Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3689

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
C/01/289717 / FA RK 15-637
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eenheid van naam. Twee vrouwen, die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, krijgen ieder een kind.

Het eerste kind geboren in 1999 krijgt volgens het toen geldende naamrecht de geslachtsnaam van de vrouw uit wie hij is geboren. In 2003 wordt uit de andere vrouw een kind geboren, dat in strijd met de regels over de eenheid van naam de geslachtsnaam van haar biologische moeder krijgt.

Omstreeks half april 2014 maken de vrouwen gebruik van de mogelijkheid om elkaars kinderen te erkennen. Kort daarna komt de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar de erkenning heeft plaatsgevonden erachter dat het jongste kind de geslachtsnaam van de biologische moeder heeft. Ingevolge art. 1:5, lid 8 (huidig) BW had het tweede kind bij geboorte dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind dienen te krijgen. Het verzoek van de gemeente om verbetering van de akte van geboorte van het tweede kind wordt toegewezen, aangezien art. 1: 5 lid 8 BW dwingendrechtelijk van aard is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:5
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/289717 / FA RK 15-637

Uitspraak : 1 mei 2015

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende artikel 1:24 van het Burgerlijk Wetboek, strekkende tot verbetering van de geboorteaktes van:

[minderjarige X] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] als zoon van

[moeder X]

hierna te noemen: [minderjarige X];

en

[minderjarige Z]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] als dochter van

[moeder Z]

hierna te noemen: [minderjarige Z];

allen wonende te [woonplaats]

1 De procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift (met bijlagen) van het Openbaar Ministerie in het arrondissement Oost-Brabant, ter griffie van deze rechtbank ingekomen op 3 februari 2015, en de brief (met bijlagen) van gemeente Vught d.d. 10 maart 2015. Het verzoek strekt tot verbetering van het register van geboorten van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Hertogenbosch.

1.2

De zaak is behandeld ter zitting van 30 maart 2015. Verschenen zijn de belanghebbenden mevrouw [moeder X] en mevrouw [moeder Z], hierna te noemen respectievelijk [moeder X] en [moeder Z] Namens de gemeente Vught zijn verschenen mevrouw [vertegenwoordiger gemeente] en [vertegenwoordiger gemeente]. Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen is er geen vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie verschenen.

2 De feiten

2.1

[moeder X] en [moeder Z] hebben op 6 april 1998 hun partnerschap laten registeren in de gemeente Vught.

2.2

Staande het geregistreerd partnerschap zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige X] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige Z] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3

Beide kinderen hebben bij de aangifte van hun geboorte de geslachtsnaam van hun biologische moeder gekregen.

2.4

Op 17 april 2014 heeft [moeder Z] [minderjarige X] erkend en heeft [moeder X] [minderjarige Z] erkend.

3 Het verzoek

3.1

Het verzoek van het openbaar ministerie ziet op wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige Z] in [moeder X] en in de geboorteakte van [minderjarige X] vermelding van de keuze voor eveneens geslachtsnaam [moeder X].

3.2

Het openbaar ministerie grondt zijn verzoek op het volgende. Abusievelijk is nagelaten rekening te houden met de consequentie van de (gelijktijdige) erkenning van beide kinderen voor wat betreft de bepalingen in artikel 1:5, leden 4 en 8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) omtrent de eenheid van geslachtsnaam.

4 Het verweer

4.1

[moeder X] en [moeder Z] maken uitdrukkelijk bezwaar tegen wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige Z]. Zij stellen bij de erkenning van de kinderen in 2014 door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Vught in de gelegenheid te zijn gesteld om te kiezen tussen behoud van de geslachtsnamen van de kinderen dan wel wijziging van de geslachtsnamen. Zij hebben aangegeven de achternamen van de kinderen niet te willen wijzigen en zijn daarna overgegaan tot ondertekening van de erkenningsaktes. Zij vinden het belangrijk voor [minderjarige Z] dat zij haar eigen, bestaande achternaam houdt aangezien zij die naam al ruim elf jaar heeft en die naam een belangrijk deel van haar identiteit is.

