Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:2169

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-04-2015
Datum publicatie
14-04-2015
Zaaknummer
01/860180-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor de verdenking ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met iemand die de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt.

De rechtbank is van oordeel dat er wel voldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank acht dit bewijs echter onvoldoende overtuigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860180-14

Datum uitspraak: 14 april 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 oktober 2014 en 31 maart 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 september 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 20 januari 2014 te Deurne, met [slachtoffer] (geboren op [2003]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van haar borsten en/of vagina en/of het laten vasthouden en/of betasten van zijn, verdachte's, penis.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak en afwijzing van de vordering van de benadeelde partij geƫist. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er weliswaar voldoende wettig, maar onvoldoende overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak en niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vordering benadeelde partij bepleit. Hij stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Hij acht het bewijs daarbij ook niet overtuigend.

Vrijspraak.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig bewijs is, maar dat dit bewijs onvoldoende overtuigend is voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte meerdere malen, nadat zij samen zijn hond hadden uitgelaten, in zijn woning ontuchtige handelingen bij haar heeft verricht. Deze verklaring wordt in enige mate ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, in die zin dat hij heeft bevestigd dat [slachtoffer] regelmatig samen met hem zijn hond heeft uitgelaten en dat zij daarna verschillende keren met hem in zijn woning is geweest. Ook kan ondersteuning voor haar verklaring worden gevonden in de verklaring van haar zus [betrokkene], die heeft verklaard dat verdachte zou hebben geprobeerd om haar te betasten. Hiermee is er sprake van voldoende wettig bewijs in de zin van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het bewijs evenwel onvoldoende overtuigend. In dit kader is van belang dat uit informatie over [slachtoffer] naar voren komt dat zij een verstandelijk beperkt meisje is dat erg gevoelig is voor aandacht en dat zij pas over de vermeende ontuchtige handelingen heeft verteld nadat zij hierover direct is bevraagd door haar moeder. De verklaring die zij vervolgens tijdens het studioverhoor bij de politie heeft afgelegd is niet erg uitgebreid en gedetailleerd. In het licht van deze omstandigheden dient haar verklaring met de nodige terughoudendheid te worden bezien. Het hiervoor genoemde steunbewijs heeft geen betrekking op de ten laste gelegde ontuchtige handelingen zelf. Verdachte ontkent stellig dat hij ontuchtige handelingen bij haar heeft verricht en er is verder niemand getuige geweest van deze handelingen. De politie maakt verder melding van het feit dat er reeds vier registraties bestaan waarbij [slachtoffer] wordt genoemd in combinatie met seksuele handelingen en seksueel misbruik. Gelet op voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er te veel twijfel bestaat of de ontuchtige handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgehad. Verdachte zal daarom van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij.

Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren als na te melden.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.F. Koenis, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 14 april 2015.