Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:279

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2015
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
C/01/286764 / KG ZA 14-748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding

Wetsverwijzingen
Aanbestedingswet 2012
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2015/21
JAAN 2015/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/286764 / KG ZA 14-748

Vonnis in kort geding van 16 januari 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. L. Knoups te ’s-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VUGHT,

zetelend te Vught,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident

op grond van artikel 171, lid 2 Gemeentewet vertegenwoordigd door mr. R.P. Randewijk,

in welke zaak heeft verzocht te mogen interveniëren

de besloten vennootschap [eiseres 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in het incident,

advocaat mr. L.W.J.P.F. Einig te Roermond.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk als de Combinatie en ieder afzonderlijk als [eiseres 1] en [eiseres 2] worden aangeduid. Gedaagde zal hierna als de gemeente worden aangeduid. De tussenkomende partij zal als [eiseres 3] worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 november 2014,

  • -

    de brief van mr. Knoups van 9 december 2014, met 7 producties,

  • -

    de brief van mr. Einig van 30 december 2014, met 4 producties,

  • -

    de brief van mr. Knoups van 5 januari 2015, met 2 aanvullende producties en een eiswijziging,

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, ingekomen ter griffie op 29 december 2014,

  • -

    de mondelinge behandeling op 6 januari 2015,

  • -

    de pleitnota van de Combinatie,

  • -

    de pleitnota van de gemeente,

  • -

    de pleitnota van [eiseres 3].

1.2.

De Combinatie en de gemeente hebben ter zitting desgevraagd aangeven geen bezwaar te hebben tegen tussenkomst in dit kort geding door [eiseres 3]. Nu [eiseres 3] als inschrijver aan wie de gemeente voornemens is te gunnen een voldoende eigen belang heeft om aan het onderhavige geschil deel te nemen, zal zij worden toegelaten als tussenkomende partij.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 17 september 2014 heeft de gemeente de aanbesteding aangekondigd van de opdracht “Groenonderhoud gemeente Vught” (in het bestek genaamd Mechanisch onderhoud 2015 t/m 2017, besteknr. VUG2914001). Het betreft een nationaal openbare aanbesteding.

2.2.

Op deze aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 (AW 2012) van toepassing. Daarnaast is het Aanbestedingsreglement voor Werken 2012 door de gemeente van toepassing verklaard.

2.3.

Gunning van de opdracht geschiedt op basis van de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI).

2.4.

In het bestek is in paragraaf 0.04 lid 4 sub b de volgende ervaringseis gesteld:

De inschrijver heeft in de afgelopen 3 jaren aantoonbare ervaring gehad met het in hoofdaanneming uitvoeren en opleveren van een opdracht op het gebied van:

1) Onderhoud bomen op basis van frequentiebestek met minimaal 700 stuks onderhouds- en/of begeleidingssnoei per kalanderjaar;

2) Onderhoud gazons en/of recreatieve grasvelden op basis van beeldbestek met minimaal 1500 are maaien per kalenderjaar;

3) Onderhoud kruidachtige vegetaties, bermen en taluds op basis van frequentiebestek met minimaal 2000 are maaien per kalenderjaar;

4) Onderhoud verhardingen op basis van beeldbestek met minimaal 1750 are onkruidbeheersing.”.

Per competentie dient per referentie één formulier te worden ingediend. Een referentie mag betrekking hebben op meer dan één competentie.

Het bovenstaande wordt aangetoond door het overleggen van een eigen verklaring conform het model dat als bijlage is toegevoegd. De winnende inschrijver dient ten bewijze van goede uitvoering een tevredenheidsverklaring van de opdrachtgever te overleggen. De aanbesteder behoudt zich het recht toe om zonder tussenkomst van de inschrijver contact op ten nemen met de opdrachtgever van de ingediende referentie.(…).

2.5.

Op het bestek zijn de op uitvoering de Uniforme Administratieve Voorwaarden 1989 (UAV 1989) van toepassing. In paragraaf 12 van die UAV is, kort gezegd, bepaald dat de aannemer vanaf het moment van oplevering de verantwoordelijkheid voor het werk van de aannemer volledig over gaat op de opdrachtgever.

2.6.

De Combinatie en [eiseres 3] hebben op 15 oktober 2014 tijdig ingeschreven op de aanbesteding.

2.7.

