Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:2032

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-04-2015
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
C/01/290196 / KG ZA 15-93
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding met drie tussenkomende partijen. Vorderingen afgewezen. Referentie eis was voldoende duidelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2015/107
JAAN 2015/115 met annotatie van mr. A.L. Appelman en mr. S. Saric
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/290196 / KG ZA 15-93

Vonnis in kort geding van 9 april 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VINK AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Barneveld,

eiseres,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon (openbaar lichaam op basis van gemeenschappelijke regeling) STADSGEWEST 'S-HERTOGENBOSCH,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. L.J.W. Sueters te ‘s-Hertogenbosch,

in welke zaak zijn tussengekomen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

F.P.H. PLOEGMAKERS B.V.,

gevestigd te Vinkel,

tussengekomen partij,

advocaat mr. L.C. van den Berg te Den Haag,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISSERS PLOEGMAKERS B.V.,

gevestigd te Erp,

tussengekomen partij,

advocaat mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,

3. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

HENS N.V.,

gevestigd te Wuustwezel (België),

tussengekomen partij,

advocaat mr. A.P.E. de Brouwer te Roosendaal.

Partijen worden Vink, het Stadsgewest, F.P.H. Ploegmakers, Vissers Ploegmakers en Hens genoemd.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 februari 2015 met producties 1 tot en met 11,

  • -

    de brief van mr. Sueters van 20 maart 2015 met productie 1,

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging van mr. Van den Berg (F.P.H. Ploegmakers) van 13 maart 2015,

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging van mr. Brackmann (Vissers Ploegmakers) van 20 maart 2015,

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst van mr. De Brouwer (Hens) van 24 maart 2015

  • -

    de brief van mr. De Brouwer van 24 maart 2015 met productie 1,

  • -

    de brief van mr. Van Nouhuys d.d. 24 maart 2015 met de aanvullende producties 12 en 13;

  • -

    de brief van mr. Sueters van 24 maart 2015 met aanvullende producties 2 tot en met 4,

  • -

    de mondelinge behandeling op 26 maart 2015,

  • -

    de pleitnota van Vink,

  • -

    de pleitnota van het Stadsgewest,

  • -

    de pleitnota van F.P.H. Ploegmakers,

  • -

    de pleitnota van Vissers Ploegmakers,

  • -

    de pleitnota van Hens.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft eerst de door F.P.H. Ploegmakers, Vissers Ploegmakers en Hens ingestelde incidentele vorderingen tot (primair) tussenkomst aan de orde gesteld. Vink heeft zich niet tegen de tussenkomsten verzet. Het Stadsgewest heeft zich desgevraagd enkel tegen de tussenkomst van Hens verzet. Het Stadsgewest heeft daartoe aangevoerd dat Hens in haar incidentele conclusie tot tussenkomst nieuwe stellingen heeft aangevoerd die niet door Vink aan de orde zijn gesteld (in het bijzonder dat F.P.H. Ploegmakers met een abnormaal lage prijs heeft ingeschreven). Nu Hens niet zelf binnen de daarvoor gestelde termijn een kort geding is gestart tegen het Stadsgewest, staat het Hens volgens het Stadsgewest niet vrij deze argumenten thans in het kader van de tussenkomst naar voren te brengen. Het Stadsgewest heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 november 2011 (ECLI:NL:RBSGR:BU5360). Hens heeft daarop echter bij monde van haar advocaat verklaard dat het uitdrukkelijk niet haar bedoeling is om in de tussenkomst aan te voeren dat F.P.H. Ploegmakers met een niet marktconforme prijs heeft ingeschreven en dat dit tot ongeldigheid van haar inschrijving zou moeten leiden.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Hens, als de partij die in de aanbesteding als derde, net vóór Vink, is geëindigd, voldoende belang heeft in dit kort geding tussen te komen, gelet op de door Vink ingestelde vorderingen. Hens heeft - zoals overigens later ter zitting uit haar pleidooi wederom expliciet is gebleken - geen nieuwe gronden aan de orde gesteld, naast hetgeen reeds door Vink aan haar vorderingen in dit kort geding ten grondslag was gelegd. In het bijzonder heeft Hens uitdrukkelijk geen beroep gedaan op (de gevolgen van) een niet marktconforme, abnormaal lage, inschrijving, zoals het Stadsgewest aanvankelijk vermoedde dat het geval zou zijn. Zodoende komt de voorzieningenrechter ook niet toe aan de door het Stadsgewest opgeworpen vraag of bepaalde door Hens in de tussenkomst aangevoerde argumenten in deze zaak buiten beschouwing zouden moeten blijven. Die argumenten zijn immers er niet.

