Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3498

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
29-06-2015
Zaaknummer
15_4
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo – Huishoudelijke hulp – nieuwe wijze van indiceren – pgb – compensatie – uurtarief. CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/4

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

gemachtigde: mr. K.E. Mölgaard,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder

gemachtigde: C.M van Geffen en mr. J.C. van de Water.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres per 1 maart 2014 geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging (HV) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de aandachtsgebieden licht en zwaar huishoudelijk werk, de was doen en strijken, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) dat stapsgewijs wordt verlaagd.

Bij besluit van 2 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 23 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting op 7 april 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 3 juni 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres is bij besluit van 4 november 2010 tot en met 2 januari 2016 geïndiceerd voor

4 uren hulp bij het huishouden per week. Dit betrof licht en zwaar huishoudelijk werk en de was, waarbij een half uur extra voor de was toegekend voor extra bewassing. Eiseres ontving daarvoor een pgb van, laatstelijk, € 252,15 bruto per vier weken.

1.2

Eiseres woont in een seniorenwoning met twee woonlagen, waarbij de douche en de slaapkamer zich op de begane grond bevinden.

1.3

Bij brief van 8 januari 2014 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over op handen zijnde veranderingen bij de huishoudelijke hulp. Aangegeven is onder meer dat eiseres samen met haar zorgdienstverlener een zorgovereenkomst moet opstellen. Alleen hetgeen eiseres zelf echt niet kan regelen en wel onder de Wmo valt, neemt de zorgaanbieder over.

1.4

Na dossieronderzoek en een gesprek bij eiseres thuis heeft verweerder

vastgesteld dat eiseres moet worden gecompenseerd op de aandachtsgebieden voor HV zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken.

1.5

Bij het primaire besluit van 7 april 2014 is eiseres geïndiceerd voor HV in de vorm van een pgb met de aandachtsgebieden zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken. Het pgb blijft € 252,15 per vier weken tot 14 juli 2014. Daarna wordt het bij wijze van overgangsregeling stapsgewijs afgebouwd naar € 220,02 vanaf
14 juli 2014, € 187,90 vanaf 6 oktober 2014 en tenslotte € 155,77 per vier weken vanaf
29 december 2014. Deze indicatie loopt tot en met 31 december 2015. Het primaire besluit vermeldt dat eiseres nieuwe loonafspraken kan maken met haar hulp en dat het gangbare uurtarief voor een particuliere schoonmaakhulp ligt tussen de € 10,50 en € 13,50. Met een tarief van € 12,00 per uur zou eiseres tussen de 3 en 3,5 uren hulp per week in kunnen kopen.

2. Verweerder heeft het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit ingebracht dat zij onvoldoende wordt gecompenseerd. Met het toegekende budget kan eiseres slechts 3 tot 3,5 uren hulp inkopen, terwijl zij al sinds vele jaren een indicatie heeft voor 4 uren per week. Haar medische situatie en leefsituatie zijn niet veranderd, zodat 3 tot 3,5 uren per week te weinig is. Verweerder heeft volgens eiseres niet aangegeven waar het gestelde gangbare uurtarief voor een particuliere schoonmaakhulp op is gebaseerd.

4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat voor de hoogte van het pgb aangesloten dient te worden bij de kosten voor zorg die in natura wordt verleend. De keuze voor een pgb gaat niet zo ver dat - indien zorg ingekocht kan worden bij de door de gemeente gecontracteerde zorgdienstverleners voor een lager tarief - een pgb vergoed moet worden tegen een hoger tarief. Indien eiseres de zorg niet in wil kopen bij de gecontracteerde zorgdienstverleners, staat het haar vrij met het pgb elders zorg in te kopen en het verschil zelf bij te betalen. Verweerder heeft voorts websites genoemd van zorgverleners waar tegen een uurloon dat vergelijkbaar is met het salaris dat sinds
2 maart 2015 geldt voor de CAO voor de Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (CAO-VVT), zorg kan worden ingekocht. Ten slotte stelt verweerder dat de woning van eiseres als een gelijkvloerse woning moet worden aangemerkt, omdat de badkamer en de slaapkamer zich op de begane grond bevinden. Voor een dergelijke woning is volgens verweerder 3 uren aan HV voldoende, zodat ook op die grond het toegekende pgb toereikend is.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader compensatie

6. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo, zoals die wet luidde ten tijde van het bestreden besluit, treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren. Op grond van het tweede lid houdt het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in de maatregelen te voorzien.

7. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wmo, zoals die wet luidde ten tijde van het bestreden besluit, stelt de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. Ter uitvoering van deze bepaling is door de gemeenteraad de Verordening voorzieningen Wmo Oss 2014 (de Verordening) vastgesteld.