Zij stellen dat zij op het moment dat [minderjarige Z] werd geboren niet konden kiezen voor dezelfde achternaam als die van haar broer [minderjarige X]. Zij vinden het onterecht en vreemd dat wegens administratieve en wettelijke wijzigingen de achternaam van [minderjarige Z] na elf jaar moet worden aangepast. Zij hechten zeer aan behoud van beide achternamen. Zij wensen dat de erkenning van de kinderen met hun huidige achternamen rechtsgeldig wordt. Mocht dit niet mogelijk zijn dan willen zij dat de erkenning van de kinderen ongedaan gemaakt wordt.

4.2

[moeder X] en [moeder Z] hebben ter zitting aanvullend verklaard dat zij niet weten

of [minderjarige Z] last zal gaan krijgen van een wijziging van haar geslachtsnaam. Zij is op zich wel een onzeker en kwetsbaar meisje en daarom wordt verwacht dat een wijziging van haar geslachtsnaam in emotioneel opzicht impact op haar zal hebben.

5 De beoordeling

5.1

De rechtbank begrijpt dat het verzoek van het Openbaar Ministerie gebaseerd is op een verzuim toepassing te geven aan artikel 1:5 lid 4 jo lid 8 BW, dat uitgaat van de eenheid van naam.

5.2

[minderjarige X]

Voor wat betreft de minderjarige [minderjarige X], die geboren is in 1999, is de rechtbank van oordeel dat zijn geboorteakte in overeenstemming is met de toen geldende wetgeving.

Bij wetten van 10 april 1997 (in werking getreden op 1 januari 1998) en van 24 december 1997 (in werking getreden op 1 april 1998) is artikel 1:5 BW gewijzigd.

Artikel 1:5 lid 1 BW, zoals dit ten tijde van de geboorte van [minderjarige X] luidde, bepaalde dat een kind, dat bij de geboorte alleen in familierechtelijke betrekking staat tot de moeder, haar geslachtsnaam heeft. Voorts werd in de daarop volgende leden van genoemd artikel – onder meer – bepaald dat ten aanzien van een kind, dat:

a. door erkenning in familierechtelijke betrekking tot de vader kwam te staan;

b. door adoptie in familierechtelijke betrekking tot beide adoptanten kwam te staan;

c. door geboorte in familierechtelijke betrekking tot beide ouders kwam te staan

er – kort samengevat - een ruimere keuzemogelijkheid voor een geslachtsnaam kwam, zij het met de restrictie dat een keuze alleen gemaakt kon worden ten aanzien van het eerste kind.

Vast staat dat [moeder X] en [moeder Z] toen niet tot de kring van personen behoorden, die ten tijde van zijn geboorte een keus konden maken onder welke geslachtsnaam [minderjarige X] door het leven zou gaan. [minderjarige X] kreeg daarom de geslachtsnaam van [moeder X], de vrouw uit wie hij geboren was.

5.3

Het verzoek van het Openbaar Ministerie om wijziging te brengen in de geboorteakte van [minderjarige X] in de zin dat de woorden “geslachtsnaam kind is” worden doorgehaald met in de plaats daarvan vermelding van de woorden “gekozen voor de geslachtsnaam”, dient op grond van hetgeen daaromtrent hiervoor is overwogen, te worden afgewezen. [moeder X] en [moeder Z] hadden geen keuzemogelijkheid.

5.4

[minderjarige Z]

Bij wet van 4 oktober 2001 (in werking getreden op 1 januari 2002) is boek 1 BW gewijzigd in verband met het gezamenlijk gezag van rechtswege bij geboorte tijdens een geregistreerd partnerschap. Het toen ingevoerde artikel 1:253sa BW bepaalde dat een ouder en zijn geregistreerde partner, die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag uitoefenen over een tijdens hun partnerschap geboren kind.

In deze zaak betekende dit dat [moeder X], als geregistreerd partner van de moeder van [minderjarige Z], bij de geboorte van [minderjarige Z] in 2003 van rechtswege over haar het gezag kreeg. Voorts betekende dit overigens ook dat [moeder Z] vanaf 1 januari 2002 mede het gezag uitoefent over de minderjarige [minderjarige X].

