Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3704

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
01/997501-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor feitelijk leiding geven aan faillissementsfraude en medeplegen van valsheid in geschrift door het antedateren van overeenkomsten, wordt verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/997501-12

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 april 2014, 27 januari 2015 en 16 juni 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 februari 2014.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 juni 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1 primair.

[bedrijf 1], verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september 2010 tot en met 2 november 2010, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand september 2010 tot en met de maand november 2010 in de gemeente(n) Budel en/of Helmond en/of Eindhoven en/of Veldhoven, althans in Nederland, terwijl de B.V. bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2010 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de B.V., een of meer bate(n) niet heeft verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers, te weten [bedrijf 2], op enige wijze heeft bevoordeeld, door

* op na te noemen tijdstip(pen) de/het na te noemen (gira(a)l(e)) bedrag(en) aan geld (telkens) (al dan niet ter voldoening van een opeisbare vordering van [bedrijf 2] op de B.V.) over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf [rekeningnummer 1] ten name van en/of toebehorende aan de B.V. naar de [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 2]:

= op of omstreeks 28 september 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 9.900,- (D-022 9/10) en/of

= op of omstreeks 6 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 6.000,- (D-024 6/10) en/of

= op of omstreeks 7 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 3.800,- (D-024 6/10) en/of

= op of omstreeks 14 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 3.300,- (D-024 9/10) en/of

= op of omstreeks 18 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 4.000,- (D-024 10/10) en/of

= op of omstreeks 2 november 2010, twee, althans een gira(a)l(e) bedrag(en) aan geld groot EUR 3.000,- en/of EUR 3.750,- (D-029) en/of

* op of omstreeks 15 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 12.000,- over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf [rekeningnummer 1], toebehorende aan de B.V., naar [rekeningnummer 3] van [bedrijf 3] (D-024 10/10) en/of

* op na te noemen tijdstip(pen) de navolgende betaling(en) in verband met (een) vordering(en) van de B.V. op (een) debiteur(en) van de B.V. (telkens) (al dan niet ter voldoening van een opeisbare vordering van [bedrijf 2] op de B.V.) te doen of laten plaatsvinden op een rekening die (ten tijde van die betaling(en)) (telkens) ten name stond van [bedrijf 2], in elk geval niet ten name stond van de B.V., en aldus doende die betaling(en) (telkens) te verzwijgen voor de curator:

= op of omstreeks 13 oktober 2010, een (girale) betaling groot EUR 3.427,20 (D-024 9/10) en/of

= op of omstreeks 18 oktober 2010, een (girale) betaling groot EUR 3.693,76 (D-024 10/10) en/of

= op of omstreeks 1 november 2010, een (girale) betaling groot EUR 3.168,38 (D-029) en/of

= op of omstreeks 2 november 2010, een (girale) betaling groot EUR 3.659,25 (D-029),

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

(art. 341 aanhef en onder a jo art. 51 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september

2010 tot en met 2 november 2010, althans op een of meer tijdstip(pen) in of

Omstreeks de maand september 2010 tot en met de maand november 2010 in de gemeente(n) Budel en/of Helmond en/of Eindhoven en/of Veldhoven, althans in

Nederland, terwijl [bedrijf 1], verder te noemen ‘de B.V.’, bij

vonnis van de Arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 oktober 2010 in

staat van faillissement is verklaard, (telkens) tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting

van de rechten van de schuldeisers van de B.V., een of meer bate(n) niet heeft

verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel van de B.V. heeft

onttrokken en/of ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers, te weten [bedrijf 2], op enige wijze heeft bevoordeeld, door

* op na te noemen tijdstip(pen) de/het na te noemen (gira(a)l(e)) bedrag(en) aan geld (telkens) (al dan niet ter voldoening van een opeisbare vordering van [bedrijf 2] op de B.V.) over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf [rekeningnummer 1] ten name van en/of toebehorende aan de B.V. naar de [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 2]:

