Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3337

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
C/01/284493 / HA ZA 14-742
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:4428, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De vraag of het beding tot niet-overdraagbaarheid in algemene voorwaarden respectievelijk overeenkomst goederenrechtelijke werking heeft wordt ontkennend beantwoord.

Uitlegregel in HR Coface/Intergamma ook van toepassing als beding in overeenkomst zelf is opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/284493 / HA ZA 14-742

Vonnis van 3 juni 2015

in de zaak van

MAARTEN JOHAN WILLEM VAN INGEN Q.Q.

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Astrea Groep B.V. en Ingenieursburo Technipower B.V.,

wonende te 's-Hertogenbosch,

eiser,

advocaat mr. W.J.G. Smits te 's-Hertogenbosch,

tegen

naamloze vennootschap

F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. S. Winkels-Koerselman te Best.

Partijen zullen hierna de curator en Van Lanschot genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 januari 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Astrea Groep B.V. (hierna Astrea Groep) hield zich vooral bezig met het verzorgen van administratieve en facilitaire diensten ten behoeve van de Astrea vennootschappen, waaronder ibs/Astrea BV, HR-Astrea B.V. en Ingenieursburo Technipower B.V. (hierna: Technipower). Technipower hield zich met name bezig met het projectmatig inzetten van technici op het gebied van werktuigbouw, elektronica en elektrotechniek in de ruimste zin van het woord.

2.2.

De Astrea vennootschappen bankierden bij Van Lanschot. Op 5 juli 2010 heeft Van Lanschot een krediet in rekening-courant aan de Astrea vennootschappen verstrekt van € 1.100.000,-. Bij kredietovereenkomst van 2 april 2013 is het verleende krediet in rekening-courant verhoogd tot € 1.250.000,- (prod 1 antw). De hoogte van dit krediet was afhankelijk van de omvang van de debiteurenportefeuille van Astrea Groep.

2.3.

Tot zekerheid voor al hetgeen Van Lanschot van de Astrea vennootschappen te vorderen heeft, heeft zij onder meer pandrecht bedongen op de vorderingen op derden (debiteuren) die de Astrea vennootschappen hadden en zouden verkrijgen (prod 3 antw). Bovendien heeft Van Lanschot gebruik gemaakt van een “Verzamelpandakte Vorderingen” op basis van de in de onderhandse akte van 10 augustus 2010 opgenomen volmacht, geregistreerd op 17 augustus 2010 (prod 26 dagv). Van deze volmacht is gebruik gemaakt bij vervolgpandakten van 3 oktober 2013, geregistreerd op 7 oktober 2013 (prod 27 dagv) en 21 oktober 2013, geregistreerd op 22 oktober 2013 (prod 28 dagv).

2.4.

Nadien hebben partijen onderhandeld over een verhoging van het krediet.

Bij emailbericht van 25 juli 2013 heeft Van Lanschot aangeboden een verhoging van het krediet toe te staan onder (onder meer) de voorwaarde dat de Astrea vennootschappen de pandverboden van hun debiteuren, indien aanwezig, moeten opheffen door middel van een schriftelijke bevestiging. De opheffing van het pandverbod zou daarbij minimaal moeten gelden voor ASML, Honeywell, Manpower en ECT. Van Lanschot heeft daarbij aangekondigd de Astrea vennootschappen in bezit te zullen stellen van een sjabloon dat hiervoor gebruikt kan worden (prod 5 dagv).

2.5.

Namens de Astrea vennootschappen is bij brief van 26 juli 2013 aan Van Lanschot meegedeeld dat zij niet aan de gestelde voorwaarden te kunnen voldoen (prod 6 dagv). Van Lanschot heeft vervolgens bij brief van diezelfde datum de kredietovereenkomst per direct opgezegd (prod 7 dagv).
Nadien heeft Van Lanschot zich bereid verklaard de kredietopzegging op te schorten en zich wederom bereid verklaard tot een verhoging van het krediet onder dezelfde voorwaarden als genoemd in het emailbericht van 25 juli 2013, waaronder de opheffing van de pandverboden.

2.6.

