Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:1735

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2015
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
3393694
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft gedaagde in eerdere procedures gedagvaard voor achterstallige termijnen, terwijl op dat moment ook andere termijn opeisbaar waren, welke niet bij de vordering betrokken waren. Later is alsnog voor die andere termijnen gedagvaard. Eiseres heeft zodoende onnodig proceskosten gemaakt, waarin gedaagde is veroordeeld. De kantonrechter ziet daarin reden gelegen om de proceskosten in de onderhavige zaak alsmede de buitengerechtelijke kosten voor rekening van eiseres te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 3393694 \ CV EXPL 14-7940 \ 317

Uitspraakdatum: 26 maart 2015

vonnis

in de zaak van:

de naamloze vennootschap AnderZorg N.V.,

gevestigd te Wageningen,

eisende partij,

gemachtigde: LAVG Groningen,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te[woonplaats],

gedaagde partij,

procederend bij monde van zijn gemachtigde [gemachtigde van gedaagde], zijn werkgever (hierna te noemen ‘[gemachtigde van gedaagde]’).

Partijen worden hierna ‘LAVG’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 augustus 2014 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties.

  • -

    de akte van de kant van AnderZorg.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten


Tussen partijen is een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen. Er is een betalingsachterstand ontstaan. [gedaagde] is aangemeld bij het CVZ. Met ingang van 1 maart 2014 is hij afgemeld als wanbetaler.

De vordering en het verweer


AnderZorg vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 245,47.

Zij heeft aan haar vordering, in aanvulling op de feiten, het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde] heeft de basispremie over de maanden augustus en september 2013 onbetaald gelaten. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 192,50 in hoofdsom. De buitengerechtelijke kosten bedragen € 48,40. De wettelijke rente bedraagt, berekend tot 3 juli 2014, € 5,07.

[gedaagde] heeft, daarbij meegenomen hetgeen bij dupliek is aangevoerd, het volgende verweer gevoerd tegen de vordering.

[gemachtigde van gedaagde] heeft zich als werkgever van [gedaagde] ontfermd over zijn persoonlijke financiële zaken. Bij brief van 28 januari 2014 heeft [gedaagde] een overzicht van alle openstaande posten toegestuurd gekregen. Op 3 februari 2014 heeft [gemachtigde van gedaagde] deze posten betaald. Bij brief van 12 maart 2014 werd [gemachtigde van gedaagde] geïnformeerd over het feit dat [gedaagde] is afgemeld bij het CVZ als wanbetaler. Hieruit kan worden afgeleid dat al het verschuldigde is voldaan. Als dat niet zo is, heeft AnderZorg een fout gemaakt door [gedaagde] af te melden bij het CVZ. Vanaf 28 januari tot 4 april 2014 heeft [gedaagde] geen post ontvangen van de gemachtigde van AnderZorg betreffende openstaande vorderingen. Op 4 april 2014 beweert de gemachtigde van AnderZorg dat er nog premie openstaat over de maanden augustus 2013 en september 2013. Gelet op het feit dat [gemachtigde van gedaagde] in maart 2014 is afgemeld als wanbetaler en gezien het overzicht van januari 2014 van alle openstaande posten, welke posten zijn voldaan en in welk overzicht een latere premiemaand – die van oktober 2013 – wél is opgenomen en die van augustus en september 2013 niet, kan het niet juist zijn dat de maanden augustus en september 2013 nog openstaan. Er is sprake van een slechte communicatie tussen de vestigingen van LAVG te Breda en te Groningen. Omstreeks 4 april 2014 heeft [gemachtigde van gedaagde] namens [gedaagde] zijn standpunt duidelijk gemaakt via een contactformulier op de site. Een reactie daarop is echter uitgebleven. Een medewerkster van AnderZorg heeft telefonisch aangegeven dat LAVG een communicatiefout heeft gemaakt. Tussen 30 december 2013 en 1 april 2014 zijn geen brieven of aanmaningen door AnderZorg of haar gemachtigde verstuurd. Vervolgens is direct overgegaan tot dagvaarden.

Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd zal, indien en voor zover relevant, in het navolgende aan de orde komen.

De beoordeling


[gedaagde] heeft gewezen op met name een tweetal omstandigheden op grond waarvan hij heeft mogen begrijpen dat al het aan AnderZorg verschuldigde was voldaan:

  • -

    Het overzicht van 28 januari 2014, waarin de maanden augustus en september 2013 niet zijn opgenomen, terwijl de maand oktober 2013 dat wel is;

  • -

    De brief van 12 maart 2014, waarin staat dat [gedaagde] per 1 maart is afgemeld bij het CVZ.

Beide omstandigheden doen evenwel niet af aan het feit dat [gedaagde] op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst premie over de maanden augustus en september 2013 verschuldigd is. AnderZorg heeft bij repliek gemotiveerd uiteengezet dat deze maanden niet zijn inbegrepen bij de betaling van het bedrag van € 879,58 op 3 februari 2014, nu – kort gezegd – dit bedrag ziet op de premieachterstand over de maanden maart en april 2013 en juni en juli 2013. [gedaagde] heeft dat niet gemotiveerd weersproken. Evenmin heeft hij middels bankafschriften aangetoond dat de premie over augustus en september 2013 is voldaan.

Het bedrag in hoofdsom van € 192,50 is derhalve toewijsbaar.

AnderZorg heeft bij repliek gewezen op het feit dat voor eerdere achterstanden is gedagvaard en vonnis is gewezen. Aangezien in de conclusie van repliek op pagina 3 bij dossiernummers 209160693 (Groningen) c.q. 11028329 (Breda) bij ‘omschrijving vordering’ staat dat dit dossier betrekking heeft op de premie oktober 2009 tot en met november 2013 terwijl in de onderhavige zaak gevorderd wordt de premie over de maanden augustus en september 2013, heeft de kantonrechter eerdere, tussen partijen gewezen vonnissen opgevraagd. Het moet er, op basis daarvan, voor worden gehouden dat 2013 een schrijffout is, en bedoeld wordt 2009. Uit de eerder gewezen vonnissen en de inleidende dagvaardingen blijkt echter dat [gedaagde] bij dagvaarding d.d. 17 september 2013 is gedagvaard ter zake achterstallige premie over de maanden maart en april 2013. Omdat de maanden juni en juli 2013 op het moment van dagvaarden reeds achterstallig waren, heeft het op de weg van AnderZorg gelegen om [gedaagde] direct óók ter zake die maanden te dagvaarden. Voorts is bij dagvaarding d.d. 10 december 2013 gedagvaard voor de maanden juni en juli 2013, terwijl de maanden augustus en september 2013 op dat moment ook reeds opeisbaar waren en dienden te worden meegenomen bij de vordering.

Dat zij dit heeft nagelaten – al dan niet wegens gebrekkige communicatie tussen de vestigingen Breda en Groningen van de gemachtigde van AnderZorg -, heeft onnodige kosten voor [gedaagde] tot gevolg gehad.

De kantonrechter ziet daarin reden gelegen om de gevorderde buitengerechtelijke kosten af te wijzen en AnderZorg te veroordelen in de kosten van de procedure. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 100,-.

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan AnderZorg te voldoen het bedrag van € 192,50, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2014 tot de dag van voldoening;

veroordeelt AnderZorg in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 100,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. E.J. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2015.