= op of omstreeks 28 september 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 9.900,- (D-022 9/10) en/of

= op of omstreeks 6 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 6.000,- (D-024 6/10) en/of

= op of omstreeks 7 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 3.800,- (D-024 6/10) en/of

= op of omstreeks 14 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 3.300,- (D-024 9/10) en/of

= op of omstreeks 18 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 4.000,- (D-024 10/10) en/of

= op of omstreeks 2 november 2010, twee, althans een gira(a)l(e) bedrag(en) aan geld groot EUR 3.000,- en/of EUR 3.750,- (D-029) en/of

* op of omstreeks 15 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 12.000,- over te maken, althans te doen of laten overmaken vanaf [rekeningnummer 1], toebehorende aan de B.V., naar [rekeningnummer 3] van [bedrijf 3] (D-024 10/10) en/of

* op na te noemen tijdstip(pen) de navolgende betaling(en) in verband met (een) vordering(en) van de B.V. op (een) debiteur(en) van de B.V. (telkens) (al dan niet ter voldoening van een opeisbare vordering van [bedrijf 2] op de B.V.) te doen of laten plaatsvinden op een rekening die (ten tijde van die betaling(en)) (telkens) ten name stond van [bedrijf 2], in elk geval niet ten name stond van de B.V., en aldus doende die betaling(en) (telkens) te verzwijgen voor de curator:

= op of omstreeks 13 oktober 2010, een (girale) betaling groot EUR 3.427,20 (D-024 9/10) en/of

= op of omstreeks 18 oktober 2010, een (girale) betaling groot EUR 3.693,76 (D-024 10/10) en/of

= op of omstreeks 1 november 2010, een (girale) betaling groot EUR 3.168,38 (D-029) en/of

= op of omstreeks 2 november 2010, een (girale) betaling groot EUR 3.659,25 (D-029);

(art. 341 aanhef en onder a jo art. 47 Wetboek van Strafrecht)

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op twee, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand januari 2010, althans op twee, althans op een op meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand januari 2010 tot en met 23 april 2012 in de gemeente Helmond, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

* een overeenkomst van geldlening tussen [bedrijf 4] als de schuldeiser en [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 1] als de schuldenaar (D-009) en/of * een overeenkomst van geldlening tussen [bedrijf 6] als de schuldeiser en [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 1] als de schuldenaar (D-008),

zijnde die overeenkomst(en) van geldlening voornoemd (telkens) (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) toen en daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in die overeenkomst(en) van geldlening voornoemd vermeld * dat die overeenkomst(en) van geldlening steeds zijn/is overeengekomen en/of gesloten per datum van betaling als bedoeld onder l van de preambule van die overeenkomst(en) van geldlening en/of * dat die overeenkomst(en) van geldlening, welke (telkens) zijn/is voorzien van de handtekeningen van de overeenkomst sluitende partijen voornoemd, zijn/is getekend te Helmond op 30 oktober 2009, zulks terwijl die overeenkomst(en) van geldlening (telkens) in werkelijkheid niet zijn/is overeengekomen en/of gesloten per datum van betaling als bedoeld onder l van de preambule van die overeenkomst(en) van geldlening en/of terwijl die overeenkomst(en) van geldlening (telkens) in werkelijkheid niet op 30 oktober 2009, maar op een datum in de maand januari 2010, althans op een datum in of omstreeks de periode van de maand januari 2010 tot en met 23 april 2012, althans op een latere datum zijn/is getekend,

met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken;

(art. 225 lid 1 jo art. 47 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 2 ten laste gelegde.

De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen en overweegt hiertoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1:

Bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 oktober 2010 is het faillissement van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) uitgesproken (D-001).