Teneinde de Astrea vennootschappen in staat te stellen de (eventuele) pandverboden op te heffen, heeft Van Lanschot een sjabloon toegezonden met de volgende tekst (prod 9 dagv):
“In het kader van (krediet)overeenkomsten tussen F. van Lanschot Bankiers N.V. (de “Bank”) en ons zullen wij onze huidige en toekomstige vorderingen op u verpanden danwel hebben wij deze vorderingen verpand aan de Bank.

Wij verzoeken u door middel van ondertekening van deze brief het volgende te verklaren:
(a) indien van toepassing, dat onze vorderingen op u vatbaar zijn voor verpanding aan de Bank, dit in afwijking van wat in de door u in uw overeenkomst en/of algemene voorwaarden tegenover ons gehanteerde bepaling(en) is bepaald en
(b) voor zover noodzakelijk, dat u instemt met deze verpanding.

Voor de goede orde: deze brief is geen mededeling van het pandrecht van de Bank aan u.

Betalingen van onze vorderingen op u kunt u nog steeds bevrijdend aan ons doen, tenzij in een eerder stadium anders door ons of de Bank aan u is meegedeeld.

Wij verzoeken u vriendelijk een door u ondertekend exemplaar van deze brief aan ons te retourneren.

Hoogachtend”

2.7.

Bij brief van 25 september 2013 heeft Van Lanschot de kredietovereenkomst per direct en definitief opgezegd omdat Van Lanschot is gebleken dat de Astrea vennootschappen ten onrechte, stelselmatig en doelbewust reeds betaalde posten als debiteur op de pandlijst hebben vermeld met als doel om een hogere bevoorschottingslimiet te verkrijgen, nog geen rekening is gehouden met de pandverboden zoals deze door een aantal debiteuren zijn bedongen en de Astrea vennootschappen er nog niet voor hebben gezorgd dat deze pandverboden zijn opgeheven en de overstand op de rekening-courant € 375.649,73 bedraagt (prod 22 dagv).

2.8.

Op 3 oktober 2013 is het overgrote deel van de door Astrea vennootschappen gedreven onderneming door middel van een activa passiva transactie verkocht aan DPA Group N.V. (prod 23 dagv), waarmee Van Lanschot in ieder geval op 4 oktober 2013 bekend was.

2.9.

Bij vonnis van 22 oktober 2013 is Astrea Groep op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard en is mr. M.J.W. van Ingen tot curator aangesteld.

Bij vonnis van 23 oktober 2013 is Technipower op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard en is ook mr. M.J.W. van Ingen tot curator aangesteld.

2.10.

Ten tijde van de onder 2.9 bedoelde faillietverklaringen bedroeg de vordering van Van Lanschot op de Astrea vennootschappen in totaal € 808.679,06, vermeerderd met rente en kosten.

2.11.

Op dat moment bestonden er volgens de debiteurenlijst uit de administratie van Technipower nog vorderingen op onder meer ASML Netherlands B.V. (hierna: ASML) van € 298.235,69 en ECT Delta Terminal B.V. (hierna: ECT) van € 77.032,73 (prod 34 dagv).

2.12.

Technipower houdt bij Van Lanschot een “gewone rekening” met nummer 22.53.74.056, een “G-rekening” met nummer 99.065.07.410 (prod 4 antw) en een tussenrekening met nummer 22.50.91.291.

2.13.

In de G-rekeningovereenkomst, gesloten tussen de Belastingdienst, Technipower en Van Lanschot, is onder meer het volgende opgenomen:
“2. De rekeninghouder (rechtbank: Technipower) verklaart dat de saldi van de g-rekening hierbij in eerste onderpand worden gegeven aan de ontvanger voor hetgeen hij nu of te eniger tijd van hem te vorderen heeft of zal krijgen, ter zake van de verschuldigde belasting (…), een en ander voorzover verband houdende met door hem aan derden ter beschikking gestelde werknemers waarvoor hij ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 als inhoudingsplichtige en in verband waarmee hij, voorzover toepasselijk, voor de Wet op de omzetbelasting 1968 als ondernemer wordt aangemerkt en/of waarvoor hij als werkgever in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt aangemerkt onderscheidenlijk met door hem aangenomen werk, waarop de g-rekening betrekking heeft, een en ander met dien verstande dat de rente die de kredietinstelling over die saldi vergoedt op een andere rekening van de rekeninghouder zal worden gecrediteerd.