1.4.

Ook F.P.H. Ploegmakers, de partij aan wie het Stadsgewest voornemens is de opdracht te gunnen, en Vissers Ploegmakers, de partij die als tweede is geëindigd, hebben een zelfstandig belang bij tussenkomst in dit kort geding dat aanhangig is tussen de voorlopig in de aanbesteding als vierde geëindigde partij, Vink, en het Stadsgewest. Dat was tussen alle ter zitting aanwezige partijen ook geen punt van discussie. De voorzieningenrechter heeft ter zitting F.P.H. Ploegmakers, Vissers Ploegmakers en Hens toegestaan in dit kort geding tussen te komen. Onder de beoordeling onder r.o. 4.11 zal een beslissing worden gegeven over de proceskosten in het incident.

1.5.

Alle partijen hebben, mede aan de hand van de overgelegde pleitnotities van hun advocaten, hun standpunt toelicht, vragen van de voorzieningenrechter beantwoord en gereageerd op elkaars argumenten.

1.6.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Stadsgewest heeft op 5 december 2014 de aanbesteding aangekondigd van de opdracht voor het aanbrengen van een bovenafdichting op de stortplaats Vlagheide te Schijndel genaamd: “Aanbrengen bovenafdichting Stortplaats Vlagheide” te Schijndel (referentie 2014-047523).

2.2.

Het betreft een Europese aanbesteding waarop hoofdstuk 2 van het Aanbestedingsreglement Werken 2012 (hierna ARW 2012) van toepassing is. Het werk zoals is aanbesteed betreft het aanbrengen van een nieuw aan te leggen bovenafdichtingsconstructie op het oostelijk deel van de stortplaats Vlagheide te Schijndel, waarvan de oppervlakte circa 23,4 ha bedraagt. Deze nieuwe bovenafdichtingsconstructie dient vloeistofdicht te zijn en vloeistofdicht te worden aangesloten op de bestaande bovenafdichting.

2.3.

Ten behoeve van deze aanbesteding heeft het Stadsgewest een Inschrijvingsleidraad opgesteld en aan potentiele inschrijvers ter beschikking gesteld. Het project is in de Inschrijvingsleidraad beschreven in bijlage 1 “Omschrijving werkzaamheden”. Gunningcriterium is de laagste prijs. Op 23 januari 2015 is een Nota van Inlichtingen verschenen. Op de aanbesteding hebben acht partijen ingeschreven, waaronder F.P.H. Ploegmakers, Vissers Ploegmakers, Hens en Vink.

2.4.

In de Inschrijvingsleidraad is onder 5.3.2. - voor zover hier van belang - de volgende geschiktheidseis opgenomen:

T1 De inschrijver moet in de laatste 10 (tien) jaren, voorafgaand aan de datum van aanbesteding één werk op het gebied van aanbrengen van onder- en/of bovenafdichtings- constructies op stortplaatsen hebben uitgevoerd en opgeleverd. De afdichtingsconstructie dient ten minste 3 ha groot te zijn geweest en ten minste te hebben bevat een minerale afdichtingslaag en een laag HDPE folie van 2 mm dikte. Eventuele extra referenties zullen terzijde worden gelegd.”

(…)”

2.5.

In bijlage 1 bij de Inschrijvingsleidraad onder 3.1. is - voor zover hier van belang -het volgende opgenomen:

De afdichtingsconstructie bestaat, van binnen naar buiten bezien, uit:

(…)

3.4

Minerale afdichtingslaag Trisoplast

3.5

HDPE folie

(…)”

2.6.

In bijlage 7 bij de Inschrijvingsleidraad onder 2.7.2. is - voor zover hier van belang - bepaald:

Eisen aan de hoofd- en onderaannemers
De hoofdaannemer
De hoofdaannemers die inschrijven op de aanbesteding van het bestek en de betrokken onderaannemers dienen gecertificeerde aannemers te zijn op de betreffende vakgebieden. In het bestek zijn de specifieke eisen gesteld.

(….)

De leveranciers c.q. onderaannemers

Aan de aannemer voor Trisoplast worden de volgende eisen gesteld:

-de aannemer dient gecertificeerd te zijn volgens de BRL1148, aanleg van afdichtingslagen met zand-bentonietpolymeergel inclusief combinatieafdichtingen.

-Het in te zetten personeel dient voldoende ervaring te hebben met betrekking tot het fabriceren van het Trisoplastmengsel en het aanbrengen van de Trisoplastlaag.

-Leveren project kwaliteits- en uitvoeringsplan aan de hoofdaannemer.

