Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3335

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
C/01/277659 / HA ZA 14-310
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt dat gedaagden door hun handelen dan wel nalaten letsel aan haar paard hebben toegebracht. Zij vordert in conventie de waardevermindering van haar paard. De dragende feitelijke grondslag voor die vordering is de stelling van eiseres dat haar paard onherstelbaar letsel aan zijn mond en flanken heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd en wijst reeds daarom de vordering in conventie af.

Over deze procedure is een artikel in de Telegraaf verschenen. In reconventie vordert één van de gedaagden in conventie schadevergoeding, omdat zij de uitlatingen van eiseres in conventie in die publicatie onrechtmatig acht. De rechtbank kan daar niet in meegaan. Het artikel is volgens de rechtbank niet meer dan een korte, zakelijke weergave van de zaak die in conventie speelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/277659 / HA ZA 14-310

Vonnis van 10 juni 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [adres],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. D.A. IJpelaar te Wassenaar,

en tegen

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

advocaat mr. W.G. Reddingius te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] worden genoemd. [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zullen waar mogelijk samen [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 november 2014;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

In mei 2004 heeft [eiseres] van Stal Bria het (dressuur-) paard U2 gekocht voor een koopsom van € 35.000,-. [eiseres] heeft U2 gestald gelaten bij Stal Bria.

2.2.

In 2006 is [gedaagde 1], een professionele amazone die op hoog niveau de dressuursport beoefent, in opdracht van [eiseres] gestart met het trainen van U2.

2.3.

In augustus 2010 heeft [eiseres] U2 overgebracht naar en vanaf dat moment gestald bij de stal van [gedaagde 2]. [gedaagde 1] heeft aldaar haar training van U2 voortgezet.

2.4.

[gedaagde 1] heeft U2 tot medio 2013 getraind. Vanaf juli 2013 heeft [medewerkster gedaagde 2], een medewerkster van [gedaagde 2], op verzoek van [eiseres], U2 bereden.

2.5.

Op 31 januari 2014 heeft [eiseres] U2 bij de stal van [gedaagde 2] opgehaald en opnieuw gehuisvest bij stal Bria te Hooge Mierde.

2.6.

Op 14 februari 2014 heeft [eiseres] haar overeenkomst van opdracht met [gedaagde 1] ontbonden en [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de schade in verband met het door haar aan U2 toegebracht letsel. In de betreffende e-mail schrijft (de advocaat van) [eiseres] onder meer:

“[…] Namens cliënte ontbind ik bedoelde overeenkomsten van opdrachten en wel op grond van wanprestatie ex artikel 74, Boek 6, BW en sommeer u om mee te werken aan het ongedaan maken van de verbintenissen inhoudende tot terugbetaling van al hetgeen cliënte reeds aan u heeft betaald. Tevens houdt cliënte u aansprakelijk voor alle geleden en nog te lijden schade, waaronder verstaan de waardevermindering van het paard. Het paard ‘U2’ vertegenwoordigde een waarde ad circa 250.000,00 - 300.000,00 euro en is door uw toedoen thans nagenoeg niets meer waard. […]

2.7.

Vervolgens heeft [eiseres] op 24 februari 2014 ook [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van bij U2 opgetreden letsel. In deze brief is eveneens het in 2.6 weergegeven citaat opgenomen.

2.8.

Op 20 maart 2014 is in de Telegraaf een artikel verschenen van de hand van journalist [journalist] met als kop: “Topmodel klaagt amazones aan” en als ondertitel “Dressuurstal [gedaagden] beschouwt aangifte als smaad

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert, samengevat:

I. primair een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagden] tot betaling van € 247.500,-, te vermeerderen met rente;

II. subsidiair veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagden] tot betaling van een in goede justitie te bepalen som;

III. veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagden] in de buitengerechtelijke incassokosten;

IV. met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagden] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen - kort samengevat - het navolgende ten grondslag.

[eiseres] heeft met [gedaagde 1] en met [gedaagde 2] overeenkomsten van opdracht gesloten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun contractuele verplichting om zich als goed opdrachtnemers te gedragen en in dat kader te zorgen voor een deugdelijke training en verzorging van U2, waaronder begrepen het voorkomen van verwondingen en gebreken.

U2 heeft blijvend letsel aan de flanken opgelopen door agressief spoorgebruik door [medewerkster gedaagde 2] en onherstelbare schade in de mond door langdurig extreem gebruik van stang en trens door [gedaagde 1] en [medewerkster gedaagde 2]. Dit zijn blijvende letsels, die maken dat U2 niet meer als volwaardig rijpaard kan worden ingezet. Ook [gedaagde 3] en [gedaagde 4] waren belast met de verzorging en training van U2 en zij hebben instructie gegeven aan [gedaagde 1] en aan [medewerkster gedaagde 2], terwijl U2 op dat moment niet bereden mocht worden.