3. De in punt 2 bedoelde verpanding zal geacht worden te zijn geeffectueerd telkens op het moment dat bedragen op de g-rekening worden gecrediteerd.
4. De kredietinstelling (rechtbank: Van Lanschot) verklaart in verband met het vorenstaande afstand te doen van haar recht op verrekening, van pand of enig ander recht dat afbreuk zou kunnen doen aan het ten behoeve van de ontvanger gevestigde pandrecht.”

2.14.

Van Lanschot heeft vanaf 23 oktober 2013 een totaalbedrag van € 292.175,26 ontvangen van ASML; namelijk een bedrag van € 105.967,39 op de “gewone bankrekening” en een bedrag van € 186.207,87 op de G-rekening. Daarnaast heeft Van Lanschot een totaalbedrag van € 77.033,73 ontvangen van ECT; namelijk een bedrag van € 45.922,03 op de “gewone bankrekening”, een bedrag van € 25.390,50 op de G-rekening en nog een bedrag van € 5.721,20 op een tussenrekening (prod 5 antw).

2.15.

Inzake ASML heeft de curator geconstateerd dat ASML en Technipower/Astrea in

art. 21.1 en 21.2 Temporary Labor Agreement het volgende zijn overeengekomen:
“21.1 The rights and obligations of the Supplier in respect of ASML under this agreement cannot be transferred in full or in part to a third party without the written approval of ASML.
21.2 For the purpose of this Section, a company affiliated with that of the Supplier shall also constitute a third party. ASML will not refuse permission for the transfer of rights and obligations to a company affiliated with that of the Supplier on unreasonable grounds, provided that ASML retains sufficient guarantees for the Supplier’s and or Candidate’s compliance with their obligations.”

2.16.

Inzake ECT heeft de curator kennis genomen van ECT-inkoopvoorwaarden waarin in art. 8.6 het volgende is bepaald:

“Vorderingen op ECT mogen niet worden overgedragen aan een derde zonder schriftelijke toestemming van ECT.”

2.17.

Bij e-mail van 13 november 2013 heeft de curator Van Lanschot verzocht de door haar ontvangen betalingen ten aanzien van de debiteuren ASML en ECT door te leiden naar de faillissementsrekening (prod 32 dagv), waarop Van Lanschot bij email van 18 november 2013 afwijzend heeft gereageerd (prod 33 dagv).

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert bij dagvaarding veroordeling van Van Lanschot tot betaling van een bedrag van € 298.235,69 ter zake de vordering op ASML en een bedrag van € 77.032,73 ter zake de vorderingen op ECT, alsmede een bedrag van € 225.779,49 uit hoofde van ten onrechte verrekende gelden ontvangen vanaf 23 oktober 2013, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Ter comparitie heeft de curator de (primaire) vordering op ASML verminderd van
€ 298.235,69 tot € 292.175,26; de (primaire) vordering op ECT van € 77.032,73 blijft gehandhaafd.

Daarnaast heeft de curator ter comparitie de opbouw van de vordering verduidelijkt. Als de (primaire) vordering wordt toegewezen vordert de curator daarnaast de vanaf 23 oktober 2013 ontvangen en ten onrechte verrekende gelden voorzover deze niet afkomstig zijn van ASML en ECT.

Als deze (primaire) vordering wordt afgewezen vordert de curator subsidiair een bedrag van € 225.779,49 uit hoofde van ten onrechte verrekende gelden ontvangen vanaf 23 oktober 2013.

3.3.

Van Lanschot voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De curator legt aan zijn (primaire) vordering allereerst ten grondslag dat als gevolg van een beding tot niet-overdraagbaarheid met goederenrechtelijke werking in de overeenkomsten tussen Technipower en ASML, respectievelijk tussen Technipower en ECT geen pandrecht tot stand is gekomen op vorderingsrechten van Technipower op ASML respectievelijk ECT.
Vanaf het moment dat Van Lanschot niet langer te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw was Van Lanschot niet meer bevoegd om de binnenkomende betalingen van ASML en ECT te verrekenen met haar vordering op Technipower.

4.2.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Vooropgesteld wordt dat partijen op grond van art. 3:83 lid 2 BW ten aanzien van vorderingsrechten de overdraagbaarheid kunnen uitsluiten. Als zij daartoe overgaan heeft een dergelijk beding werking jegens derden, in die zin dat een beding als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de crediteur, maar tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf, wat ongeldigheid van een overdracht in strijd met dat beding tot gevolg heeft (HR 17 januari 2003 NJ 2004, 281, Oryx/Van Eesteren).