[medeverdachte 1] was - indirect, via [bedrijf 2] en [bedrijf 6] - formeel bestuurder van dit bedrijf, [medeverdachte 2] was verantwoordelijk voor de boekhouding en [verdachte], die als bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] een aanzienlijk financieel belang had in [bedrijf 1], trad op als adviseur van [bedrijf 1] en werd, getuige de mailwisseling in het dossier, nauwgezet en tot op detailniveau betrokken bij zowel de financiële alsook de operationele gang van zaken binnen [bedrijf 1]. Zo werd hij geïnformeerd over en betrokken bij beslissingen variërend van de lichtbakreclame en incidentele betalingen van posten tot de (ontwikkeling van de) liquiditeitspositie van [bedrijf 1] in de aanloop naar het faillissement. [medeverdachte 2] heeft dienaangaande ook bevestigd dat [verdachte] voor hem een medeondernemer was omdat hij mede het beleid bepaalde alsmede indirect betrokken was bij de besluitvorming aldus dat [medeverdachte 1] voorafgaand aan te nemen besluiten in contact trad met [verdachte] (p. 516).

Kort voor en na voornoemde faillissementsdatum, te weten in de periode van 28 september 2010 tot en met 2 november 2010, zijn geldbedragen overgeboekt van de bankrekening van [bedrijf 1] naar de bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) en naar de derdengeldrekening van [bedrijf 3], zijnde het advocatenkantoor van [verdachte]. Deze overboekingen zijn onder meer gebleken uit de bankafschriften van [bedrijf 1] en die van [bedrijf 2] (D-022, D-024 en D-029).

Uit de door boekhouder [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] en [verdachte] per e-mail toegezonden liquiditeitsprognoses en begrotingen kan worden opgemaakt dat de financiële situatie van [bedrijf 1] reeds enkele maanden vóór die overboekingen slecht was en gezien het verloop van de liquiditeitsprognoses allengs verder afkalfde. In dit verband wijst de rechtbank ook op de verklaring van [medeverdachte 2] dat [bedrijf 1] al rond maart 2010 financieel in redelijk zwaar weer zat en het passen en meten was wat wel en niet kon worden betaald (p. 498). Op 30 augustus 2010 deelde [medeverdachte 2] per e-mail aan [medeverdachte 1] en [verdachte] mede dat ze in september zouden vastlopen en dat het misschien raadzaam was een gezamenlijke afspraak in te plannen, waarop [verdachte] liet weten dat hij een afspraak zou laten inplannen en [medeverdachte 1] liet weten dat het misschien handig was om eerst samen even te overleggen om de strategie te bepalen (D-062).

Op 6 september 2010 vond vervolgens overleg plaats ten kantore van [verdachte] waarbij werd besloten om de (sub)licentieovereenkomst tussen [bedrijf 1] als licentienemer en [bedrijf 2] als licentiegever1 op te zeggen, welke opzegging vervolgens door [verdachte] schriftelijk is bevestigd (D-019). Ingevolge artikel 6.1 van die overeenkomst kwamen door deze opzegging vanaf dat moment de rechten uit de tot dan door [bedrijf 1] afgesloten overeenkomsten toe aan [bedrijf 2]. Verder werd besloten om de tenaamstelling van de telefoonabonnementen van [bedrijf 1] te zetten op naam van [bedrijf 2]. In de weken erna werd besloten om de bankrekening van [bedrijf 1] (waarop de debiteurenbetalingen worden ontvangen) op naam te doen stellen van [bedrijf 2] (D-065, D-066 en D-026).

De rechtbank is van oordeel dat, gegeven de precaire financiële situatie van het bedrijf, door het opzeggen van de licentieovereenkomst een faillissement van [bedrijf 1] onafwendbaar was. Behalve het feit dat [bedrijf 1] als gevolg daarvan niet langer gebruik mocht maken van het handels-, woord- en beeldmerk “[medeverdachte 1]” verloor [bedrijf 1] in verband met het bepaalde in artikel 6 lid 1 van de sublicentie-overeenkomst van de ene op de andere dag alle rechten met betrekking tot de tot aan de opzegging reeds afgesloten overeenkomsten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit gevolg voor zowel [medeverdachte 1], [verdachte] als [medeverdachte 2] voorzienbaar was, nu zij - getuige de mailwisseling - zeer goed geïnformeerd waren omtrent de actuele financiële stand van zaken. Met de opzegging van de sublicentie-overeenkomst alsmede de omzetting van de diverse abonnementen en bankrekening van [bedrijf 1] naar [bedrijf 2] werd onmiskenbaar voorgesorteerd op een doorstart middels [bedrijf 2].