Daarnaast hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met voormeld handelen onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld.

Het handelen van [medewerkster gedaagde 2] dient aan [gedaagde 1] en aan [gedaagde 2] te worden toegerekend op grond van artikel 6:76 BW respectievelijk artikel 6:170 BW.

De schade van [eiseres] beloopt € 247.500,-, zijnde het verschil tussen de onderhandse verkoopwaarde van U2 in 2010 van € 250.000,- en de huidige waarde van U2 van € 2.500,-.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagden] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde 1] vordert in reconventie, samengevat:

  1. veroordeling van [eiseres] tot betaling van schadevergoeding groot € 125.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente;

  2. met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze produre.

3.6.

[gedaagde 1] legt het navolgende aan deze vorderigen ten grondslag.

Op 20 maart 2014 is er een artikel in de Telegraaf verschenen, waarin [gedaagde 1] door [eiseres] wordt gekwalificeerd als een dierenbeul en waarin [gedaagde 1] ervan wordt beschuldigd ernstig letsel aan U2 toegebracht te hebben. Het artikel dateert van vóór de dagvaarding. De Telegraaf kan haar informatie dus alleen van [eiseres] hebben gehad, althans, dat is heel aannemelijk. [gedaagde 1] heeft de beschreven beschuldigingen weliswaar uitdrukkelijk betwist, maar de uitlatingen in de Telegraaf zijn vervolgens door verschillende media overgenomen.

De uitlatingen van [eiseres] zijn onrechtmatig jegens [gedaagde 1], die daardoor schade lijdt. De schade hangt samen met de tijd die [gedaagde 1] heeft moeten besteden aan het beantwoorden van vragen van ongeruste klanten, met het afhaken van potentiële klanten en met de kosten van externe adviseurs. Daarnaast heeft [gedaagde 1] reputatieschade geleden. [eiseres] heeft geen rekening gehouden met de ernst van de te verwachten gevolgen van de publicatie voor [gedaagde 1]. De ernstige beschuldigingen van [eiseres] vormen een onaanvaardbare inbreuk op de (beroeps-) eer en goede naam van [gedaagde 1].

[gedaagde 1] begroot haar schade op in ieder geval € 125.000,-. [eiseres] dient deze schade aan [gedaagde 1] te vergoeden, aldus [gedaagde 1].

3.7.

[eiseres] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie:

4.1.

Nu [eiseres] woonachtig is op het grondgebied van een andere staat dan Nederland en haar vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Alle gedaagden zijn gevestigd dan wel woonachtig in Nederland. Op grond van artikel 2, lid 1 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (de EEX-Verordening) is de rechtbank daarmee bevoegd op het voorliggende geschil te beslissen.

4.2.

[eiseres] vordert primair de waardevermindering van U2. De dragende feitelijke grondslag daarvoor is de stelling van [eiseres] dat U2 onherstelbaar letsel aan zijn mond (“de kaak van het paard is verwoest”; dv sub 1) en aan zijn flanken (“het paard zal nooit meer op beenhulpen kunnen reageren zoals het behoort te reageren”; dv sub 1) heeft opgelopen. Als gevolg van dat onherstelbare letsel, zou U2 niet meer als dressuurpaard kunnen worden ingezet, aldus [eiseres].

[gedaagde 1] heeft als verweer, bij gebrek aan overtuigend bewijs, het bestaan van de door [eiseres] gestelde mankementen aan U2 betwist.

Ook [gedaagden] heeft betwist dat sprake is van letsel. Ter onderbouwing heeft [gedaagden] onder meer overgelegd een verklaring van de heer [dierenarts 1], die U2 sinds 2009 als dierenarts heeft begeleid. [dierenarts 1] stelt onder meer:

Zolang ik U2 ken, heb ik nooit problemen van zijn mond gezien of er klachten van gehoord. Ook van zijn huid thv de flanken heb ik zeker geen chronisch probleem opgemerkt.

Verder heeft [gedaagden] overgelegd een verklaring van de heer [naam], die luidt:

Hierbij verklaar ik [naam] dat ik al 8 jaar de monden van de paarden bij Stal [gedaagden] controleert en behandeld waaronder ook het paard U2. Bij controle aan zijn mond heb ik nooit iets van kwelling of dierenmishandeling geconstateerd.