Aan de folieonderaannemer worden de volgende eisen gesteld:

-De folieaannemer dient gecertificeerd te zijn conform BRL-K537 versie 05,

- Het in te zetten personeel dient voldoende ervaring te hebben met betrekking tot het leggen en onderling verbinden van een folieafdichting.

- Controleren voor en tijdens de aanleg op kwaliteit folie, lastemperatuur, lassen, reparaties, destructief onderzoek en lasverbindingen enz. volgens de protocollen.

- Leveren van project kwaliteits-, uitvoerings- en legplan aan de hoofdaannemer.”

2.7.

Bij beslissing van 4 februari 2015 heeft het Stadsgewest via TenderNed aan de inschrijvers bericht dat zij voornemens is om de opdracht te gunnen aan F.P.H. Ploegmakers, die als winnaar uit de bus is gekomen. Zij had ingeschreven voor de laagste prijs. Vissers Ploegmakers, Hens en Vink, zijn respectievelijk als tweede, derde en vierde partij geëindigd.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

Vink vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

primair: het Stadsgewest te gebieden de opdracht te gunnen aan Vink, althans te verbieden de opdracht te gunnen aan F.P.H. Ploegmakers of enige ander dan Vink, voor zover het Stadsgewest de opdracht nog in de markt wil zetten,

subsidiair: het Stadsgewest te verbieden de opdracht aan F.P.H. Ploegmakers of enige ander te gunnen en het Stadsgewest te gebieden tot een herbeoordeling van de ontvangen inschrijvingen over te gaan, zulks met inachtneming van het in deze te wijzen vonnis,

meer subsidiair: het Stadsgewest te verbieden de opdracht aan F.P.H. Ploegmakers of enige ander te gunnen en te gebieden de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en voor zover het Stadsgewest de opdracht nog in de markt wenst te plaatsen, deze opnieuw aan te besteden conform de toepasselijke aanbestedingsrechtelijke regels,

alles op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00, met veroordeling van het Stadsgewest en F.P.H. Ploegmakers in de door Vink gemaakte kosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

Vink legt daaraan ten grondslag dat het Stadsgewest een onjuiste norm heeft gehanteerd bij de beoordeling van de referentie-eis van F.P.H. Ploegmakers, als genoemd in de Inschrijvingsleidraad onder 5.3.2. onder T1 (weergegeven onder r.o. 2.4. van dit vonnis). Omdat F.P.H. Ploegmakers niet zelf over de onder 5.3.2., onder T1 gevraagde ervaring beschikt, heeft zij een beroep gedaan op de ervaring die Fuhler B.V. heeft opgedaan met het referentieproject “Aanbrengen dubbele bovenafdichting locatie 1C te Wijster”. Op grond van de Aanbestedingswet 2012 en de achterliggende Europese richtlijn en vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dient een inschrijver bij een geschiktheidseis óf zelf over de gevraagde ervaring te beschikken óf moet de inschrijver een beroep doen op de ervaring van een derde. In dat laatste geval moet de derde waarop een beroep wordt gedaan wel (zelf) over de gevraagde ervaring beschikken. Aangezien echter Fuhler B.V. (ook) niet beschikt over de gevraagde ervaring met het aanbrengen van HDPE-folie, voldoet F.P.H. Ploegmakers niet aan de gestelde referentie-eis. Het is namelijk niet Fuhler B.V., maar Cofra die bij het referentieproject in Wijster het HDPE-folie heeft aangebracht, terwijl Cofra niet als derde is genoemd bij de inschrijving van F.P.H. Ploegmakers. Nu F.P.H. Ploegmakers aldus niet aan één van de gestelde geschiktheidseisen voldoet, dient zulks te leiden tot gunning aan Vink, danwel tot herbeoordeling van de inschrijvingen.

3.3.

Het Stadsgewest voert verweer.

In de tussenkomsten

3.4.

P.F.H. Ploegmakers vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

  1. Vink niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen in de hoofdzaak af te wijzen en

  2. Enkel en alleen in het geval de voorzieningenrechter mocht oordelen dat een vordering vereist zou zijn voor tussenkomst, het Stadsgewest te gebieden haar gunningvoornemen aan F.P.H. Ploegmakers ongewijzigd te handhaven en tot uitvoering te brengen tenzij zij de opdracht niet langer zou willen gunnen alsmede Vink te gebieden te gehengen en gedogen dat aan F.P.H. Ploegmakers gegund zal worden,

een en ander met veroordeling van Vink in de kosten van deze procedure.

3.5.

