Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:1353

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-03-2015
Datum publicatie
16-03-2015
Zaaknummer
01/865013-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:1695, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling levensdelict gepleegd in september 2013 in Den Bosch. Slachtoffer is een 19-jarige vrouw (ex-vriendin van verdachte).

Uitvoerige motivering daderschap en voorbedachte rade. Veroordeling voor moord.

Verdachte was 22 jaar ten tijde van het plegen van het feit. Rechtbank past niet het adolescentenstrafrecht toe.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest.

Verdachte dient schade te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865013-13

Datum uitspraak: 16 maart 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

thans gedetineerd te: PI Nieuwegein - HvB loc. Nieuwegein.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2013, 14 maart 2014, 2 juni 2014, 20 augustus 2014, 30 september 2014, 19 december 2014 en 2 maart 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 november 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 september 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs 1

Inleiding.

De rechtbank stelt de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 10 september 2013 rond 08:19 uur werd bij de meldkamer van de ambulancedienst te Den Bosch de 112-melding gedaan dat er een vrouw door een jongen in elkaar geslagen werd in de brandgang gelegen aan de [adres 1] te Den Bosch, dat de vrouw flink bloedde en dat zij gereanimeerd werd.2 De politie heeft na aankomst ter plaatse een vrouw aangetroffen die volledig onder het bloed zat en in een grote plas bloed lag. Uit een eerste onderzoek ter plaatse werd duidelijk dat het slachtoffer was neergestoken.3

Het slachtoffer is vervolgens per ambulance naar het ziekenhuis te Den Bosch vervoerd, alwaar zij kort na aankomst is overleden.4 Het slachtoffer was bij leven genaamd: [slachtoffer], wonende op de [adres 2] te Den Bosch.5 De verdachte is de ex-vriend van het slachtoffer.6 De bij de woningen aan [adres 2] behorende schuren kunnen worden bereikt via de brandgang in de [adres 1]. Deze brandgang is voorzien van afsluitbare metalen poorten.7

Van de confrontatie tussen het slachtoffer en haar belager zijn verschillende personen getuige geweest, waaronder [getuige 1] en [getuige 2]. Beide getuigen hebben bij de politie verklaard dat zij hebben gezien dat het slachtoffer door haar aanvaller meerdere keren met een mes werd gestoken.8

Op het lichaam van het slachtoffer is sectie verricht. Het daarvan opgemaakte NFI-rapport houdt als bevindingen en conclusie, samengevat weergegeven, in dat er sprake was van meerdere bij leven opgelopen steek- en snijletsels, die hebben geleid tot zeer ernstig, overwegend uitwendig bloedverlies en verbloeding, hetgeen het overlijden volledig verklaart.9

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd en dat hij dit met voorbedachten rade heeft gedaan.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot de conclusie te kunnen komen dat de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Voor het geval de rechtbank dat wel bewezen acht, heeft zij nog aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van de hiervoor onder het kopje “inleiding” vastgestelde feiten wettig en overtuigend bewezen acht dat het [slachtoffer] op 10 september 2013 te Den Bosch meermalen met een mes is gestoken ten gevolge waarvan zij is overleden.

De rechtbank ziet zich thans voor de beantwoording van twee vragen gesteld, te weten A. heeft de verdachte het slachtoffer van het leven beroofd en, zo ja, B. is sprake van moord of van doodslag. Zij overweegt daartoe als volgt.

A. Daderschap

i.

Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is een aantal personen getuige geweest van de daadwerkelijke confrontatie tussen de dader en het slachtoffer. De rechtbank heeft dan naast de al genoemde getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ook het oog op de [getuige 3]. Deze getuigen hebben elk voor zich een beschrijving gegeven van de dader.

[getuige 1] beschrijft de man waarvan zij had gezien dat deze meermalen op het slachtoffer in stak, als een blanke man met een fors postuur gekleed in een groene capuchontrui.10 [getuige 2] verklaart onder meer dat de persoon die zij heeft zien steken een blanke jongen was, gekleed in een groene trui met capuchon, die een schoudertas droeg met daarop 2 snel-sluitingen door middel van een kliksysteem en dat hij op de bovenzijde van de rechterhand, bij de pink, een donkere plek had.11 [getuige 3], die het steekincident ook heeft waargenomen, beschrijft de dader als een persoon met een stevig postuur, gekleed in onder meer een lichtgroene jas met een capuchon.12

ii.

[getuige 2] had de door haar beschreven aanvaller kort voor het steekincident reeds buiten zien staan ter hoogte van de woning met nummer 32 aan de [adres 1]. Deze persoon trok haar aandacht omdat hij nerveus om zich heen keek. Met haar mobiele telefoon heeft zij vervolgens een aantal foto’s gemaakt van deze persoon. Deze foto’s zijn door de politie uitgeprint.13 Prints van deze foto’s zijn aan het dossier toegevoegd.14 De rechtbank constateert dat op die foto’s een persoon is te zien gekleed in een groen(e) vest, trui of jas, dat deze persoon een capuchon over zijn hoofd draagt en een grijs- of zwartkleurige, in ieder geval een donkerkleurige schoudertas bij zich draagt.