Bij brief van 15 oktober 2014 hebben de heren [naam 1] (directeur) en [naam 2] (regiomanager Brabant Zeeland) namens [eiseres 3] aan de gemeente laten weten dat [eiseres 3] kan beschikken over de voor uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen en technische bekwaamheid en kennis van ‘[naam 3]’ en ‘Monsdal Arnhem’.

2.8.

Bij brief van 5 november 2014 heeft de gemeente aan de Combinatie bericht dat zij als tweede is geëindigd en dat de gemeente voornemens is om de opdracht te gunnen aan [eiseres 3]. Enig bestuurder van [eiseres 3] is de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]). [naam 1] is tevens enig bestuurder van de dochtervennootschappen van [eiseres 3], [eiseres 3] Landscaping Brabant en Monsdal Arnhem B.V.. [eiseres 3] is enig aandeelhouder van [eiseres 3] Landscaping Brabant en 65% aandeelhouder van Monsdal Arnhem.

2.9.

Bij brief van 20 november 2014 heeft de combinatie bezwaar aangetekend tegen dit besluit. In deze brief heeft zij, samengevat, aangegeven dat [eiseres 3] niet voldoet aan de gestelde ervaringseisen, zodat de inschrijving van [eiseres 3] daardoor op grond van artikel 2.26.1 ARW 2012 door de gemeente terzijde gelegd had moeten worden.

2.10.

Bij brief van 21 november 2014 heeft de gemeente aan de Combinatie onder meer laten weten haar in de brief van 5 november 2014 weergegeven standpunt te handhaven. Voorts is in die brief, voor zover thans van belang bepaald als volgt:

(…)Uit de inschrijving van [eiseres 3] Landscaping Group maakt de gemeente op dat zij (in beginsel) geen onderaannemers zullen inzetten (…)

Uw verzoekt verdere informatie van de inschrijver te overleggen. Hierbij laat ik u weten dat alle informatie ingediend door de inschrijvers vertrouwelijk wordt behandeld op basis van artikel 2.57 van de Aanbestedingswet 2012(…)”..

2.11.

De gemeente heeft op verzoek van de Combinatie tot op heden geweigerd inzage te verschaffen in de referentieprojecten van [eiseres 3] op grond van de door haar in acht te nemen geheimhoudingsplicht.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

De Combinatie vordert, na wijziging en vermindering van haar eis:

Primair:

I. de gemeente te verbieden de aanbestedingsprocedure van de opdracht “Groenonderhoud gemeente Vught” te gunnen aan [eiseres 3] en de gemeente te gebieden – indien zij tot gunning wenst over te gaan – de opdracht aan geen andere inschrijver dan de Combinatie te gunnen.

Subsidiair:

II. de gemeente te gebieden de aanbestedingsprocedure van de opdracht “Groenonderhoud gemeente Vught” te staken en gestaakt te houden en de gemeente te gebieden – indien zij tot gunning wenst over te gaan – de opdracht opnieuw aan te besteden,

Primair en subsidiair:

III. te bepalen dat de gemeente een dwangsom verbeurt van € 100.000,-- bij schending van de hiervoor onder I of II genoemde ver-of geboden,

IV. de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van rechtsbijstand van de Combinatie daaronder begrepen, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en voor het geval voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf bedoelde termijn voor voldoening alsmede te vermeerderen met de alsdan te maken nakosten om alsnog betaling van hetgeen is toegewezen te verkrijgen.

3.2.

De Combinatie legt aan haar vordering, kort weergegeven, het navolgende ten grondslag.

[eiseres 3] voldoet niet aan de door de gemeente gestelde eisen omdat:

a. [eiseres 3] met haar referentiewerk “Wijkonderhoud 2012-2014 te Arnhem” niet aan de in het bestek gestelde eis voldoet dat de referentiewerken uitgevoerd en opgeleverd dienen te zijn; van belang is dat de gemeente in het bestek heeft voorgeschreven dat enkel referentiewerken kunnen worden ingediend die in de afgelopen drie jaar zijn uitgevoerd en opgeleverd. Dit komt er feitelijk op neer dat de werken afgerond/voltooid dienen te zijn.