4.3.

De te beantwoorden vraag is hoe het beding van art. 8.6 van de ECT-inkoopvoorwaarden en het beding van art. 21.1 en 21.2 in Temporary Labor Agreement moeten worden uitgelegd. Daarbij heeft te gelden dat art. 8.6 van de ECT-inkoopvoorwaarden is aan te merken als een algemene voorwaarde, terwijl het beding van art. 21.1 en 21.2 in Temporary Labor Agreement in de overeenkomst zelf is opgenomen.

In HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682 Coface/Intergamma is de uitlegregel verwoord in het geval het beding in algemene voorwaarden was opgenomen. Een beding dat naar zijn aard mede bestemd is om de rechtspositie van derden te beïnvloeden die de bedoeling van contracterende partijen niet kennen, en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen, dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltexmaatstaf. Als uitgangspunt bij uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de - naar objectieve maatstaven uit te leggen - formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd.

De rechtbank zal deze uitlegregel op dezelfde wijze toe te passen in het geval het beding in de overeenkomst zelf is opgenomen. De reden voor een uitleg naar objectieve maatstaven is immers niet primair gelegen in het feit dat het beding in algemene voorwaarden is opgenomen, maar in het feit dat het overdrachtsverbod is bestemd de rechtspositie van derden (zoals toekomstige cessionarissen en pandhouders) te beïnvloeden door aan de vordering de eigenschap van niet-overdraagbaarheid te geven.

De toe te passen geobjectiveerde uitlegregel brengt mee dat de door de curator gestelde omstandigheid dat Van Lanschot er zelf van uitging dat het beding goederenrechtelijke werking had is - voor zover al juist - voor de beantwoording van deze vraag niet relevant is.

4.4.

Ter zake van het beding van art. 8.6 van de ECT-inkoopvoorwaarden voert Van Lanschot als verweer dat deze algemene voorwaarden om verschillende niet van toepassing zijn. De rechtbank zal deze discussie om de hierna te vermelden reden in het midden laten.

Wanneer er veronderstellende wijs van wordt uitgegaan dat deze algemene voorwaarde wel van toepassing is, komt de rechtbank tot de conclusie dat dit beding in de algemene voorwaarden geen goederenrechtelijke werking heeft. Uitgangspunt is immers dat een dergelijk beding uitsluitend verbintenisrechtelijke werking heeft, tenzij uit de - naar objectieve maatstaven uit te leggen - formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd.

Vooropgesteld wordt dat in het beding niet wordt verwezen naar art. 3:83 lid 2 BW. Nu in het beding is bepaald dat vorderingen op ECT “niet mogen” worden overgedragen, richt het beding zich niet tot de vordering (om daaraan de eigenschap van niet-overdraagbaarheid toe te kennen) maar richt zich juist tot de schuldeiser (omdat het hem wordt verboden de vordering over te dragen). Dit wijst erop dat (met inachtneming van de hierboven weergegeven uitlegregel) partijen aan het beding (slechts) verbintenisrechtelijke werking hebben willen geven.

Anders dan de curator ziet de rechtbank in de omstandigheid dat in het beding geen boeteclausule is opgenomen, geen aanwijzing dat goederenrechtelijke werking is beoogd. De curator kan worden toegegeven dat als partijen wel een boeteclausule zouden hebben opgenomen, dit een aanwijzing zou vormen dat verbintenisrechtelijke werking is beoogd, maar uit het ontbreken van een dergelijke clausule kan, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet het tegendeel worden afgeleid.

4.5.

