Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3728

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
SHE 15/1342
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing vergunning op grond van artikel 29 Wet op de lijkbezorging voor opgraven en herbegraven overleden echtgenote.

Een zoon heeft bezwaar gemaakt tegen deze vergunning. De voorzieningenrechter acht van belang dat de uitvoering van de vergunning tot een onomkeerbare situatie leidt. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester de belangen van de vergunninghouder, de zoon en het belang van de grafrust nog tegen elkaar moet afwegen. De uitkomst van die belangenafweging is nog niet duidelijk. De voorzieningenrechter schorst de vergunning tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1342

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. F.C.J.J. Jessen),

en

de burgemeester van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te 's-Hertogenbosch, gemachtigde: mr. C.W.M. Verberne.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) vergunning verleend voor het doen opgraven van het stoffelijk overschot van zijn overleden echtgenote [echtgenote] op begraafplaats Orthen te
’s-Hertogenbosch en te doen herbegraven op een natuurbegraafplaats.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 8 mei 2015 heeft de rechtbank een ordemaatregel getroffen. De ordemaatregel houdt in dat geen aanvang mag worden gemaakt met de werkzaamheden die zien op het op- en herbegraven tot de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Verzoeker en vergunninghouder zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder voor de zitting is uitgenodigd bij aangetekende brief van 28 mei 2015, verzonden naar het postadres van verweerder. Blijkens de gegevens van PostNL is de brief op vrijdag 29 mei afgeleverd op het postadres van verweerder. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat verweerder op een correcte wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

3. De voorzieningenrechter neemt de volgende feiten als vaststaand aan.

Verzoeker en vergunninghouder zijn vader en zoon van elkaar.

Hun moeder en echtgenote is op 7 maart 1989 overleden en op 11 maart 1989 begraven op begraafplaats Orthen (destijds Groenendaal) in ’s-Hertogenbosch.

Vergunninghouder heeft verweerder op 26 maart 2015 verzocht hem een vergunning te verlenen om het stoffelijk overschot van zijn echtgenote te mogen laten opgraven en te laten herbegraven op een natuurbegraafplaats. In zijn verzoek heeft vergunninghouder het volgende te kennen gegeven:

“Ik heb het voornemen om na mijn overlijden mij te laten begraven op een natuurbegraafplaats. Ik wens mijn echtgenote daar eveneens te laten herbegraven en zal dit reeds eerder doen plaats vinden”.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) verleend. Verweerder heeft geen voorschriften verbonden aan de vergunning.

5. Verzoeker voert, kort weergegeven, het volgende aan.
Verzoeker had een zeer bijzondere band met zijn moeder. Hij wil dat de wensen van zijn moeder worden gerespecteerd. Opgraven en herbegraven op een natuurbegraafplaats gaat in tegen de wensen van zijn moeder.
Er is een motiveringsgebrek. De motieven van zijn vader zijn van onvoldoende gewicht, of wegen in elk geval niet zwaarder dan het algemene verbod op schending van de grafrust.
Uit het verzoek van zijn vader blijkt dat hij slechts voornemens is zich te laten begraven op een natuurbegraafplaats, terwijl hij het herbegraven al voor zijn overlijden wil laten plaatsvinden. Zijn vader kan zich dus bedenken terwijl het herbegraven al heeft plaatsgevonden.
Uit het bestreden besluit blijkt niet waar zijn moeder zal worden herbegraven. Dat is in strijd met artikel 29, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging. Bovendien zou dit ver weg kunnen zijn, waardoor het voor verzoeker niet meer mogelijk is haar graf één tot twee keer per maand te bezoeken.

6. De vergunninghouder voert, kort weergegeven, het volgende aan.
Er is voldaan aan alle voorwaarden voor verlening van de vergunning. De vergunninghouder is houder van het betrokken grafrecht. Dat betekent dat er toestemming is van de rechthebbende op het graf. De vergunninghouder heeft de uitdrukkelijke wens om zich na zijn overlijden te laten begraven op een natuurbegraafplaats. De vergunninghouder betwist dat opgraven en herbegraven tegen de wens van zijn overleden echtgenote in zou gaan. Het was juist de wens van zijn overleden echtgenote om samen begraven te worden.
De grafrust moet in elk geval tien jaar worden gerespecteerd. Die termijn is ruimschoots verstreken. Na die termijn kan betekenis toekomen aan zwaarwegende belangen die opwegen tegen het belang van verder voortduren van de grafrust van de overledene. De uitdrukkelijke wens van de vergunninghouder om samen met zijn overleden echtgenote begraven te zijn, is een zeer zwaarwegend belang.
Artikel 29, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging stelt niet de eis dat de vergunning ook een termijn en een locatie voor de herbegraving dient te bevatten. Verweerder heeft op dit punt vrijheid.
De bestuursrechter mag het besluit van verweerder slechts marginaal toetsen.

7. In artikel 29, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging is bepaald dat een lijk slechts wordt opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf. In het tweede lid is bepaald dat de burgemeester aan de vergunning de nodige voorschriften verbindt betreffende geneeskundig toezicht alsmede vervoer en bestemming van het lijk.

8. De voorzieningenrechter overweegt dat het in deze procedure gaat om het al of niet treffen van een voorlopige voorziening die noodzakelijk is in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure. Afwijzing van het verzoek dat hier aan de orde is, zou ertoe leiden dat de vergunninghouder de stoffelijke resten van [echtgenote] onmiddellijk mag laten op- en herbegraven. Als de vergunninghouder dat zou doen, zou een onomkeerbare situatie ontstaan voordat op het bezwaarschrift van verzoeker is beslist. Dit weegt zwaar mee bij de beoordeling door de voorzieningenrechter.

9. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat het belang van de grafrust groot is en als uitgangspunt dient te worden genomen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 april 2002, ECLI:NL:RVS:2012:BW3830). Uit het stelsel van de Wet op de lijkbezorging volgt dat een burgemeester slechts dan vergunning verleent indien er redenen bestaan die zwaarder wegen dan die welke voor de wetgever tot het algemene verbod tot opgraving hebben geleid (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 september 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5000). Er moet dus een belangenafweging worden gemaakt. De belangen van verzoeker zijn pas in de bezwaarfase bekend geworden bij verweerder. Verweerder zal naar aanleiding van wat verzoeker heeft aangevoerd een nieuwe belangenafweging moeten maken. In deze belangenafweging zullen de belangen van de vergunninghouder en de redenen voor zijn verzoek moeten worden afgewogen tegen het belang van de grafrust en de belangen van verzoeker. Voor zover de vermoedelijke wensen van de overleden [echtgenote] nog kunnen worden vastgesteld, zal verweerder ook daarmee rekening moeten houden. Het is niet duidelijk hoe de uitkomst van die belangenafweging zal zijn. Nu de uitkomst van de nieuwe belangenafweging niet duidelijk is en de gevolgen van de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit onomkeerbaar zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen. Wat de vergunninghouder heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

10. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Dit betekent dat de vergunninghouder tot die datum geen gebruik mag maken van zijn vergunning voor het opgraven en herbegraven van de stoffelijke resten van [echtgenote].

11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakt proceskosten. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 490,-).

12. Ook ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoekt tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 9 april 2015 tot zes weken na de dag van bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, te bepalen op € 980,-, te betalen aan verzoeker;

- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer - Habraken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

30 juni 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.