Vissers Ploegmakers vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

  1. Vink niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen, althans haar deze te ontzeggen en

  2. indien uit hetgeen door Vink wordt aangedragen volgt dat F.P.H. Ploegmakers ongeldig heeft ingeschreven, het Stadsgewest te gebieden de opdracht te gunnen aan Vissers Ploegmakers, indien het Stadsgewest de opdracht nog immer wenst te verstrekken,

een en ander met veroordeling van Vink in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen twee weken na wijzing van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan.

3.6.

Hens vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

  1. Vink in haar (primaire) vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar vorderingen af te wijzen,

  2. primair: het Stadsgewest te gebieden het werk bij uitsluiting van ieder ander aan Hens te gunnen,

subsidiair: het Stadsgewest te verbieden het werk aan één van de inschrijvers te gunnen en het Stadsgewest te gebieden tot een herbeoordeling van de ontvangen inschrijvingen over te gaan, zulks met inachtneming van het vonnis,

meer subsidiair: het Stadsgewest te verbieden de opdracht aan één van de inschrijvers te gunnen en te gebieden de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en voor zover het Stadsgewest het werk nog in de markt wenst te plaatsen, deze opnieuw aan te besteden conform de toepasselijke aanbestedingsrechtelijke regels,

nog meer subsidiair: een in goede justitie te treffen voorziening die recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van Hens,

3. met bepaling dat bij overtreding van elk onder 2 genoemd gebod en verbod het Stadsgewest aan Hens een direct opeisbare dwangsom verbeurt van € 1.000.000,00,

een en ander met veroordeling van het Vink en het Stadsgewest in de kosten van deze procedure, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen twee weken na wijzing van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan.

4 De beoordeling in de hoofdzaak en in de tussenkomsten

4.1.

De voorzieningenrechter acht zich bevoegd om van de vorderingen in dit geschil met internationale aspecten (Hens is gevestigd in België) kennis te nemen. In de aankondiging van de aanbesteding onder VI.4.1.1. is deze rechtbank als forum gekozen en geen van partijen heeft zich op de onbevoegdheid van de Nederlands rechter beroepen. Hens heeft zich zelf in deze procedure bij de Nederlandse rechter als tussenkomende partij gemeld. Nu voorts in de Inschrijvingsleidraad onder 2.1. het ARW 2012 van toepassing is verklaard en partijen enkel hebben verwezen naar Nederlands recht, kan ervan worden uitgegaan dat voornoemde partijen voor de toepassing van Nederlands recht hebben gekozen. Dat ligt in de feitelijke constellatie van deze aanbesteding ook zeer voor de hand.

4.2.

Centraal in deze procedure staat de vraag of F.P.H. Ploegmakers al dan niet aan de door het Stadsgewest gestelde referentie-eis onder 5.3.2. onder T1 in de Inschrijvingsleidraad heeft voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Daarvoor is met name het navolgende van belang.

4.3.

Voorop staat dat bij de uitleg van de referentie-eisen moet worden uitgegaan van de zogenoemde “CAO-norm”. Voor de uitleg van de aanbestedingsdocumenten zijn, in beginsel, de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de complete tekst van die documenten, van doorslaggevende betekenis. Het komt daarbij aan op de betekenis die - naar objectieve maatstaven - volgt uit de bewoordingen die in die documenten zijn gehanteerd.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan er geen misverstand over hebben bestaan en moet het, gelet op de bewoordingen die in de Inschrijvingsleidraad worden gehanteerd (mede gelet op het toepasselijk recht) voor een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver duidelijk zijn geweest dat in paragraaf 5.3.2. van de Inschrijvingsleidraad onder T1 werd gevraagd naar:

  • -

    ofwel concrete eigen ervaring van de inschrijver op het gebied van het aanbrengen van onder- en/of bovenafdichtingsconstructies op stortplaatsen,

  • -

    ofwel ervaring van een door de inschrijver in te schakelen derde die over die ervaring beschikt.

4.5.

Vink heeft zich op het standpunt gesteld dat F.P.H. Ploegmakers niet aan genoemde geschiktheidseis voldoet, omdat is gebleken dat de door haar opgegeven derde, Fuhler B.V., bij het genoemde referentiewerk niet zelf de laag HDPE-folie heeft aangebracht (maar dat heeft laten uitvoeren door Cofra) en F.P.H. Ploegmakers Cofra niet als derde heeft genoemd bij de inschrijving. Deze stelling faalt.

4.6.

