Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:2721

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
07-05-2015
Zaaknummer
01/840361-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een orthopedisch chirurg, heeft bij het uitvoeren van een hernia-operatie met grove verwaarlozing van de door hem als arts te betrachten zorgvuldigheid gehandeld, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de eerdere bestraffing voor deze handeling door het Medisch Tuchtcollege en het [zeer] lange tijdsverloop tot de afdoening van deze zaak, veroordeelt de rechtbank verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/162
GZR-Updates.nl 2015-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/840361-12

Datum uitspraak: 07 mei 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats]op[geboortedatum],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 maart 2013, 24 mei 2013, 17 januari 2014, 21 februari 2014, 23 januari 2015, 1 april 2015 en 23 april 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 februari 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 januari 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 december 2009 te Oss, althans in Nederland,

in de uitoefening van zijn, verdachtes, beroep als orthopedisch chirurg,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of onoplettend en/of met grove, althans aanmerkelijke verwaarlozing van de door hem in deze als arts te betrachten zorgvuldigheid of zorg heeft gehandeld, door (in strijd met zijn professionele standaard en/of met toepasselijke richtlijnen en/of met protocollen)

een (hernia)operatie uit te voeren, althans een discus in de rug uit te ruimen bij zijn patiënte [slachtoffer],

- terwijl hij, verdachte, tijdens de operatie onvoldoende zicht had in het operatiegebied; en/of - zonder dat hij, verdachte (afdoende/adequate) maatregelen had genomen teneinde voldoende zicht van hem, verdachte, als operateur, in het operatiegebied en/of de wond te bewerkstelligen; en/of

- zonder collegiale hulp in te roepen,

- en die operatie niet heeft gestaakt, althans (zonder collegiale hulp) heeft voortgezet,

ten gevolge waarvan, althans waarbij verdachte de cauda equina van [slachtoffer] voornoemd heeft beschadigd door

- met een rongeur en/of frees(je), althans een (ander) operatie-instrument, (blind) (onnodig) (en onverhoeds) (zenuw)weefsel te verwijderen uit de rug en/of discusruimte of daaromtrent van die [slachtoffer],

terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat onder de gegeven omstandigheden (te weten het hebben van onvoldoende zicht van hem verdachte, als operateur in het operatiegebied en/of de wond) het voortzetten van de operatie zou (kunnen) leiden tot (vermijdbaar) (blijvend) letsel dan wel benadeling van de gezondheid bij/van althans (te) grote (gezondheids)risico's voor die patiënte, [slachtoffer] voornoemd,

waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten een zogenaamd (partieel) cauda equina syndroom (zijnde blijvende ernstige pijnklachten en/of gevoelloosheid in een deel van de benen, voeten, billen, anus en/of vagina en/of verlamming van de blaas), althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan;

(artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsoverweging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat was vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake was van een HNP L5/S1 (hernia). Verdachte heeft een behandelplan opgesteld en het slachtoffer heeft ingestemd met een operatie. Tijdens de (hernia)operatie, welke plaatsvond op 2 december 2009 in het ziekenhuis Bernhoven te Oss, heeft verdachte met een rongeur zenuwweefsel vastgepakt en uit het lichaam van het slachtoffer verwijderd.

Verklaringen getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

De verdediging heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de assisterenden [getuige 1] en [getuige 2] over de gang van zaken tijdens de operatie tegenstrijdig, niet consistent en deels onjuist hebben verklaard en dat hun verklaringen om die reden niet kunnen worden meegenomen als bewijsmiddel.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het dossier volgt dat getuige [getuige 1] reeds eenendertig jaar lang werkzaam was als operatieverpleegkundige en dat getuige [getuige 2] reeds vijftien jaar werkzaam was als operatiekamer-assistent. Zij beschikten ten tijde van de operatie beiden over zeer ruime ervaring in het terzijde staan van een chirurg bij een operatieve hernia-ingreep.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] in essentie onderling overeenkomen en dat deze elkaar bevestigen voor wat betreft het onvoldoende zicht hebben van verdachte tijdens de operatie en het uitschreeuwen van pijn door het slachtoffer bij het verwijderen van het zenuwweefsel. Verder hebben beiden verklaard dat verdachte geen gevolg heeft gegeven aan hun voorstel om een second opinion in te roepen van een collega-chirurg dan wel te stoppen met de operatie.

Op grond van voornoemde omstandigheden acht de rechtbank de door getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] afgelegde verklaringen betrouwbaar. De rechtbank zal de verklaringen van voornoemde getuigen gebruiken voor het bewijs.