Het stond de vennootschap onder de hiervoor geschetste omstandigheden evenwel niet vrij om in het zicht van haar nakende faillissement opeisbare verplichtingen jegens [bedrijf 2] na te komen en gelijktijdig opeisbare verplichtingen van andere schuldeisers onbetaald te laten. Dit zou anders kunnen zijn indien deze betalingen plaats hadden gevonden in het kader van de uitoefening van pandrechten die aan [bedrijf 2] waren verstrekt, maar vast staat – en dit is door [verdachte] ter zitting ook beaamd – dat van een dergelijke uitoefening van pandrechten geen sprake was.

Het stond de vennootschap ook niet vrij betalingen van haar debiteuren te laten plaatsvinden op een bankrekening ten name van [bedrijf 2] of geld over te boeken naar de derdenrekening van het advocatenkantoor van [verdachte] met de bedoeling om na het faillissement van de vennootschap die gelden buiten het beheer en bereik van de curator te houden.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 16 juni 2015 aangevoerd dat verdachte wat betreft het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet kan worden veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk, alleen al omdat de civiele kamer van de rechtbank in haar vonnis van 5 maart 2014, alsook in haar vonnis van 24 december 2014, in de tussen de curatoren in het faillissement van [bedrijf 1] en onder meer [verdachte] gevoerde procedure heeft geoordeeld dat [verdachte] niet kan worden aangemerkt als feitelijk (mede-) beleidsbepaler van [bedrijf 1] in de zin van artikel 2: 248 lid 7 Burgerlijk Wetboek .

De rechtbank deelt die visie van de verdediging niet. Dat de rechtbank in de civiele procedure heeft geoordeeld dat verdachte niet één van de feitelijke beleidsbepalers is geweest van [bedrijf 1], betekent niet dat geen sprake kan zijn van feitelijk leidinggeven (in de zin van artikel 51 Wetboek van Strafrecht) aan specifiek in de tenlastelegging omschreven verboden gedragingen. Van feitelijk leidinggeven in laatstbedoelde zin kan heel wel sprake zijn zonder dat betrokkene (tevens) kan worden aangemerkt als een feitelijk beleidsbepaler in civielrechtelijke zin.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 16 juni 2015 ook het verweer gevoerd dat de echtheid van de door de curator overhandigde en door de opsporingsambtenaren opgenomen

e-mailberichten in het dossier niet kan worden getoetst, omdat deze e-mailberichten door de curator willekeurig geknipt en geplakt zijn om aldus verdachte en de medeverdachten op tendentieuze wijze in een kwaad daglicht te stellen.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de volgorde van enkele e-mailberichten in het dossier weliswaar niet geheel aansluit qua tijdstippen en data, maar dat dit slechts enkele (combinaties) van e-mailberichten betreft. Daarbij komt dat de inhoud van de opgenomen e-mailberichten door de verdediging niet wordt betwist en dat het merendeel van de opgenomen e-mailberichten elkaar opvolgt. Voor zover de tijdstippen niet met elkaar overeen lijken te komen, zal de rechtbank dit samenstel van berichten niet voor het bewijs bezigen, zodat de verdediging door het gestelde gebrek niet in de belangen van de verdachte zal zijn geschaad.