Deze stelling van Vink komt er - in de kern - op neer dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver uit de omschrijving van de geschiktheidseis in paragraaf 5.3.2. zou hebben kunnen afleiden dat het Stadsgewest naar concrete ervaring heeft gevraagd met het daadwerkelijk aanbrengen van een laag HDPE-folie. Deze uitleg acht de voorzieningenrechter niet juist, al was het maar omdat dat er niet staat. Gevraagd wordt “het uitgevoerd en opgeleverd hebben van één werk op het gebied van aanbrengen van onder- en/of bovenafdichting constructies op stortplaatsen”. Uit het feit dat in de tweede zin van de geschiktheidseis in 5.3.2. onder T1 wordt vermeld dat het referentieproject tenminste 3 ha groot moet zijn geweest en tenminste dient te hebben bevat een minerale afdichtingslaag en een laag HDPE folie van 2 mm dikte kan enkel worden afgeleid dat het referentiewerk deze onderdelen moet hebben bevat, maar niet dat óók concrete ervaring van de inschrijver is gevraagd met betrekking tot het zelf aanbrengen van die onderdelen.

4.7.

Dat het Stadsgewest deze eis niet op die wijze heeft gesteld blijkt bovendien uit het feit dat in het bestek juist in feite is voorgeschreven (in bijlage 7, onder 2.7.2 van de Inschrijvingsleidraad) dat de inschrijver ten behoeve van het aanbrengen van de minerale afdichtingslaag (Trisoplast) en de HDPE folie gebruik dient te maken van respectievelijk (het gecertificeerde) Trisoplast Mineral Liners en van één van de drie in Nederland gecertificeerde bedrijven die HDPE folie kunnen leggen, te weten: Cofra, Genap of Prosé. Gelet op het feit dat daarmee in casu sprake was van slechts een beperkt aantal gecertificeerde onderaannemers, was duidelijk dat deze niet expliciet (als derden) genoemd hoefden te worden in het kader van de geschiktheidseis in paragraaf 5.3.2. onder T1.

4.8.

Nu niet in geschil is dat het door F.P.H. Ploegmakers ingediende referentiewerk (van Fuhler B.V.) voldoet aan de geschiktheidseis, in de uitleg zoals die is weergegeven onder r.o. 4.4. van dit vonnis, moet worden geoordeeld dat F.P.H. Ploegmakers met de opgegeven referentie aan de geschiktheidseisen van het Stadsgewest voldoet. Op die grond dienen alle vorderingen te worden afgewezen, zowel die van Vink als die van Hens.

4.9.

Voor zover Hens nog heeft gesteld dat tussen F.P.H. Ploegmakers en Vissers Ploegmakers sprake is geweest van verboden vooroverleg (Vink heeft haar aanvankelijke verwijt op dit punt ter zitting laten vallen), faalt deze stelling bij gebrek aan een voldoende feitelijke onderbouwing. Verder dan het op basis van suggestieve aannames uiten van vermoedens van verboden contact kwam(en) (Vink en) Hens niet. Daar kan de voorzieningenrechter niets mee.

4.10.

Hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd doet niet af aan het uit het voorgaande voortvloeiende resultaat dat F.P.H. Ploegmakers aan de door het Stadsgewest gestelde referentie eis voldoet. F.P.H. Ploegmakers heeft ook voor verreweg de laagste prijs ingeschreven. Indien het Stadgewest het werk nog steeds definitief wenst te gunnen, kan het Stadsgewest tot gunning aan F.P.H. Ploegmakers overgaan. Gunning aan Vissers Ploegmakers, Hens en Vink is naar het zich laat aanzien niet aan de orde. Hun prijzen liggen duidelijk hoger.

4.11.

Vink zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van F.P.H. Ploegmakers, het Stadsgewest, Vissers Ploegmakers en Hens worden veroordeeld. Vink geldt ook tegenover de om begrijpelijke redenen tussengekomen partijen Vissers Ploegmakers en Hens als de in het ongelijk gestelde partij.

Deze kosten worden aan de zijde van het Stadsgewest, F.P.H. Ploegmakers, Vissers Ploegmakers en Hens ieder begroot op:

- griffierecht € 613,00

- kosten advocaat in het incident € 452,00

- salaris advocaat in de hoofdzaak € 816,00

Totaal € 1.881,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In de hoofdzaak en in de tussenkomsten

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Vink in de proceskosten, aan de zijde van F.P.H. Ploegmakers begroot op een bedrag van € 1.881,00 en aan de zijde van het Stadsgewest, Vissers Ploegmakers en Hens ieder begroot op een bedrag van € 1.881,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Vink in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van het Stadsgewest, Vissers Ploegmakers en Hens ieder begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2015.