Uit het voorgaande volgt dat de inschrijving van [eiseres 3] op grond van het ARW 2012 en het gelijkheidsbeginsel door de gemeente terzijde dient te worden gelegd,

b. de Combinatie niet zelfstandig kan voldoen aan de in paragraaf 0.04 lid 4 van het bestek genoemde kerncompetenties sub 1 en sub 2, zodat zij een beroep moet doen op de ervaring van derden. Dit is krachtens de AW 2012 en het ARW 2012 toegestaan, maar dan dient de inschrijver wel aan te tonen dat hij daadwerkelijk kan beschikken over de middelen van deze derde. Hier heeft de Combinatie niet aan voldaan.

3.3.

Het verweer van de gemeente, komt, kort weergegeven, op het navolgende neer:

1. [eiseres 3] heeft naar de mening van de gemeente voldoende aangetoond dat zij voldoet aan alle in het bestek gestelde eisen, zodat de gemeente de opdracht aan [eiseres 3] moet gunnen,

2. de gemeente heeft haar gunningsbeslissing toereikend gemotiveerd; de motiveringsplicht bij een gunning gaat niet zo ver dat een aanbestedende dienst aan iedere inschrijver moet uitleggen op welke wijze de winnende inschrijver heeft aangetoond dat hij aan de ervaringseisen voldoet. Bovendien is de gemeente als aanbestedende dienst op grond van artikel 2:57 van Aanbestedingswet 2012 verplicht tot geheimhouding,

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In de tussenkomst

3.5.

[eiseres 3] vordert de Combinatie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze vorderingen af te wijzen en voorts:

Primair:

de gemeente te gebieden de onderhavige opdracht definitief te gunnen aan [eiseres 3] voor zover zij de aanbestede opdracht nog altijd wenst te gunnen,

Subsidiair:

a. te bepalen dat aan het te wijzen vonnis een wachttermijn van 14 dagen, althans een in goede justitie te bepalen wachttermijn, is verbonden,

b. de gemeente te verbieden om de onderhavige opdracht definitief te gunnen zolang die wachttermijn niet is verstreken en – ingeval van een binnen die wachttermijn door [eiseres 3] ingesteld spoedappèl – nog geen eindarrest is gewezen door het gerechtshof,

c. te bepalen dat de gemeente bij overtreding van het onder b. genoemde gebod na betekening van het te wijzen vonnis een eenmalige dwangsom verbeurt van € 1.000.000,--.

Meer subsidiair:

aan de gemeente een in goede justitie te bepalen maatregel op te leggen,

Primair, subsidiair en meer subsidiair

de Combinatie in de kosten van deze procedure te veroordelen, daaronder begrepen (een tegemoetkoming in) de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [eiseres 3].

3.6.

[eiseres 3] legt aan haar vordering, kort weergegeven, het navolgende ten grondslag.

De stellingen van de Combinatie zijn onjuist en alleen gebaseerd op ongefundeerde en onjuiste vermoedens. [eiseres 3] beschikt wel degelijk over de vereiste ervaring voor de opdracht en heeft dit in het kader van de aanbesteding ook genoegzaam aangetoond, zodat de gemeente de inschrijving van [eiseres 3] terecht geldig heeft bevonden.

3.7.

Voor het standpunt van de Combinatie wordt verwezen naar stellingen in de hoofdzaak. De gemeente heeft in de tussenkomst geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiseres 3].

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

4.1.

In dit kort geding ligt de vraag ter beantwoording voor of [eiseres 3] daadwerkelijk voldoet aan alle in paragraaf 0.04 lid 4 sub b van het bestek genoemde geschiktheidseisen, zodat de gemeente terecht het voornemen heeft kenbaar gemaakt de opdracht te gunnen aan [eiseres 3]. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daartoe is het navolgende redengevend.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het de taak en de verantwoordelijkheid is van de aanbestedende dienst om te toetsen en te beoordelen of de inschrijvers aan de gestelde eisen voldoen. Het is niet de bedoeling dat de voorzieningenrechter op de stoel van de aanbestedende dienst gaat zitten. Aan de voorzieningenrechter komt slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe (marginale toetsing).

4.3.

De Combinatie heeft aan haar vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat [eiseres 3] niet heeft voldaan aan de (ervarings)eisen zoals genoemd onder 3 en 4 van paragraaf 0.04 lid 4 sub b van het bestek, zodat de gemeente de inschrijving van [eiseres 3] terzijde had moeten leggen. Tussen partijen is niet in geschil is dat [eiseres 3] in het kader van deze (ervarings)eisen het project Wijkonderhoud 2012-2014 te Arnhem heeft opgevoerd als referentieproject.