Ter zake van het beding van art. 21.1 en 21.2 in Temporary Labor Agreement komt de rechtbank ook tot de conclusie dat dit beding geen goederenrechtelijke werking heeft. Zoals onder 4.3. is overwogen neemt de rechtbank ook hier als uitgangspunt dat een dergelijk beding uitsluitend verbintenisrechtelijke werking heeft, tenzij uit de - naar objectieve maatstaven uit te leggen - formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd. Vooropgesteld wordt dat ook in dit beding niet wordt verwezen naar art. 3:83 lid 2 BW. In art. 21.1 van de Temporary Labor Agreement is in ruime zin verwoord dat “the rights and obligations of the Supplier (rechtbank: Technipower) in respect of ASML under this agreement cannot be transferred in full or in part to a third party without approval of ASML”. Uit deze algemene bepaling valt nog niet af te leiden dat de contracterende partijen hiermee ten aanzien van vorderingsrechten hebben beoogd de overdraagbaarheid op grond van art. 3:83 lid 2 BW uit te sluiten. De uitleg die de curator aan dit beding geeft, namelijk ASML ziet haar verplichtingen aan Technipower als waarborg voor de nakoming van verplichtingen van Technipower onder de overeenkomst en wenst niet dat Technipower deze vorderingsrechten aan derden overdraagt, volgt de rechtbank niet.

Met toepassing van de hiervoor gegeven geobjectiveerde uitlegregel kan tot een dergelijke verstrekkende uitleg niet worden gekomen. Ook de woorden “sufficient garantees” in art. 21.2 bieden onvoldoende houvast voor een dergelijke uitleg. Terecht voert Van Lanschot aan dat de toevoeging in art. 21.2 “sufficient garantees for the Supplier’s or Candidate’s compliance with their obligations” niet specifiek ziet op overdracht van vorderingsrechten maar juist betrekking heeft op nakoming van allerlei soorten verplichtingen die Technipower jegens ASML op zich heeft genomen.

Ook hier geldt dat uit de omstandigheid dat in het betreffende beding geen boeteclausule is opgenomen, geen aanwijzing voor een beoogde goederenrechtelijke werking kan worden afgeleid, in welk verband de rechtbank verwijst naar hetgeen in r.o. 4.4. is overwogen.

4.6.

Als tweede grondslag voor de (primaire) vordering voert de curator aan dat Technipower wanprestatie gepleegd jegens ASML en/of ECT door haar vorderingsrechten in strijd met het beding te verpanden aan Van Lanschot en dat Van Lanschot willens en wetens heeft geprofiteerd van deze wanprestatie van Technipower om zich in een betere positie te manoeuvreren. Als gevolg van de vestiging van het pandrecht en het beroep daarop, komt de opbrengst van de betreffende vorderingen toe aan Van Lanschot in plaats van de gezamenlijke crediteuren. Van Lanschot heeft die verpanding feitelijk zelf tot stand heeft gebracht. Deze gedraging kwalificeert de curator als een onrechtmatige daad van Van Lanschot jegens de gezamenlijke crediteuren van Technipower, zodat de curator schadevergoeding vordert.

4.7.

In reactie hierop voert Van Lanschot onder meer aan dat de curator onvoldoende heeft gesteld dat aan de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW is voldaan. Van Lanschot betwist dat zij op de hoogte was van de bedingen tot niet-overdraagbaarheid en daardoor geweten zou hebben dat sprake is van wanprestatie door Technipower. Bovendien zijn er geen “bijkomende omstandigheden” die het profiteren van wanprestatie door een andere onrechtmatig doen zijn.

4.8.

Ter comparitie heeft de rechtbank de curator uitdrukkelijk uitgenodigd deze tweede grondslag nader toe te lichten. De curator heeft verklaard dat hij niet anders aan te voeren heeft dan in de dagvaarding is gesteld. Het actief gebruik maken van de volmacht, terwijl Van Lanschot wetenschap had dat Technipower verpandingsverboden zou overtreden, zou volgens de curator onrechtmatig handelen van Van Lanschot opleveren.

4.9.

De rechtbank merkt deze vordering als een zogeheten ‘[naam]-vordering’ aan. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 1983 in de zaak [naam] (NJ 1983, nr. 597) is hiervan sprake indien door een derde jegens de gezamenlijke crediteuren van de gefailleerde een onrechtmatige daad is gepleegd. In een dergelijk geval kan onder omstandigheden plaats zijn voor het geldend maken door de curator van een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Tot het instellen van een [naam]-vordering is de curator uit hoofde van de hem in art. 68 lid 1 Fw gegeven opdracht bevoegd indien door een derde onrechtmatig is gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde en ten gevolge van dat onrechtmatig handelen de gezamenlijke crediteuren in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld.