Schuld

De centrale vraag in deze strafzaak is of uit het handelen van verdachte “schuld” in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht kan worden afgeleid. Onder deze schuld wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan, die zwaarder is dan die voor civielrechtelijke of tuchtrechtelijke aansprakelijkheid. De beoordeling wordt uitgevoerd naar aanleiding van het verwoorde verwijt in de tenlastelegging en dient te worden beoordeeld aan het geheel van de gedragingen van verdachte en de eventuele tekortkomingen daarbij. In deze strafzaak zal daarbij moeten worden beoordeeld of en in hoeverre verdachte is tekortgeschoten in zijn taak als chirurg bij de uitvoering van een hernia-operatie.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de volgende verwijten kunnen worden gemaakt:

  1. dat verdachte heeft geopereerd terwijl hij onvoldoende zicht had in het operatiegebied;

  2. dat verdachte geen (afdoende) maatregelen heeft genomen teneinde te bewerkstelligen dat hij, gelet op de fase waarin de operatie zich bevond, steeds voldoende zicht heeft gehad in het operatiegebied;

  3. dat verdachte geen collegiale hulp heeft ingeroepen;

  4. dat verdachte de operatie niet heeft gestaakt, althans deze operatie zonder collegiale hulp heeft voortgezet.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met name op het punt van het voldoende zicht hebben c.q. steeds zorgdragen voor (voldoende) zicht in het operatiegebied nalatig is geweest en door aldus te handelen in wezenlijke mate niet heeft voldaan aan de professionele standaard. De omstandigheid dat verdachte verwijtbaar tekort is geschoten in de wijze van uitvoering van de medische ingreep speelt in deze afweging een belangrijke rol. De rechtbank weegt mee dat het letsel dat bij het slachtoffer is ontstaan, is veroorzaakt door het fysiek vastpakken en verwijderen van zenuwweefsel. Het is duidelijk dat de kans op het intreden van deze ingrijpende complicatie in sterk negatieve zin moet zijn beïnvloed door de keuze van verdachte om onder slechte (zicht)condities te (blijven) opereren. Daar komt bij dat verdachte zelf geen enkele aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor het gegeven dat hij zenuwweefsel bij het slachtoffer heeft vastgepakt met een rongeur en dit aansluitend heeft verwijderd. Dat onvoldoende zicht er voor heeft gezorgd dat verdachte per abuis het zenuwweefsel heeft vastgepakt en verwijderd, vormt in elk geval een logische verklaring voor het ingetreden letsel en vervolgletsel.

Verdachte was als orthopedisch chirurg bekend met de (mogelijke) aanwezigheid van zenuwweefsel op en nabij de plaats van de operatie en was eveneens bekend met de grote en blijvende gevolgen van een beschadiging van dergelijk weefsel. De rechtbank betrekt voorts bij haar oordeel dat uit de bevraging van de deskundigen ter terechtzitting d.d. 1 april 2015 naar voren is gekomen dat uit hetgeen wel goed is gegaan eerder tijdens de operatie op 2 december 2009, niet volgt dat er voldoende zicht was ten tijde van het vastpakken van het zenuwweefsel.

Ten aanzien van de onder 3. en 4. genoemde verwijten overweegt de rechtbank dat verdachte heeft aangegeven dat voornoemde operatie al eerder moeizaam verliep, maar dat hij desondanks geen reden zag om gevolg te geven aan de voorstellen welke hem tijdens de operatie zijn gedaan door de assistenten. Ook hier merkt de rechtbank op dat, al dan niet tijdelijk, het tijdig voldoen aan die twee suggesties van de assisterende verpleegkundigen de kans op het intreden van ernstige complicaties mogelijk had kunnen beperken.

Dit alles moet dan ook tot de conclusie leiden dat de gemaakte fouten zodanig zwaarwegend zijn dat verdachte (grove) schuld heeft in de zin van artikel 308/309 van het Wetboek van Strafrecht.

Medische exceptie

De verdediging stelt dat verdachte zich kan beroepen op de medische exceptie, omdat hij in zijn hoedanigheid van arts, in het belang van het slachtoffer, volgens de regelen der kunst en met toestemming van het slachtoffer een medische ingreep heeft verricht. Verdachte heeft niet wederrechtelijk gehandeld en dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak kan een arts, indien hij wordt vervolgd wegens het toebrengen van pijn of zwaar lichamelijk letsel, zich beroepen op de medische exceptie, indien hij in zijn hoedanigheid van arts in het belang van zijn patiënt een medische ingreep heeft verricht. Indien een arts een beroep op de medische exceptie toekomt, heeft hij niet wederrechtelijk en dus niet strafbaar gehandeld. Aan de medische exceptie worden de volgende eisen gesteld:

  1. de handeling is medisch geïndiceerd met het oog op een concreet behandelingsdoel;

  2. de handeling wordt volgens de regelen der kunst verricht;

  3. de handeling wordt met toestemming van de betrokkene uitgevoerd.