[medeverdachte 1] heeft als bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] strategisch overleg gevoerd met [verdachte]. Tijdens dit overleg is besloten om de (sub)licentie-overeenkomst te beëindigen, de tenaamstelling van de bankrekening van [bedrijf 1] om te zetten op naam van [bedrijf 2] en de tenaamstelling van de telefoonabonnementen op naam van [bedrijf 1] om te zetten op naam van [bedrijf 2]. Dit alles met het oog op een doorstart van de activiteiten van [bedrijf 1] binnen [bedrijf 2]. Gelijk hiervoor overwogen was een faillissement van [bedrijf 1] daarmee onafwendbaar geworden. Het onder die omstandigheden doen van voormelde overboekingen leidt – als gezegd – tot benadeling van (andere) schuldeisers hetgeen kan worden gekwalificeerd als het bedrieglijk verkorten van de rechten van die schuldeisers. [verdachte] is bij de doorstartplannen niet (althans niet uitsluitend) opgetreden in hoedanigheid van adviseur maar heeft bij de besluitvorming en uitvoering dienaangaande een (mede) bepalende rol vervult, gelet op de hiervoor gememoreerde nauwe betrokkenheid bij de (operationele) gang van zaken bij het bedrijf, waarin hij ook met [bedrijf 4] een aanzienlijk financieel belang had. Verder was [verdachte] ermee bekend dat de in deze zaak gewraakte betalingen, juridisch bezien, een rechtvaardigende grondslag ontbeerden in de ter zake de kredietverstrekking door [bedrijf 1] verstrekte pandrechten. Daarbij is ook gebruik gemaakt van de derdengeldrekening van [bedrijf 3]. De omstandigheid dat door deze overboeking naar de derdengeldrekening het bedrag (in civielrechtelijke zin) niet aan het vermogen van de boedel is onttrokken laat onverlet dat deze overboeking de kennelijke strekking had om dit tot de boedel behorende bedrag buiten beheer en bereik van de (te benoemen) curator te stellen.

Gelet op het voorgaande zijn zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] aan te merken als feitelijk leidinggever aan de hierna bewezen verklaarde verboden gedragingen.

Ten aanzien van feit 2:

Gelet op het e-mailverkeer in december 2009 (met name document D-106) en januari 2010 (met name document D-120) kan met een voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de in de tenlastelegging genoemde overeenkomsten (D-008 en D-009) op 30 oktober 2009 zijn opgemaakt en ondertekend. In deze e-mailberichten wordt immers nog gesproken over het nog moeten vastleggen van de overeenkomsten, de hoogte van de bedragen, het uitdraaien van de overeenkomsten en het getekend doen toekomen door [medeverdachte 1] aan [verdachte]. Gelet op de inhoud van voornoemde e-mailberichten en de notitie van de curator d.d. 23 april 2012 die ziet op de mogelijke antedatering van de overeenkomsten, moet het ervoor worden gehouden dat de overeenkomsten zijn getekend op een tijdstip gelegen in de maand januari 2010 tot en met 23 april 2012. Dat de betreffende e-mailberichten zouden zien op een andere geldleningovereenkomst dan de ten laste gelegde geldleningovereenkomsten is de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier en ook overigens niet gebleken. De daartoe strekkende bewering van verdachten is ook op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

[bedrijf 1], verder te noemen 'de B.V.', op tijdstippen in de periode van

28 september 2010 tot en met 2 november 2010, in Nederland, terwijl de B.V. bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2010 in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de B.V., baten niet heeft verantwoord en goederen aan de boedel heeft onttrokken en ter gelegenheid van haar faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers, te weten [bedrijf 2], op enige wijze heeft bevoordeeld, door

* op na te noemen tijdstippen de na te noemen girale bedragen aan geld telkens (al dan niet ter voldoening van een opeisbare vordering van [bedrijf 2] op de B.V.) over te maken vanaf [rekeningnummer 1] ten name van de B.V. naar de [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 2]:

= op 28 september 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 9.900,- en