5.5

Artikel 1:253sa, lid 3 BW1 bepaalde, destijds, artikel 1:5, leden 4, 5 en 72 BW van overeenkomstige toepassing. Dit betekende dat de ouder en diens geregistreerde partner een naamskeuze konden uitbrengen op dezelfde wijze waarop juridische ouders dat ook kunnen doen. Zoals hiervoor onder 5.2 al is overwogen kon en kan een naamskeuze alleen worden uitgebracht ten aanzien van het eerste kind over wie de geregistreerde partners gezamenlijk het gezag uitoefenen. De keuze voor de naam van het eerste kind geldt dan tevens voor volgende kinderen van dezelfde ouders/partners.

In deze zaak betekent dit dat [minderjarige Z] de geslachtsnaam van [moeder X] had dienen te krijgen bij de aangifte van haar geboorte, nu [minderjarige X], als eerste kind, deze geslachtsnaam droeg.

5.6

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet pas door de erkenning van de kinderen de eenheid van naam van toepassing is, zoals het Openbaar Ministerie stelt, maar dat de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente ’s-Hertogenbosch bij de geboorte van [minderjarige Z] reeds de eenheid van naam had moeten toepassen.

5.7

De ratio van het bepaalde in het huidige artikel 1:5, lid 8 BW is de eenheid van naam van kinderen, die worden geboren uit één en dezelfde relatie. Genoemd artikel is van dwingendrechtelijke aard en laat de rechter geen mogelijkheid om hiervan in bijzondere gevallen af te wijken.

5.8

De rechtbank begrijpt dat het voor [minderjarige Z], maar ook voor de andere leden van het gezin, een complete verrassing is dat [minderjarige Z] onder een – van meet af aan - onjuiste geslachtsnaam door het leven is gegaan. Hiervan is [moeder X] en [moeder Z] geen enkel verwijt te maken. Het is de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente ’s-Hertogenbosch, die bij de aangifte van geboorte van [minderjarige Z] heeft verzuimd de juiste geslachtsnaam in de akte van geboorte op te nemen.

Dat de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Vught dit niet direct heeft opgemerkt toen [moeder X] en [moeder Z] in april 2014 overgingen tot wederzijdse erkenning van [minderjarige X] en [minderjarige Z], maar eerst een aantal weken later tot de ontdekking kwam dat onjuiste informatie was verstrekt, verandert echter niets aan het in de vorige volzin gestelde.

5.9

De door [moeder X] en [moeder Z] geopperde mogelijkheid om de erkenning ongedaan te maken - nog daargelaten dat zij daartoe geen verzoek hebben ingediend bij de rechtbank - zal niet leiden tot het door hen gewenste gevolg, dat [minderjarige Z] onder haar huidige geslachtsnaam door het leven gaat.

5.10

De rechtbank zal het verzoek van het Openbaar Ministerie ten aanzien van [minderjarige Z] gelet op het hiervoor overwogene toewijzen. Daarmee zal ongemak voor - met name - [minderjarige Z] ontstaan, maar de rechtbank gaat er vanuit dat [moeder X] en [moeder Z] [minderjarige Z] daarin op passende wijze zullen begeleiden en ondersteunen, zodat zij zo min mogelijk last zal hebben van de wijziging van haar geslachtsnaam.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1

wijst af het verzoek tot verbetering in de bij aktenummer [nummer akte] behorende latere vermelding betreffende erkenning van het jaar 1999 van het register van geboorten van de gemeente ’s-Hertogenbosch:

- doorhaling van de woorden ‘geslachtsnaam kind is’, en in plaats daarvan vermelding van: ‘gekozen voor de geslachtsnaam’.

6.2

gelast de volgende verbetering in de bij aktenummer [nummer akte] behorende latere vermelding betreffende erkenning van het jaar 2003 van het register van geboorten van de gemeente ‘s-Hertogenbosch:

- doorhaling van de geslachtsnaam [moeder Z], en in plaats daarvan vermelding van de geslachtsnaam: [moeder X];

Deze beschikking is gegeven door mrs. V.R. de Meyere, P.P.M. van Reijsen en J.W. Brunt, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 1 mei 2015.

conc: evdh

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.

1 Bij wet van 9 oktober 2008 (in werking getreden op 28 februari 2009) is artikel 1:253sa, lid 3 BW verplaatst naar artikel 1:5 BW.

2 Artikel 1:5, lid 7 BW is bij wet van 13 december 2000 (in werking getreden op 1 maart 2001) vernummerd naar lid 8.