Dat voldaan is aan het eerste en derde vereiste staat niet ter discussie. Aan het tweede vereiste voor een beroep op de medische exceptie, inhoudende dat de handeling wordt verricht volgens de regelen der kunst, is echter niet voldaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen zij onder het kopje “Schuld” heeft overwogen. Verdachte komt derhalve geen beroep op de medische exceptie toe.

Conclusie

De rechtbank is gelet op de bewijsmiddelen en al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 2 december 2009 te Oss, in de uitoefening van zijn, verdachtes, beroep als orthopedisch chirurg, met grove verwaarlozing van de door hem in deze als arts te betrachten zorgvuldigheid of zorg heeft gehandeld, door een herniaoperatie uit te voeren bij zijn patiënte [slachtoffer],

- terwijl hij, verdachte, tijdens de operatie onvoldoende zicht had in het operatiegebied;

en

- zonder dat hij, verdachte (afdoende/adequate) maatregelen had genomen, teneinde voldoende zicht van hem, verdachte, als operateur, in het operatiegebied en/of de wond te bewerkstelligen, en

- zonder collegiale hulp in te roepen,

- en die operatie niet heeft gestaakt, althans (zonder collegiale hulp) heeft voortgezet,

ten gevolge waarvan verdachte de cauda equina van [slachtoffer] voornoemd heeft beschadigd door

- met een rongeur onnodig en onverhoeds zenuwweefsel te verwijderen uit de rug van die

[slachtoffer],

terwijl hij wist dat onder de gegeven omstandigheden (te weten het hebben van onvoldoende zicht van hem verdachte, als operateur in het operatiegebied en/of de wond het voortzetten van de operatie zou (kunnen) leiden tot (vermijdbaar) (blijvend) letsel dan wel benadeling van de gezondheid bij/van die patiënte, [slachtoffer] voornoemd,

waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten een zogenaamd (partieel) cauda equina syndroom (zijnde blijvende ernstige pijnklachten en gevoelloosheid in een deel van de benen, voeten, billen, anus en vagina en verlamming van de blaas).

(artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn overigens geen feiten en omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede ontzetting van het recht om zijn beroep uit te oefenen voor de duur van 1 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor dit soort feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 2 december 2009 verrichtte verdachte, in de uitoefening van zijn beroep, een herniaoperatie bij het slachtoffer. Tijdens die operatie heeft verdachte een stuk zenuwweefsel verwijderd, ten gevolge waarvan het slachtoffer blijvend ernstig gehandicapt is geraakt. Naast ernstige pijnklachten, is het onderlichaam van het slachtoffer deels gevoelloos geworden, waardoor zij onder andere incontinent is geworden en een stoma heeft. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 1 mei 2013 blijkt dat het slachtoffer nog dagelijks fysiek en psychisch ernstige last ondervindt van de gevolgen van de operatie. Verdachte heeft gehandeld met grove verwaarlozing van de zorgvuldigheid of zorg waarbij (de kwaliteit van) het leven van het slachtoffer en haar lichamelijke gezondheid op ernstige wijze blijvend is aangetast.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat verdachte niet het opzet heeft gehad om het slachtoffer dit leed toe te voegen en dat verdachte de gevolgen voor het slachtoffer zoals hiervoor vermeld nimmer heeft gewild. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel voorts dat bij wet is bepaald dat het misdrijf, welke door verdachte is begaan, ten hoogste bestraft kan worden met een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en vier maanden. Verder betrekt de rechtbank bij de bestraffing de omstandigheid dat het (zeer) lang heeft geduurd alvorens de zaak inhoudelijk ter terechtzitting is behandeld. Tenslotte heeft de rechtbank acht geslagen op het gegeven dat verdachte door het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Eindhoven bij uitspraak d.d. 4 mei 2011 voor de duur van één jaar is geschorst van de inschrijving in het register.

Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in casu een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden is.

Aangezien het medisch tuchtcollege in 2011 reeds een schorsing van de inschrijving heeft bepaald, ziet de rechtbank daartoe in dit vonnis geen aanleiding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 308, 309.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. M. Senden en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 7 mei 2015.

Mr. drs. W.A.F. Damen is buiten staat dit vonnis (mede) te ondertekenen.