Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:3195

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
14_2018
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder geen bevoegdheid om af te wijken van de planregels op basis van een daarin gegeven bevoegdheid. Het bestreden besluit is daarom gebaseerd op een onjuiste rechtsgrondslag, namelijk artikel 2.12, eerste lid onder a sub 1, van de Wabo.

Vergunning zou wel kunnen worden verleend op basis van artikel 2.12, eerste lid onder a sub 2, van de Wabo, in samenhang met artikel 4 derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het voorgeschreven aanvullend afwegingskader in artikel 5.4.2 van de planregels is in dit geval min of meer gelijk aan het toetsingskader ingevolge dat van artikel 2.12, eerste lid onder a sub 2, van de Wabo. In beide gevallen kan worden volstaan met de reguliere voorbereidingsprocedure. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank in dit geval niet in dat belanghebbenden zijn benadeeld. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2018

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.M. Ploegmakers).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder] (vergunninghouder), te [vestigingsplaats], gemachtigde: mr. drs. H.A. Pasveer.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een erfafscheiding op het perceel[straatnaam 1] te [woonplaats].

Bij besluit van 6 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2014. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met nummers SHE 14/1850 en SHE 14/2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2], bijgestaan door de gemachtigde.

Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen tot onderlinge overeenstemming te komen. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.

Alvorens de rechtbank uitspraak heeft gedaan heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. In het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen, namelijk voor het realiseren van een erfafscheiding tussen het perceel [straatnaam 1] en [straatnaam 2].

1.2

Vergunninghouder realiseert de erfafscheiding op eigen terrein. Op het perceel [straatnaam 2] wordt tegen deze erfafscheiding een garage met berging gebouwd door eiser. Tegen de hiervoor verleende omgevingsvergunning heeft vergunninghouder beroep ingesteld. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 14/1850. Bij uitspraak van heden is het beroep van vergunninghouder ongegrond verklaard.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder in afwijking van het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie besloten het primaire besluit in stand te laten, tevens omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onder a sub 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en geen proceskostenveroordeling toe te kennen.

3.1

Eiser stelt in de eerste plaats dat verweerder niet bevoegd is om met toepassing van artikel 5.4 van de planregels af te wijken van de bepalingen inzake het bouwen van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn omdat deze bevoegdheid niet wordt gegeven in het bestemmingsplan.

3.2

Verweerder heeft aangegeven dat hij van de voorgevelrooilijn van [straatnaam 2] is uitgegaan omdat deze woning dichter bij de weg is gelegen dan de beide woningen [straatnaam 1] en [straatnaam 3].

3.3

Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel waarop de erfafscheiding wordt gerealiseerd ten tijde van het bestreden besluit de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" met daarbij voor een gedeelte van het perceel de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hondenpension".

3.4

In artikel 5.2 onder b van de planregels zijn buiten het bouwvlak bouwwerken geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale hoogte van 2 meter.

Ingevolge artikel 5.2.4 onder d van de planregels zijn erfafscheidingen hoger dan één meter vóór de voorgevelrooilijn niet toegestaan. Het begrip voorgevelrooilijn is in artikel 1.96 van het bestemmingsplan gedefinieerd als de virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van een woning of hoofdgebouw en het bouwvlak waarop de woning of het hoofdgebouw zich bevindt.

Ingevolge artikel 5.4.1, aanhef en onder d, van de planregels kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2 van de planregels.

3.5

Ingevolge artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een besluit waartegen beroep is ingesteld ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden niet zijn benadeeld.

3.6

Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 5.4.1, aanhef en onder d van het bestemmingsplan verweerder geen bevoegdheid om af te wijken van artikel 5.2.4 onder d, van de planregels maar uitsluitend van artikel 5.2 van de planregels. Het bestreden besluit is daarom gebaseerd op een onjuiste rechtsgrondslag, namelijk artikel 2.12, eerste lid onder a sub 1, van de Wabo.
Vergunning zou wel kunnen worden verleend op basis van artikel 2.12, eerste lid onder a sub 2, van de Wabo, in samenhang met artikel 4 derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het voorgeschreven aanvullend afwegingskader in artikel 5.4.2 is in dit geval min of meer gelijk aan het toetsingskader ingevolge dat van artikel 2.12, eerste lid onder a sub 2, van de Wabo. In beide gevallen kan worden volstaan met de reguliere voorbereidingsprocedure. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank in dit geval niet in dat belanghebbenden zijn benadeeld. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

4.1

Volgens eiser mag een erfafscheiding vóór de voorgevelrooilijn niet hoger zijn dan 1 meter omdat anders sprake is van een onevenredige aantasting van de open structuur van de omgeving in strijd met de adviezen van de bezwaarschriftencommissie en de welstandscommissie.