= op 6 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 6.000,- en

= op 7 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 3.800,- en

= op 14 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 3.300,- en

= op 18 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 4.000,- en

= op 2 november 2010 twee (girale) bedragen aan geld groot EUR 3.000,- en EUR 3.750,- en

* op 15 oktober 2010 een (giraal) bedrag aan geld groot EUR 12.000,- over te maken vanaf [rekeningnummer 1], toebehorende aan de B.V., naar [rekeningnummer 3] van [bedrijf 3] en

* op na te noemen tijdstippen de navolgende betalingen in verband met vorderingen van de B.V. op debiteuren van de B.V. telkens (al dan niet ter voldoening van een opeisbare vordering van [bedrijf 2] op de B.V.) te laten plaatsvinden op een rekening die ten tijde van die betalingen ten name stond van [bedrijf 2] en aldus doende die betalingen telkens te verzwijgen voor de curator:

= op 13 oktober 2010 een (girale) betaling groot EUR 3.427,20 en

= op 18 oktober 2010 een (girale) betaling groot EUR 3.693,76 en

= op 1 november 2010 een (girale) betaling groot EUR 3.168,38 en

= op 2 november 2010 een (girale) betaling groot EUR 3.659,25,

hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

verdachte op twee tijdstippen in de periode van de maand januari 2010 tot en met 23 april 2012 in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander

* een overeenkomst van geldlening tussen [bedrijf 4] als de schuldeiser en [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 1] als de schuldenaar en * een overeenkomst van geldlening tussen [bedrijf 6] als de schuldeiser en [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 1] als de schuldenaar,

zijnde die overeenkomsten van geldlening voornoemd telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn medeverdachte toen en daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in die overeenkomsten van geldlening voornoemd vermeld dat die overeenkomsten van geldlening, welke telkens zijn voorzien van de handtekeningen van de overeenkomst sluitende partijen voornoemd, zijn getekend te Helmond op

30 oktober 2009, zulks terwijl die overeenkomsten van geldlening telkens in werkelijkheid niet op 30 oktober 2009, maar op een datum in de periode van de maand januari 2010 tot en met 23 april 2012, zijn getekend, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert en aanzien van feit 1 en feit 2 een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijk leidinggeven aan faillissementsfraude.

Daarnaast heeft hij overeenkomsten geantedateerd.

Verdachte heeft bij het plegen van de feiten uitsluitend gehandeld ter veiligstelling van zijn eigen (financiële) belangen en heeft zich er niet om bekommerd dat andere schuldeisers daarvan de dupe werden. Verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van de informatievoorsprong die hij had ten opzichte van genoemde schuldeisers doordat hij tevens als adviseur nauwgezet op de hoogte werd gehouden van de financiële gang van zaken binnen het bedrijf. Verdachte heeft, als advocaat, door zijn vergaande betrokkenheid bij de verboden gedragingen en het misbruiken van zijn informatievoorsprong ernstige schade toegebracht aan het aanzien van zijn beroep.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder tot een straf is veroordeeld. Het bewezenverklaarde betreft voorts feiten uit 2010, terwijl verdachte – voor zover de rechtbank bekend – geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan.

De rechtbank houdt er verder rekening mee dat de onder feit 1 vermelde bedragen blijkens de verklaring van curator Te Biesebeek, op 4 juli 2014 tegenover de rechter-commissaris afgelegd, inmiddels zijn terugbetaald.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten met betrekking tot fraudedelicten. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal een taakstraf en een gevangenisstraf opleggen, waarbij zij de gevangenisstraf voorwaardelijk zal opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 51, 57, 63, 225, 341.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 primair: feitelijk leiding geven aan:bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon; Ten aanzien van feit 2: medeplegen van:valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2: Taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrekovereenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2: Gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. M. Senden, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 30 juni 2015.

1 Op grond waarvan [bedrijf 1] recht had op het gebruik van het handels, woord- en beeldmerk “[medeverdachte 1]”.