Indien een curator een dergelijke vordering tegen een derde instelt, zal hij derhalve voldoende feiten en omstandigheden dienen te stellen die tot de conclusie leiden dat zich een dergelijke situatie voordoet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die in dit geval tot die conclusie kunnen leiden. Allereerst heeft Van Lanschot gemotiveerd en onder verwijzing naar de gevoerde correspondentie betwist ten tijde van vermeende onrechtmatig handelen op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de hier aan de orde zijnde bedingen. Uit die correspondentie blijkt dat Van Lanschot bereid was een verhoging van het krediet toe te staan wanneer pandverboden met hun debiteuren, indien aanwezig, zouden moeten worden opgeheven en daarbij zijn ook debiteuren genoemd waar geen sprake was van een pandverbod, zoals Honeywell en Manpower. Zeker na deze betwisting had het op de weg van de curator gelegen zijn stellingen handen en voeten te geven, wat hij heeft nagelaten. Het enkele feit dat Van Lanschot gebruik heeft gemaakt van de aan haar verstrekte volmacht maakt haar handelen nog niet onrechtmatig. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig, die niet zijn gesteld of gebleken.
De curator heeft niet aan zijn stelplicht voldaan en daarmee kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat de curator tot het instellen van die vordering niet bevoegd kan worden geacht en de vordering van de curator daarom moet worden afgewezen.

4.10.

De conclusie is dat de betreffende bedingen (slechts) verbintenisrechtelijke werking hebben en dat van onrechtmatig handelen van Van Lanschot geen sprake is.

De vorderingsrechten van Technipower op ASML, respectievelijk ECT zijn op de in r.o. 2.3. genoemde wijze aan Van Lanschot verpand. Voor verpanding van vorderingen ligt in het wettelijk stelsel (art. 3:84 lid 2 jo. 3:98 BW) het vereiste besloten dat de vordering ten tijde van de verpanding in voldoende mate door de akte van verpanding wordt bepaald. De grondslag voor deze constructie is te vinden in het arrest Mulder q.q.-Rabo (Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842). Daarin oordeelde de Hoge Raad dat in een akte van verpanding kan worden volstaan met een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen, ook wel genoemd een vangnet- of catch-all clausule. Daarvan is in deze zaak ook sprake en dus was Van Lanschot gerechtigd de girale betalingen van ASML en EVT te verrekenen met de aan haar verpande vorderingen.

De overige verweren met betrekking tot de (primaire) vordering behoeven daarom geen nadere bespreking.

4.11.

Ter zake van de subsidiaire vordering overweegt de rechtbank het volgende.
In de kern betoogt de curator dat Van Lanschot op grond van art. 4 van de G-rekeningovereenkomst afstand heeft gedaan van haar recht op verrekening, haar pandrecht en enig ander recht dat afbreuk zou kunnen doen aan het ten behoeve van de Ontvanger gevestigde pandrecht. Dit betoog berust op een onjuiste lezing van het betreffende artikel.

In dit artikel verklaart de kredietinstelling (i.c. Van Lanschot) in verband met het vorenstaande afstand te doen van haar recht op verrekening, van pand of enig ander recht dat afbreuk zou kunnen doen aan het ten behoeve van de ontvanger gevestigde pandrecht.

Redelijke uitleg brengt mee dat met dit artikel is beoogd alle rechten van Van Lanschot jegens Technipower ondergeschikt te maken aan het pandrecht van de Ontvanger op de saldi van de G-rekening (zoals uit art. 2 van de G-rekeningovereenkomst blijkt). Het saldo dat per datum faillissement (23 oktober 2013) op de G-rekening van Technipower aanwezig was, komt de Ontvanger op grond van deze overeenkomst toe met achterstelling van de rechten van Van Lanschot. Het na datum faillissement ontstane saldo valt niet onder het pandrecht van de Ontvanger en die nadien ontvangen betalingen kan Van Lanschot verrekenen met de aan haar verpande vorderingen.

Dat het hier gaat om een te verrekenen bedrag van € 225.779,49 vanaf 23 oktober 2013 staat tussen partijen niet ter discussie.

De conclusie is dat ook de (subsidiaire) vordering moet worden afgewezen.

4.12.

De slotsom is dat de vorderingen van de curator voor afwijzing gereed liggen. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van Lanschot worden begroot op € 7.829,00, namelijk € 3.829,00 aan griffierecht en € 4.000,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 2.000,00) :

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van Van Lanschot tot op heden begroot op € 7.829,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.