Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:2660

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
14_2129
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overgang naar een LFNP-functie na 1 januari 2012. Geen wettelijke grondslag. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder in redelijkheid komen tot een analoge toepassing van de Regeling ‘overgang naar een LFNP-functie’ en bijbehorende transponeringstabel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2129

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Scheggetman)

en

de korpschef van politie, verweerder,

(gemachtigden: mr. P.J.C. Garrels, mr. F.W.J. van der Steen en R.M.M. Paulssen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de functie waar eiseres in het kader van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) per 1 januari 2012 naar overgaat, bepaald op de functie van Assistent Intake & Service A. Per 1 november 2012 is de LFNP-functie bepaald op die van Assistent Intake & Service B.

Bij besluit van 27 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015, waar eiseres is verschenen bijgestaan door mr. M.H. Mulhof, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Voor verweerder zijn verschenen mr. N.E. Bensoussan, mr. J. van Hoof en R.M.M. Paulssen. Ter zitting is het onderzoek geschorst en is de zaak door de enkelvoudige kamer verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 8 april 2015, waar eiseres is verschenen bijgestaan door mr. W. Dieks, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Bij besluit van 20 september 2011 heeft verweerder eiseres per 1 november 2011 aangesteld in de korpsfunctie Medewerker Service A (schaal 4). Daarbij is aangegeven dat deze functie ook de uitgangspositie voor de invoering voor het LFNP is. Bij besluit van 17 februari 2012 is de uitgangspositie niet aangevuld met specifieke werkzaamheden (taakaccenten). Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft verweerder eiseres per 1 oktober 2012 aangesteld in de functie van Medewerker Service B (schaal 5).

2. Eiseres voert aan dat programmadirecteur HRM, R.E. Kuil, niet bevoegd is tot het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiseres hierin niet en wijst daarbij op haar uitspraak van 9 januari 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:59). Hierin heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank allereerst overwogen dat voormelde bevoegdheid toekomt aan de directeur Human Resource Management (HRM), drs. D.H. Oldenhof, nu aangelegenheden met betrekking tot de overgang naar het LFNP tot haar werkterrein behoren. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat door de directeur HRM ondermandaat is verleend aan de programmadirecteur HRM. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit op bezwaar bevoegd is genomen. De rechtbank ziet in deze zaak geen reden voor een ander oordeel.

3. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de juistheid van het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de overgang naar een LFNP-functie per 1 januari 2012 niet in geschil. Partijen houdt verdeeld de vraag of verweerder aan de overgang per

1 november 2012 naar de functie van Assistent Intake & Service B de Regeling ‘overgang naar een LFNP-functie’ (Regeling) en bijbehorende transponeringstabel ten grondslag heeft mogen leggen.

4. De rechtbank stelt voorop dat, nu de Regeling geen bepalingen bevat die zien op de overgang in de periode op en na 1 januari 2012, de Regeling op die gevallen niet rechtstreeks van toepassing is. Indien een korpsfunctie van een individuele politieambtenaar na 1 januari 2012 evenwel formeel is gewijzigd, is verweerder gehouden die gewijzigde korpsfunctie - met toepassing van de hem in artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) gegeven bevoegdheid - alsnog in te passen in een LFNP-functie. Met de invoering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 van de Regeling vaststelling LFNP kan verweerder vanaf die datum immers enkel nog LFNP-functies hanteren.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het kader van de invulling van zijn bevoegdheid tot inpassing van een korpsfunctie in een LFNP-functie in redelijkheid kunnen komen tot een analoge toepassing van de Regeling en bijbehorende transponeringstabel. Uit een oogpunt van goed werkgeverschap en algemene beginselen van behoorlijk bestuur is het niet verdedigbaar dat een korpsfunctie die vóór 1 januari 2012 aan de hand van de Regeling en bijbehorende transponeringstabel is gematcht in een bepaalde LFNP-functie, op en na die datum - met voorbijgaan aan de in artikel 3 van de Regeling voorgeschreven wijze van organieke matching - ingepast zou worden in een andere LFNP-functie.

6. Aan het voorgaande doet niet af dat bij wijzigingen van de korpsfunctie die plaatsvonden op en na 1 januari 2012, voor politieambtenaren niet langer de mogelijkheid van functieonderhoud op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Stcrt. 2012, 3097) open stond. Voor zover een politieambtenaar zich met een op en na

1 januari 2012 op hem van toepassing verklaarde functiebeschrijving niet kon verenigen, stond voor hem de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.

7. Eiseres voert (kort gezegd) aan dat de functie-eisen Diploma BOA en kennis van strafrecht, als ook de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid in haar korpsfunctie, juist terug te vinden zijn in de LFNP-functie van Medewerker Intake & Service (schaal 6) en niet in de functie van Assistent Intake & Service B (schaal 5) waarmee is gematcht.

8. Onder verwijzing naar de uitspraak van 9 januari 2015 overweegt de rechtbank dat verweerder bij de matching heeft mogen vasthouden aan het uitgangspunt van de matching op schaal. Niet in geschil is dat toepassing van de transponeringstabel in dat geval leidt tot een match met de LFNP-functie Assistent Intake & Service B (schaal 5).

9. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verweerder analoge toepassing had moeten geven aan de in artikel 5, vierde lid, van de Regeling opgenomen hardheidsclausule. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de hardheidsclausule naar aard en bewoordingen ziet op onbillijkheden van overwegende aard in individuele gevallen en op bijzondere situaties die de regelgever bij het tot stand brengen van de regeling niet heeft voorzien. Het feit dat een andere LFNP-functie binnen het vastgestelde vakgebied inhoudelijk bezien meer vergelijkbaar is, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank geen toepassing van de hardheidsclausule. Het is inherent aan de gemaakte keuze voor matching op schaal dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie. Ook het feit dat eiseres naar haar zeggen wordt beperkt in haar doorgroeimogelijkheden, noodzaakt niet tot het toepassen van de hardheidsclausule. Van belang is dat de overgang naar een LFNP-functie geen verandering brengt in de aan eiseres feitelijk opgedragen werkzaamheden noch in de salarisschaal van eiseres en de vooruitzichten in die schaal.

10. Dat verweerder in met eiseres vergelijkbare gevallen de hardheidsclausule wel heeft toegepast, zoals door eiseres gesteld, is de rechtbank niet gebleken.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en

mr. I.S. Peskens, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.