8. In artikel 2 van de Verordening is het volgende bepaald:

De op basis van artikel 4 lid 1 van de wet via compenserende maatregelen te bereiken resultaten zijn:

  1. in het kader van de leefbaarheid gerealiseerde huishoudelijke verzorging in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning;

  2. wonen in een geschikt huis;

  3. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;

  4. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;

  5. het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

  6. zich verplaatsen in en om de woning;

  7. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;

  8. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.

9. In paragraaf 2 van de Verordening zijn deze resultaatgebieden verder uitgewerkt. Van belang in deze zaak zijn de artikelen 9 en 12.

10. Artikel 9 luidt als volgt:

In het kader van de leefbaarheid gerealiseerde huishoudelijke verzorging in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning:

Lid 1. Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit in het kader van de leefbaarheid gerealiseerde huishoudelijke verzorging in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten.

Lid 2. Met het oog op het bepaalde in lid 1 kan een individuele voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware huishoudelijke werk.

Lid 3. Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.

Lid 4. Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar en de meest compenserende oplossing zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.

11. Artikel 12 luidt als volgt.

Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding

Lid 1. Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van kleding in gewassen en - zonodig - gestreken, opgevouwen of opgehangen staat.

Lid 2. Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het wassen, drogen en strijken en opruimen van de dagelijkse was.

Lid 3. Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, of als belanghebbende gebruik kan maken van een algemene voorziening (strijkdienst) wordt deze mogelijkheid eerst beoordeeld.

Lid 4. Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar en de meest compenserende oplossing zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.

Onderwerp van geschil

12. In geschil is de vraag of eiseres door verweerder voldoende wordt gecompenseerd als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo met de indicatie per 14 juli 2014 voor hulp bij het huishouden met de aandachtsgebieden zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken, in de vorm van een pgb met een overgangsregeling waarbij het pgb stapsgewijs wordt afgebouwd van € 252,15 per vier weken naar € 220,02 vanaf 14 juli 2014, € 187,90 vanaf 6 oktober 2014 en tenslotte

€ 155,77 per vier weken vanaf 29 december 2014.

Nieuwe werkwijze van indiceren van verweerder

13. De gemeente Oss hanteert samen met een aantal andere gemeenten, waaronder de gemeente Landerd, een nieuwe werkwijze bij het indiceren, waarbij niet meer wordt geïndiceerd in uren en minuten, maar in aandachtsgebieden voor de huishoudelijke activiteiten, waarop compensatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo moet plaatsvinden. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 13 maart 2015, (ECLI:NL:RBOBR:2015:1272) uitspraak gedaan over de wijze van indiceren in aandachtsgebieden door de gemeente Landerd. Daarbij is geoordeeld dat door het indiceren in aandachtsgebieden voor zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken, in combinatie met de omschrijving van de respectievelijke aandachtsgebieden in de verordening, in zijn algemeenheid voldoende bepaalbaar en concreet is wat de inhoud van de aan de aanvrager toegekende indicatie is. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat het uitgangspunt is dat de indicatie in aandachtsgebieden vervolgens in een specifiek plan wordt uitgewerkt waarbij dan in het individuele geval in samenspraak met de aanvrager wordt nagegaan wat nodig is om te komen tot een voldoende compensatie.

14. Voormelde artikelen 9 en 12 van de Verordening van de gemeente Oss zijn inhoudelijk voor wat betreft de concretisering gelijk aan de verordening van de gemeente Landerd, zodat in beginsel ook het indiceren in aandachtsgebieden met toepassing van de verordening van de gemeente Oss voldoende kenbaar maakt wat de inhoud is van de aan betrokkene toegekende indicatie.

Wettelijk kader pgb

15. Artikel 6 van de Wmo, zoals die wet luidde ten tijde in geding, bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze biedt tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar pgb, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

16. Ingevolge artikel 17 van de Verordening kunnen de te treffen voorzieningen als voorziening in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming worden verstrekt.

Werkwijze verweerder bij PGB

17. In de nieuwe werkwijze van verweerder heeft de geïndiceerde de keuze tussen zorgverlening via Zorg in natura (Zin) en een pgb. Bij Zin kan hij zich na het indicatiebesluit tot één van de acht door verweerder geselecteerde zorgaanbieders wenden en met de gekozen zorgaanbieder bespreken op welke wijze compensatie op de aandachtsgebieden moet worden gerealiseerd. De door verweerder geselecteerde zorgaanbieders hebben een acceptatieplicht en garanderen het te bereiken resultaat op de aandachtsgebieden.

