanleiding van het optreden van de rechter tijdens het getuigenverhoor dat plaatsvond op 24 april 2015.

3.2.

De wrakingskamer stelt vast dat tussen het getuigenverhoor van 24 april 2015 en de datum van de ontvangst van het wrakingsverzoek een termijn van ongeveer 19 dagen is gelegen. Gelet op de tijdspanne tussen het ter kennis komen van de relevante feiten en omstandigheden voor het wrakingsverzoek en het indienen van het wrakingsverzoek is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeksters daarmee niet hebben voldaan aan het vereiste van artikel 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin is bepaald dat het verzoek tot wraking dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding vormden voor het verzoek tot wraking, aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Verzoeksters hebben geen gegronde redenen aangevoerd waarom zij niet eerder in de gelegenheid zijn geweest het onderhavige verzoek in te dienen. Verzoeksters zijn wel in de gelegenheid gesteld om ter terechtzitting van 18 juni 2015 het wrakingsverzoek nader toe te lichten en te reageren op het verweer van de rechter, maar zij zijn om hen moverende redenen niet verschenen.

3.3.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verzoeksters niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in het wrakingsverzoek.

4 De beslissing

De rechtbank,

verklaart verzoeksters niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. J.J.H. Bruggink in de zaak met zaaknummer 01/267681/HA ZA 13-623.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. Bik, voorzitter, mr. J.H. Wiggers en

mr. J.M.P. Willemse-Schwering, leden, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.