4.4.

De Combinatie is echter van mening dat [eiseres 3] niet aan voormelde eisen heeft voldaan, omdat bovengenoemd referentieproject (hierna ook het project Arnhem) ten tijde van de inschrijving van [eiseres 3] op 15 oktober 2014 nog niet was opgeleverd en het bestek die eis naar haar mening wel stelt. Deze eis komt er naar de stelling van de Combinatie feitelijk op neer dat de werken afgerond/voltooid dienen te zijn, hetgeen, zo stelt zij, in het onderhavige geval niet aan de orde is, nu het een meerjarig onderhoudsbestek betreft dat volgens het bestek eerst op 31 december 2014 is afgerond en daarmee eerst op die datum als opgeleverd kan worden beschouwd.

4.5.

Met de gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat oplevering van werk (dienst) in het onderhavige geval niet moet worden uitgelegd in strikte zin. Zo heeft de gemeente daartegen terecht opgeworpen dat bij het referentieproject Arnhem jaarlijks de hoeveelheden worden bepaald, zoals ook kan worden afgeleid uit het bestek van dat referentieproject (vgl. productie 9 bij dagvaarding). Voorts heeft de gemeente in dat kader terecht gewezen op de door [eiseres 3] als productie 3 overgelegde brieven van de gemeente Arnhem aan [eiseres 3] van 24 februari 2012 en 26 mei 2014 waarin respectievelijk valt te lezen dat het de gewoonte is van de gemeente Arnhem om een jaarlijkse aannemersbeoordeling over het door [eiseres 3] verrichte werk op te stellen en waarin de gemeente Arnhem heeft verklaard dat [eiseres 3] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 het werk naar behoren en op een vakkundige en regelmatige wijze heeft uitgevoerd. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit genoegzaam dat de gemeente het opgenomen werk heeft goedgekeurd. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van opleveren van een opdracht in de zin van onderhavige bestek. De slotsom luidt dan ook dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat het door [eiseres 3] opgevoerde referentieproject door de gemeente niet als zodanig kon worden aanvaard, waardoor niet geconcludeerd kan worden dat [eiseres 3] niet aan de onder 3 en 4 in paragraaf 0.04 lid 4 sub b sub van het bestek genoemde (ervarings/geschiktheids)eisen voldoet.

4.6.

Voorts heeft de Combinatie betoogd dat [eiseres 3] niet voldoet aan de (ervarings)eisen sub 1 en sub 2, zoals genoemd in paragraaf 0.04 lid 4 sub b van het bestek. De Combinatie stelt zich daartoe op het standpunt dat [eiseres 3] niet zelf kan voldoen aan die gestelde eisen en dat zij niet heeft aangetoond dat zij kan beschikken over de middelen van een derde.

4.7.

Uit de door de Combinatie als productie 6 overgelegde brief van de gemeente van 21 november 2014 blijkt dat de gemeente uit de inschrijving van [eiseres 3] heeft opgemaakt dat zij (in beginsel) geen onderaannemers zal inzetten, hetgeen door [eiseres 3] ook als zodanig is bevestigd. Daarmee is voldoende aannemelijk dat [eiseres 3] niet zelfstandig kan voldoen aan de sub 1 en sub 2 genoemde (ervarings)eisen en dat zij een beroep moet doen op de ervaring van derden. Dit is krachtens de AW 2012 en het ARW 2012 overigens ook toegestaan, maar dan dient [eiseres 3], zoals de Combinatie ook te berde heeft gebracht, aan te tonen dat zij daadwerkelijk kan beschikken over de middelen van deze derden.

4.8.

De voorzieningenrechter is met de gemeente van oordeel dat hieraan is voldaan. In dat kader is van belang dat voldoende aannemelijk is dat [eiseres 3] voor de (ervarings)eis onder 1 een beroep heeft gedaan op de ervaring van [eiseres 3]/[naam 3], die in de gemeente Vught een opdracht heeft uitgevoerd die voldoet aan de ervaringseisen die onder 1 worden gesteld en voor de (ervarings)eis onder 2 op de ervaring van Monsdal Arnhem, die in de gemeente Westervoort een opdracht heeft uitgevoerd die voldoet aan de ervaringseisen die in het bestek onder 2 worden gesteld.

4.9.