Daarnaast heeft [gedaagden] overgelegd een verklaring van de heer [dierenarts 2], een dierenarts aan wie [gedaagden] de door [eiseres] ingebrachte documenten van veterinaire aard ter beoordeling heeft voorgelegd. [dierenarts 2] verklaart onder meer:

Er is geen enkele aanwijzing dat de geconstateerde veterinaire afwijkingen onherstelbaar zouden zijn en dat een verdere carrière als wedstrijdpaard uitgesloten is. De taxateur is derhalve bij de waardebepaling van U2 van een onjuiste veronderstelling uitgegaan.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] - afgezet tegen het (onderbouwde) verweer van [gedaagde 1] en [gedaagden] - onvoldoende gemotiveerd gesteld dat U2 onherstelbaar mondletsel heeft opgelopen. [eiseres] heeft ter onderbouwing van het gestelde mondletsel in het geding gebracht een rapport van 21 februari 2014 van de heer [hoogleraar], die als hoogleraar is verbonden aan de Universiteit Gent, faculteit diergeneeskunde ([eiseres] prod. 25). Op 13 februari 2014 is U2 aldaar onderzocht. Naar aanleiding van een mondonderzoek merkt [hoogleraar] in het rapport enkel op:

* duidelijke verlittekening beide lagen (slijmvliezen gesloten)

* het beenweefsel van de onderkaak vertoont bilateraal een diepe depressie (botresorptie) omgeven door botaanwassen.

* normaal slijtagepatroon van de maaltanden

[hoogleraar] stelt niet dat hiermee sprake is van blijvende letsels. Integendeel, in het rapport van 21 februari 2014 merkt [hoogleraar] nog op dat geleidelijke opbouw van de revalidatie mogelijk is. Aanwijzingen voor het bestaan van blijvend mondletsel zijn in dit rapport derhalve niet te vinden. Daar komt bij dat [hoogleraar] in zijn latere rapportage van 7 februari 2015 ([eiseres] prod. 42) lijkt terug te komen op zijn conclusie dat bij U2 sprake is van botresorptie. Gewezen op het ogenschijnlijk gewijzigde standpunt van [hoogleraar], heeft mr. Wensing ter zitting bevestigd dat [hoogleraar] terugkomt op zijn eerdere oordeel over botresorptie en heeft hij verklaard dat hij daar verder niets aan toe te voegen heeft.

Bovendien stelt [hoogleraar] in die latere rapportage dat een dierenarts de zogenoemde nieuwbeenvorming in de mond (botvorming als gevolg van een ontsteking van het botvlies veroorzaakt door te krachtig bitgebruik) kan verwijderen, waardoor paarden opnieuw makkelijker berijdbaar zijn met een bit. Het is volgens [hoogleraar] effectief zo dat deze ingreep ook bij U2 mogelijk zou zijn, waardoor die een veel hoger bitcomfort in de mond kan krijgen en opnieuw in de sport actief kan worden. Ook dit duidt naar het oordeel van de rechtbank niet op het bestaan van blijvend letsel in de mond van U2, dat afbreuk zou doen aan zijn inzetbaarheid als dressuurpaard.

[eiseres] heeft voorts overgelegd een taxatierapport van [taxateur] van Cavalcade Hippisch Taxatie- en Adviesbureau van 17 maart 2014, waarin deze schrijft dat U2 op de inspectiedatum kampt met blessures en dat een verdere carrière als wedstrijdpaard op veterinaire gronden uitgesloten moet worden. Dit stuk kan [eiseres] echter niet baten, aangezien [taxateur] zijn conclusie niet toelicht, zodat onduidelijk blijft of [taxateur] onder die blessures en veterinaire gronden ook het mondletsel van U2 schaart.

Hetgeen [eiseres] overigens heeft aangevoerd of ingebracht, onderbouwt niet haar stelling aangaande de onherstelbaarheid van het mondletsel.

Het gestelde mondletsel kan derhalve de vordering van [eiseres] niet ondersteunen.

4.4.

Ook de stelling van [eiseres] dat U2 onherstelbare letselschade aan de flanken heeft opgelopen als gevolg van het zogenoemde doorsporen, ontbeert naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijke onderbouwing. Medische stukken op dat punt ontbreken en uit de niet toegelichte conclusies van [taxateur] in zijn taxatierapport kan niet worden opgemaakt dat deze betrekking hebben op onherstelbaar letsel aan de flanken. Ter zitting heeft [eiseres] dienaangaande enkel verklaard:

Na 7 weken was het nog zichtbaar en was U2 gevoelig op de buik. Een paard is gevoelig op de huid. Hij is verder niet bereden. Ik weet niet hoe hij zou reageren als hij weer aangespoord wordt. Ik weet niet of het letsel aan de flanken blijvend is. Als er zo’n verwonding is geweest, blijft het altijd een gevoelige plek voor het paard, omdat het zich die verwonding herinnert.