4.2

Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat van de voorgevelrooilijn van [straatnaam 2] is uitgegaan omdat deze woning dichter bij de weg is gelegen dan de beide woningen [straatnaam 1] en [straatnaam 3] en het bouwen van vergunde erfafscheiding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de erfafscheiding rekening gehouden met de voorgevelrooilijn van [straatnaam 2] en is van mening dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de open structuur.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12 van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van verweerder. Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid dient verweerder de bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Een dergelijke afweging leent zich alleen voor een terughoudende (marginale) toetsing door de bestuursrechter, waarbij de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de erfafscheiding op dit deel van het perceel een goede motivering heeft gegeven en terecht de lokale situatie en de voorgevelrooilijn van [straatnaam 2] in ogenschouw heeft genomen. Op grond van artikel 1.96 van de planregels is een voorgevelrooilijn de virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van een woning of hoofdgebouw en het bouwvlak waarop de woning of het hoofdgebouw zich bevindt. Verweerder moet worden toegegeven dat bij het toepassen van deze bepaling de voorgevelrooilijn op het perceel [straatnaam 2] anders is gelegen dan op het perceel [straatnaam 1] en [straatnaam 3]. Dit kan tot verschillende uitkomsten van de beoordeling van dit geschil leiden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder juist heeft gehandeld door op deze wijze de voorgevelrooilijn te bepalen.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder maar slechts voor een deel is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie en dat de welstandcommissie in haar advies niet de mening heeft neergelegd dat het bouwplan in zijn geheel niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie heeft slechts geadviseerd de erfafscheiding vóór de voorgevelrooilijn voor een deel te verlagen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hij van beide adviezen is afgeweken. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat eiser een omgevingsvergunning heeft ontvangen voor het realiseren van een bijgebouw dat is gepland direct tegen een deel van de vergunde erfafscheiding, gelegen vlak voor de woning [straatnaam 3] en ook op het voorste, nabij de weg gelegen deel van het perceel en direct naast de woning [straatnaam 2]. Hoewel de percelen zijn gelegen in het buitengebied ontstaat mede door de realisering van deze bouwplannen een cluster van bouwwerken. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het in afwijking van het bestemmingsplan verlenen van een omgevingsvergunning voor de erfafscheiding onredelijk is en in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het vergunde bijgebouw van eiser is zelf immers ook uitzicht beperkend. Dit heeft overigens wel tot gevolg dat, indien de omgevingsvergunning voor een van de bouwwerken voor vernietiging in aanmerking komt, dit ook tot gevolg kan hebben dat de andere omgevingsvergunning voor vernietiging in aanmerking komen. Zowel eiser als de derde-partij dienen dit te beseffen. Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Eiser heeft opgemerkt dat verweerder ten onrechte niet in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie de proceskosten in de bezwaarfase niet heeft vergoed.

5.2

Verweerder heeft hiervoor geen motivering gegeven.

5.3

Weliswaar wordt in het bestreden besluit het primaire besluit in stand gehouden onder aanvulling, maar verweerder miskent dat hij feitelijk het primaire besluit herroept door tevens toestemming te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Overigens biedt deze toestemming een grondslag voor het indienen van een verzoek om tegemoetkoming in planschade (in tegenstelling tot de enkele toestemming voor het bouwen van de erfafscheiding waarmee verweerder meende te volstaan in het primaire besluit). Daarmee komen de door de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten, ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor vergoeding in aanmerking. Deze beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover hierbij geen vergoeding van de door eiser gemaakte kosten voor rechtsbijstand is toegekend. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen en verweerder veroordelen tot vergoeding van deze kosten alsmede van de kosten in de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 490,- en een wegingsfactor 1. De rechtbank zal voorts verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit voor zover hierbij geen vergoeding van kosten aan eiser is toegekend;

 bepaalt dat eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase in overeenstemming met artikel 7:15 van de Awb;

 veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 1.960,00 aan eiser;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. van der Meiden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.