Anders dan de Combinatie stelt ligt de beslissing om middelen in te zetten ten behoeve van [eiseres 3] geheel bij haar directeur [naam 1], nu [eiseres 3] Landscaping Brabant en Monsdal Arnhem de dochtervennootschappen zijn van [eiseres 3] en [naam 1] enig bestuurder en [eiseres 3] 100 % aandeelhouder is van [eiseres 3] en [naam 1] enig bestuurder en [eiseres 3] 65% aandeelhouder van Monsdal Arnhem is. De beslissing om middelen van [eiseres 3] en Monsdal Arnhem in te zetten ten behoeve van [eiseres 3] ligt derhalve (merendeels) bij [naam 1]. Bovendien heeft de gemeente van [eiseres 3] een ondertekende verklaring ‘beschikbaarheid technische bekwaamheid’ ontvangen, waaruit blijkt dat [eiseres 3] daadwerkelijk kan beschikken over de middelen van [eiseres 3] en Monsdal Arnhem. Weliswaar blijkt uit deze verklaring niet duidelijk op welk project deze verklaring ziet, hetgeen op zichzelf geen schoonheidsprijs verdient, maar nu niet gesteld, noch aannemelijk is geworden dat er bij de gemeente nog andere projecten lopen dan het onderhavige en [naam 1] tevens de bestuurder is van Monsdal Arnhem, wordt deze verklaring voldoende geacht om de stelling van de gemeente vooralsnog aan te nemen. [eiseres 3] heeft voorts aan de gemeente verklaard dat zij beide dochtervennootschappen ook gaat inzetten bij de uitvoering van het contract. Dat het inzetten van middelen in de vorm van onderaanneming dient te geschieden is niet aannemelijk geworden. Hieruit volgt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het er voorshands voor moet worden gehouden dat [eiseres 3] wel degelijk heeft voldaan aan de (ervarings)eisen sub 1 en sub 2.

4.10.

Dat de door de gemeente geformuleerde eisen niet eenduidig en transparant zouden zijn is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van de thans voorliggende stukken en het verhandelde ter zitting evenmin voldoende aannemelijk geworden.

4.11.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het er vooralsnog voor moet worden gehouden dat de gemeente terecht voornemens is de opdracht (definitief) aan [eiseres 3] te gunnen.

4.12.

Nu de gemeente heeft aangegeven bij haar voornemen tot gunning aan [eiseres 3] te blijven, bestaat voorshands geen grond tot het opleggen van een verbod om de opdracht aan [eiseres 3] te gunnen, dan wel van een gebod om de opdracht aan een ander dan de Combinatie te gunnen, zoals door de Combinatie is gevorderd. Voor de subsidiaire vordering tot heraanbesteding bestaat op grond van het vorenoverwogene evenmin grond, zodat deze vordering eveneens zal worden afgewezen.

4.13.

De Combinatie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- vast recht € 608,00

Totaal € 608,00

De kosten aan de zijde van [eiseres 3] worden begroot op:

- vast recht € 608,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.424,00

In de tussenkomst

4.14.

Nu de vorderingen van de Combinatie in de hoofdzaak worden afgewezen zal [eiseres 3] in haar primaire vordering in de tussenkomst, voor zover die is ingesteld tegen de Combinatie, in het gelijk worden gesteld, met dien verstande dat deze vordering zal worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.

4.15.

Aangezien de gemeente in de tussenkomst geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiseres 3], zullen de vorderingen van [eiseres 3] in de tussenkomst – mede gelet op het feit dat de beslissing in de hoofdzaak hieraan niet in de weg zal staan – worden toegewezen zoals hierna vermeld en zullen de proceskosten tussen de gemeente en [eiseres 3] worden gecompenseerd als na te melden.

4.16.

De Combinatie zal als de jegens [eiseres 3] in het ongelijk gestelde partij in de tussenkomst in de proceskosten van [eiseres 3] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 500,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In de hoofdzaak

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de Combinatie in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 608,00, en aan de zijde van [eiseres 3] tot op heden begroot op

€ 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

In de tussenkomst

5.4.

gebiedt de gemeente de onderhavige opdracht definitief te gunnen aan [eiseres 3] voor zover zij de aanbestede opdracht nog altijd wenst te gunnen,

5.5.

veroordeelt de Combinatie in de proceskosten van [eiseres 3], tot op heden begroot op € 500,00,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

compenseert de proceskosten tussen [eiseres 3] en de gemeente, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2015.