Tot het strafdossier behoort voorts een proces-verbaal sporenonderzoek op de plaats delict en de fotografische opname ter plaatse.15 Daarop is vanuit het perspectief van de camera links de brandgang zichtbaar waar het slachtoffer is aangetroffen en rechts, tegenover de brandgang, de locatie waar [getuige 2] de door haar beschreven persoon heeft gezien. [getuige 2] heeft verklaard dat deze persoon heel gefocust naar de brandgang bleef kijken.16 Op grond van dit een en ander stelt de rechtbank vast dat deze gefotografeerde persoon tegenover de brandgang aan de overzijde van de straat stond waar het steekincident had plaatsgevonden, dat hij vanuit die positie in de richting van die brandgang keek en uiteindelijk, naar [getuige 2] ook verklaart, in de richting van die brandgang rende om vervolgens in die brandgang op het slachtoffer in te steken.17

iii.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat de door [getuige 2] gefotografeerde persoon de persoon is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Zij komt op grond van het hierna volgende bovendien tot het oordeel dat deze gefotografeerde persoon en de verdachte een en dezelfde zijn.

iv.

De rechtbank stelt op grond van de van de verdachte kort na zijn aanhouding genomen foto18 in de eerste plaats vast dat de verdachte past in de door [getuige 1] en [getuige 3] gegeven omschrijving van een blanke man met een stevig c.q. fors postuur. De rechtbank stelt voorts vast dat de verdachte ook voldoet aan de beschrijving door [getuige 2], voor zover het de donkere plek op de hand betreft. De rechtbank wijst in dit verband op de constatering van een van de politieambtenaren belast met het verhoor van de verdachte, dat de verdachte een plekje had op zijn linkerhand ter hoogte van de pink dat donkerder van kleur was dan de rest van zijn huid.19

v.

Het enkele feit dat de getuige verklaart over een plek op de rechterhand terwijl de politieambtenaar deze plek op de linkerhand van de verdachte heeft gezien, is naar het oordeel van de rechtbank van ondergeschikte betekenis. Dit verschil wettigt dan ook niet de gevolgtrekking dat het dus niet de verdachte is geweest die door [getuige 2] is waargenomen. Te minder, als daarbij het volgende in aanmerking wordt genomen.

vi.

De door de [getuige 2] genomen foto’s van de persoon zijn door de politie getoond aan de moeder van het slachtoffer, [benadeelde partij]. Bij het tonen van deze foto’s herkent zij de afgebeelde persoon vrijwel meteen als de ex-vriend van haar dochter, zijnde de verdachte. Zij herkent hem onder meer aan de groene “hoody” (de rechtbank begrijpt hier en hierna: capuchontrui) die hij altijd droeg en de grijze tas die hij altijd bij zich droeg.20

vii.

Anders dan de verdediging, acht de rechtbank deze herkenning betrouwbaar. In de eerste plaats omdat de kwaliteit van de foto’s niet zodanig is dat een positieve herkenning per definitie onmogelijk is. In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat de getuige de verdachte herkent aan kennelijk voor hem kenmerkende en specifieke punten, zoals de groene hoody en de schoudertas, terwijl op grond van het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de hierna weer te geven verklaring van de verdachte, en de inhoud van het strafdossier kan worden vastgesteld dat de verdachte op die specifieke dag ter plaatse van de woning van het slachtoffer is geweest en toen een groene hoody droeg en een schoudertas bij zich droeg.

viii.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 10 september 2013 vroeg in de ochtend met de eerste trein van Utrecht naar Den Bosch is gereisd, dat hij toen gekleed was in een groen vest met capuchon en dat hij toen een schoudertas bij zich had die voorzien was van twee sluitingen met een kliksysteem en dat het zou kunnen dat hij rond 06:30 uur op het station van Den Bosch was.21 De verklaring van de verdachte wordt op dit punt ondersteund door camerabeelden van het station Den Bosch van 10 september 2013, waarop rond het tijdstip van 06:25 uur een persoon te zien is die is gekleed in een groene trui met capuchon over het hoofd en die een donkerkleurige schoudertas bij zich draagt en die de stationshal aan de centrumzijde verlaat.22 De verdachte heeft ter terechtzitting verder nog verklaard dat hij vrij kort na aankomst op het station van Den Bosch bij de woning van het slachtoffer is geweest en dat hij de persoon, die door de [getuige 4] rond 06:45 uur is waargenomen in de [adres 1] en die volgens deze getuige redelijk fors gebouwd was en gekleed was in een groene trui met capuchon23, wel kan zijn geweest.

ix.