18. Indien de geïndiceerde kiest voor een pgb kan hij zich desgewenst ook wenden tot de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders. Op grond van de zogeheten ‘PGB-clausule’ die in de contracten tussen de gemeente en de zorgaanbieders is opgenomen, is de zorgaanbieder in dat geval gehouden om de geïndiceerde met een pgb, tegen het door verweerder aan de geïndiceerde toegekende pgb, op dezelfde wijze ondersteuning te bieden als aan degenen die hebben gekozen voor Zin. Daarmee is volgens verweerder gegarandeerd dat de geïndiceerde die kiest voor een pgb op dezelfde wijze wordt gecompenseerd als degene die kiest voor Zin. De zorgaanbieder ontvangt dus hetzelfde vaste bedrag, ongeacht of de geïndiceerde heeft gekozen voor Zin dan wel voor een pgb, en heeft dezelfde plicht tot compensatie.

19. In artikel 6, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2014 van de gemeente Oss (het Besluit) zijn de bedragen vastgesteld die worden toegekend voor hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb voor acht onderscheiden aandachtsgebieden.

De bedragen variëren van € 405,00 per aandachtsgebied (zoals (dagelijks) organisatie van het huishouden) tot € 2.025,00 per aandachtsgebied (brood- en warme maaltijden bereiden).

Volgens dit artikellid dienen voor een eenpersoonshuishouden in een seniorenwoning/appartement voor de aandachtsgebieden waarin eiseres gecompenseerd dient te worden, de volgende bedragen te gelden:

- zwaar huishoudelijk werk € 1.215,00

- licht huishoudelijk werk € 810,00

- de was doen en strijken € 810,00

Voorts is daarin opgenomen dat bij twee of meer aandachtsgebieden een totaalbedrag van
€ 2.025,- wordt toegekend. Dit komt neer op € 155,77 per vier weken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan op basis van individueel maatwerk een pgb hoger of lager dan de normbedragen worden vastgesteld.

Oordeel rechtbank over compensatie eiseres met pgb

20. Verweerder heeft niet betwist dat de medische situatie van eiseres ten opzichte van de eerdere indicatie niet is gewijzigd. Verder geldt dat eiseres eerder een indicatie had voor
4 uren huishoudelijke hulp en een pgb van € 252,15 per maand.

21. Verweerder heeft aangevoerd dat voor eiseres 3 uren HV voldoende zou moeten zijn. De woning van eiseres moet volgens verweerder als een gelijkvloerse woning worden aangemerkt, omdat de badkamer en de slaapkamer zich op de begane grond bevinden.

Voor een dergelijke woning is volgens verweerder drie uur aan HV voldoende.

22. De rechtbank volgt verweerder niet in deze eerst in het verweerschrift opgeworpen stelling. Vast staat immers dat eiseres nog in dezelfde woning woont als waarvoor zij de voorheen geldende indicatie voor 4 uren huishoudelijk hulp heeft gekregen. Dat thans ook met 3 uren kan worden volstaan om hetzelfde resultaat te bereiken heeft verweerder niet met gegevens of stukken, zoals nieuwe normen voor het schoonmaken of de resultaten van onderzoek ter plaatse, onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er vooralsnog van moet worden uitgegaan dat voor het bereiken van compensatie op de door verweerder bij het primaire besluit geïndiceerde aandachtsgebieden, nog steeds 4 uren per week huishoudelijke hulp nodig is.

23. Verweerder heeft het voorheen geldende pgb bij het primaire besluit als overgangsregeling gehandhaafd tot 14 juli 2014. Eiseres heeft hiertegen geen grieven gericht en de rechtbank gaat er dan ook van uit dat eiseres met dit bedrag voldoende wordt gecompenseerd. Het bestreden besluit kan dan ook in stand worden gelaten voor zover het ziet op de periode tot 14 juli 2014.

24. Het primaire besluit leidt er vervolgens toe dat eiseres, zo zij zelf haar huishoudelijke hulp wil inkopen, met het toegekende pgb afgezet tegen 4 uren huishoudelijke verzorging per week vanaf 14 juli 2014 daarvoor een bedrag van € 13,75 per uur kan betalen, vanaf
6 oktober 2014 een bedrag van € 11,74 en vanaf 29 december 2014 een bedrag van

€ 9,73.

25. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiseres ook met voormelde uurtarieven huishoudelijke zorg kan inkopen. Eiseres heeft dat betwist.

26. De rechtbank ziet zich gelet op het voorgaande geplaatst voor de vraag tegen welk uurtarief eiseres redelijkerwijs met een pgb huishoudelijke zorg kan inkopen. De rechtbank ziet mede gelet op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5446) reden om daarbij uit te gaan van de CAO VVT.

27. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 maart 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:2136) en het in die uitspraak genoemde rapport van Berenschot van 17 februari 2015 genaamd “De bodem bereikt, Feitenrelaas over de ontwikkelingen in de Hulp bij het Huishouden” (hierna: Rapport Berenschot).

28. In het Rapport Berenschot is vermeld dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat 72% van de medewerkers (van TSN Thuiszorg BV) is ingeschaald in CAO VVT salarisschaal FWG 10. Nu voorts geldt dat het bij de werkzaamheden die in het kader van de indicatie van eiseres moeten worden verricht gaat om redelijk standaard huishoudelijk werk, ziet ook de rechtbank aanleiding om uit te gaan van FWG 10.

29. Ingevolge de CAO voor 2013 en 2014 bedraagt het brutoloon in de hoogste trede van FWG 10 € 10,18 per uur. Ingevolge de CAO VVT voor 2015 bedraagt dat brutoloon € 10,33 per 1 maart 2015.

30. Voor het bepalen van het uurtarief waartegen eiseres redelijkerwijs geacht moet worden huishoudelijke zorg te kunnen inkopen dient voormeld brutoloon ingevolge eerdergenoemde rechtspraak van de CRvB te worden vermeerderd met 20% voor onder meer het vakantiegeld en de vakantieuren. Dit resulteert in een bedrag van € 12,22 bruto per uur
(€ 10,18 x 120%). Per 1 maart 2015 bedraagt dit uurtarief dan € 12,40 (€ 10,33 x 120%). Voor het oordeel dat voormelde bedragen als een redelijk uurtarief kunnen worden aangemerkt, vindt de rechtbank voorts steun in de door verweerder genoemde websites, zoals ‘de witte werkster’. Op laatstgenoemde website kan huishoudelijke verzorging worden ingehuurd voor een ‘all-in’ prijs van € 12,50 bruto per uur. Ook wijst de rechtbank op de uitspraak van de CRvB van 6 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2841) waar de CRvB een besluit tot toekenning van een uurtarief van € 12,50 in stand heeft gelaten.

31. Uitgaande van een uurtarief van € 12,22 tot 1 maart 2015 en € 12,40 vanaf
1 maart 2015 concludeert de rechtbank dat eiseres met het aan haar vanaf 14 juli 2014 toegekende budget, dat neerkomt op een uurtarief van € 13,75, voldoende wordt gecompenseerd.

32. Per 6 oktober 2014 komt het aan eiseres toegekende budget neer op een uurtarief van
€ 11,74 en vanaf 29 december 2014 op € 9,73. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat eiseres vanaf 6 oktober 2014 met het aan haar toegekende pgb nog voldoende wordt gecompenseerd.

33. Ten aanzien van de stelling van verweerder dat eiseres niet verplicht is om haar eigen hulp te blijven houden maar met het pgb ook gebruik kan maken van de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders die immers gehouden zijn haar dezelfde compensatie te bieden als in het geval van Zin, geldt dat de rechtbank daarover in eerdergenoemde uitspraak van

13 maart 2015 reeds heeft geoordeeld dat verweerder met deze werkwijze feitelijk de keuzevrijheid om het pgb, binnen de daarvoor geldende regels, naar eigen inzicht te besteden, op een onaanvaardbare wijze inperkt.

Conclusie

34. Uit het voorgaande volgt dat eiseres met het bestreden besluit vanaf 6 oktober 2014 niet langer wordt gecompenseerd in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo.

35. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dat besluit ziet op de periode vanaf 6 oktober 2014.

36. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiseres vanaf 6 oktober 2014 in aanmerking komt voor een pgb ten bedrage van € 195,52 (€ 12,22 x 16 uren) per vier weken en vanaf 1 maart 2015 van € 198,40 (€ 12,40 x 16 uren) per vier weken.

37. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.470,00 (1 punt voor het beroepschrift, 2 punten voor het tweemaal verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1).

38. De rechtbank zal bepalen dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 45,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat besluit ziet op de periode

vanaf 6 oktober 2014;

- bepaalt dat eiseres vanaf 6 oktober 2014 in aanmerking komt voor een pgb ten bedrage

van € 195,52 per vier weken en vanaf 1 maart 2015 van € 198,40 per vier weken;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden

besluit;

- veroordeelt verweerder in door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag

van € 1.470,00;

- draagt verweerder op aan eiseres het griffierecht van € 45,00 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, voorzitter, en mr. A.H.N. Kruijer en
mr. C.F.E. van Olden-Smit in aanwezigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2015.

griffier voorzitter

de griffier is verhinderd om deze

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.