Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3587

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
15_1128
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1008, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ontheffing Ffw. Bezwaartermijn.

Verzoekers hebben na afloop van de bezwaartermijn bezwaar gemaakt tegen de verlening van een ontheffing op grond van de Flora en faunawet. Niet in geschil is dat verzoekers uit de Nota van zienswijzen (een gepubliceerd stuk ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan Natuurbegraafplaats Maashorst, Franse Baan 2) hebben kunnen afleiden dat een ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet was verleend. Uit een door verweerder overgelegde verklaring van J.A.G. Huys, griffier van verweerders gemeente, blijkt dat de gemeente Landerd ter voorbereiding van de raadsvergadering van 11 december 2014 op 12 november 2014 de stukken die betrekking hebben op vaststelling van het bestemmingsplan Natuurbegraafplaats Maashorst, Franse Baan 2 op zijn website heeft laten plaatsen. De voorzieningenrechter beschouwt daarom de datum van 12 november 2014 als het moment waarom verzoekers redelijkerwijze er van op de hoogte hadden kunnen zijn dat een ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet was verleend. Het had op de weg van verzoekers gelegen om daarna binnen een redelijke termijn - gerekend vanaf 12 november 2014 - alsnog bezwaar te maken. De voorzieningenrechter acht in dit verband twee weken een redelijke termijn. Verweerder heeft het bezwaar van verzoekers terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1128

SHE 15/1098

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Natuurbegraven Nederland B.V.,

te 's-Hertogenbosch, gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop


Bij besluit van 6 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet een ontheffing verleend aan de derde-partij.

Bij besluit van 3 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn

zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Verweerder heeft desgevraagd bij brief van 27 mei 2015, ingekomen bij de rechtbank op 3 juni 2015, een nadere motivering van het bestreden besluit gegeven waarop de derde-partij op 9 juni 2015 en verzoekers op 11 juni 2015 schriftelijk hebben gereageerd. Daarna heeft de rechtbank met toestemming van partijen op 12 juni 2015 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Ingevolge artikel 6:7 van de de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

3. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

4. Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie de aanvrager.

6. Het primaire besluit betreft een op aanvraag genomen en tot de aanvrager gericht besluit. Een dergelijk besluit dient op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb te worden bekend gemaakt door toezending aan de aanvrager, waarbij deze toezending de bekendmaking vormt die ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepalend is voor de aanvang van de termijn. Voor de bekendmaking van dit besluit is niet vereist dit aan derden zoals verzoekers te verzenden, nu zij niet de aanvrager zijn van dit besluit en zij evenmin behoren tot de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bedoelde belanghebbenden. Het besluit is immers niet tot hen gericht. Anders dan verzoekers betogen geeft de Awb geen verplichting om een bekendmaking in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad te doen plaatsvinden. Dat verzoekers belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het primaire besluit en daartegen bezwaar kunnen maken, doet aan het vorenstaande niet af, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA3737). De voorzieningenrechter overweegt voorts dat het aannemelijk is dat het primaire besluit van 6 oktober 2014 dezelfde dag aan de derde-partij is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Awb eindigde op 17 november 2014. Nu het bezwaarschrift van verzoekers is gedateerd op 10 december 2014 en door verweerder is ontvangen op 15 december 2014, hebben zij de voor het maken van bezwaar gestelde termijn niet in acht genomen.

7. Voorts is niet gebleken dat in het onderhavige geval omstandigheden aanwezig zijn als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, op grond waarvan het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar moet worden geacht. Niet in geschil is dat verzoekers uit de Nota van zienswijzen (een gepubliceerd stuk ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan Natuurbegraafplaats Maashorst, Franse Baan 2) hebben kunnen afleiden dat een ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet was verleend. Uit een door verweerder overgelegde verklaring van J.A.G. Huys, griffier van verweerders gemeente, blijkt dat de gemeente Landerd ter voorbereiding van de raadsvergadering van 11 december 2014 op 12 november 2014 de stukken die betrekking hebben op vaststelling van het bestemmingsplan Natuurbegraafplaats Maashorst, Franse Baan 2 op zijn website heeft laten plaatsen. De voorzieningenrechter beschouwt daarom de datum van 12 november 2014 als het moment waarom verzoekers redelijkerwijze er van op de hoogte hadden kunnen zijn dat een ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet was verleend. Het had op de weg van verzoekers gelegen om daarna binnen een redelijke termijn - gerekend vanaf 12 november 2014 - alsnog bezwaar te maken. De voorzieningenrechter acht in dit verband twee weken een redelijke termijn. Verweerder heeft het bezwaar van verzoekers terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De omstandigheid dat verzoekers geen kennis hebben genomen van deze publicatie dient voor hun eigen risico te blijven. In de speculaties van verzoekers in hun nadere reactie van 11 juni 2015 omtrent de vraag of de Nota van zienswijzen daadwerkelijk is gepubliceerd op 12 november 2014, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. De voorzieningenrechter gaat uit van de juistheid van de verklaring van J.A.G. Huys.

8. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.