Mr. Wensing verklaart op dit punt ter comparitie:

Als de huid geneest, is het nog maar de vraag of het paard op die plek ongevoelig blijft. Door het eerdere letsel, kan als het ware het gaspedaal niet meer gebruikt worden. Dat heeft gevolgen voor de functionaliteit van het paard als rijpaard.

De stelling van [eiseres] dat U2 zich de verwonding zal blijven herinneren, wat een aanwijzing is voor het bestaan van blijvend letsel, vindt echter in geen enkel ingebracht (medisch) stuk bevestiging. De enkele door mr. Wensing genoemde mogelijkheid dat het paard op de plek van het doorsporen ongevoelig blijft, is speculatief en daarmee onvoldoende overtuigend om de vordering van [eiseres] te kunnen ondersteunen.

Ook het gestelde letsel aan de flanken kan de vordering van [eiseres] derhalve niet dragen.

4.5.

Nu [eiseres] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake is van onherstelbaar letsel bij U2, ontvalt de feitelijke grondslag van de voorliggende primaire schadevergoedingsvordering. Deze moet reeds daarom worden afgewezen.

De subsidiaire vordering tot betaling van een in goede justitie te bepalen som, is zonder een nadere toelichting - die [eiseres] niet heeft gegeven - te onbepaald en moet daarom worden afgewezen.

Dit brengt mee dat ook de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten niet kan worden toegewezen.

4.6.

Hetgeen partijen overigens ter ondersteuning van hun vordering dan wel verweer hebben aangevoerd, behoeft geen nadere bespreking.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.8.

De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] worden begroot op:

- griffierecht 1.519,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 5.519,00

4.9.

De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht 3.829,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 7.829,00

in reconventie:

4.10.

[gedaagde 1] verwijt [eiseres] - kort gezegd - dat zij naar de Telegraaf toe [gedaagde 1] een dierenbeul heeft genoemd en [gedaagde 1] ervan heeft beschuldigd ernstig letsel aan U2 toegebracht te hebben.

[eiseres] heeft als verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een opzettelijke onjuiste mededeling, dat het niet gaat om verdachtmakerij, dat [eiseres] zich niet onnodig grievend heeft uitgelaten en dat [eiseres] niet verantwoordelijk is voor de inhoud van door media geplaatste artikelen.

4.11.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [gedaagde 1] in het artikel van de Telegraaf niet wordt gekwalificeerd als dierenbeul. Het woord dierenbeul wordt in het artikel geheel niet gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank is het artikel in de Telegraaf niet meer dan een korte, zakelijke weergave van de zaak die in conventie speelt. Het artikel geeft het in conventie ingenomen standpunt van [eiseres] weer. De naam van [gedaagde 1] wordt in het artikel slechts twee keer genoemd en wel in de volgende zinnen:

Ook worden [gedaagde 4], deelneemster aan vier Olympische Spelen, en haar succesvolle dochter[gedaagde 3] gedagvaard, samen met hun gerenommeerde dressuurstal, [gedaagde 2], en U2’s berijdster [gedaagde 1].” en “Fotomodel [eiseres] eist een schadevergoeding van amazone [gedaagde 1] en van de familie [gedaagden].

Dit is feitelijke en juiste informatie. Het enkele feit dat [eiseres] haar standpunt en haar intentie om [gedaagde 1] in rechte te betrekken aan de Telegraaf kenbaar heeft gemaakt, maakt op zichzelf niet dat zij onrechtmatig jegens [gedaagde 1] heeft gehandeld.

De omstandigheid dat ten tijde van de publicatie van het artikel de dagvaarding nog niet was uitgebracht, maakt dit niet anders. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [gedaagde 1] de beweringen van [eiseres] betwist.

Andere omstandigheden ter onderbouwing van haar stelling dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, heeft [gedaagde 1] niet naar voren gebracht.

4.12.

Van onrechtmatig handelen is derhalve geen sprake. De vorderingen van [gedaagde 1] moeten dan worden afgewezen en [gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot in totaal op € 2.131,50 voor salaris advocaat (1,5 punten × factor 1,0 × tarief € 1.421,00).

5 De beslissing

De rechtbank,

in conventie:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten:

  • -

    aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op € 5.519,00;

  • -

    aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 7.829,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

5.4.

wijst de vorderingen af;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.131,50;

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2015.