In de periode nadien en tot aan de aanval op het slachtoffer hebben verschillende getuigen op verschillende tijdstippen een persoon gezien en van deze persoon een signalement gegeven. Zij komen daarin met elkaar in de kern overeen en bovendien past hun omschrijving bij de wijze waarop de verdachte - ook naar eigen zeggen - die dag gekleed was. In volgorde van tijd wijst de rechtbank op:

- de verklaring van de [getuige 5], die verklaart omstreeks 07:15 uur een blanke man met een gezet postuur, gekleed in een groene jas of groen vest met capuchon met een zwarte tas op de heup, bij de brandgang van zijn woning aan de [adres 1] te hebben gezien en dat deze persoon er rond 07:40 uur a 07:45 uur nog steeds stond;24

- de verklaring van de [getuige 6], die verklaart omstreeks 07:20 uur een dikke jongen met een groene trui aan te hebben gezien nabij de brandgang aan de [adres 1];25

- de verklaring van de [getuige 7], die verklaart omstreeks 07.30 uur een blanke man met een fors postuur in de [adres 1] te hebben gezien die was gekleed in een groene jas;26

- de verklaring van de [getuige 8], die verklaart omstreeks 07:40 uur een grote blanke man met een flink postuur ter hoogte van nr. 36 aan de [adres 1] te hebben gezien, die was gekleed in een groene trui met de capuchon over het hoofd;27

- de verklaring van de [getuige 9], die verklaart omstreeks 07:45 uur een grote, forse man te hebben zien staan bij de brandgang tussen de woningen 34 en 36 aan de [adres 1] en dat deze man een groene trui of jas met capuchon over het hoofd droeg;28

- de verklaring van de [getuige 10], die verklaart omstreeks 07:45 uur een blanke jongen te hebben gezien, gekleed in een blauw groene sweater (Rb begrijpt: trui) met capuchon over zijn hoofd en een donkere schoudertas, die tegenover de brandgang stond waar later het slachtoffer werd gevonden; om 08:17 uur ging zij haar medicijnen innemen en vanaf dat moment had zij geen zicht meer op de jongen.29

De rechtbank roept hier in herinnering dat de melding van de aanval op het slachtoffer rond 08:19 uur bij de meldkamer binnenkwam, dus zeer kort na het laatste moment waarop de desbetreffende persoon door de [getuige 10] werd gezien.

x.

Naast het vorenstaande is er ook nog technisch bewijs dat de verdachte op de plaats van het delict brengt.

xi.

Een van de getuigen van het daadwerkelijke steekincident, [getuige 3], heeft gezien dat de dader van de steekpartij bij het verlaten van de brandgang iets weggooide, heeft dat voorwerp geïdentificeerd als een mes en heeft de politie vervolgens daarop gewezen.30 Het mes, naar later bleek een zogenaamd knipmes, is vervolgens veiliggesteld voor onderzoek. Naast het knipmes heeft de politie op de plaats delict nog een foedraal van een mes aangetroffen met opdruk “SOG”. Ook het foedraal is veiliggesteld voor onderzoek.31 Op zowel het knipmes als het foedraal is een DNA-profiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte. De berekende frequentie van de op het mes en het foedraal aangetroffen DNA-profielen is kleiner dan één op één op miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man hetzelfde DNA-profiel heeft als de DNA-profielen verkregen van het celmateriaal in de bemonstering van het foedraal en het mes is één op één op miljard.32

xii.

Een verklaring voor het aantreffen van het knipmes en het foedraal met daarop zijn DNA-materiaal op de plaats delict heeft de verdachte bij de politie noch ter terechtzitting van de rechtbank willen of kunnen geven.

xiii.

Ten slotte wijst de rechtbank nog op de resultaten van het onderzoek aan de schoenen, merk DC, en het horloge, merk Dolce en Gabbana, die op het [adres 3] te Utrecht in beslag zijn genomen.33 Dit betreft de woning van een vriend van de verdachte, alwaar de verdachte op 10 september 2013 rond 18:43 uur, dus dezelfde dag als het delict, werd aangehouden. De verdachte heeft verklaard dat de inbeslaggenomen schoenen en het horloge van hem waren.34 Op zowel de linker- als de rechterschoen en het horloge is een bloedspoor aangetroffen. Het DNA-profiel daarvan matcht met het DNA-profiel van het [slachtoffer]. De berekende frequentie van de DNA-profielen in de bloedsporen is kleiner dan één op één op miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen mens hetzelfde DNA-profiel heeft als de DNA-profielen verkregen van het celmateriaal in de bemonstering van de schoenen en het horloge is één op één op miljard.35 In het licht van de overige bewijsvoering, wijst de rechtbank de verklaring van de verdachte op dit punt, te weten dat het bloed van het slachtoffer op die schoenen en het horloge terecht is gekomen toen zij zich bij het koken had gesneden, als onaannemelijk van de hand.

xiv.

Al hetgeen hiervoor is overwogen in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen is redengevend voor het oordeel dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Nochtans heeft de verdachte gedurende het vooronderzoek en ter terechtzitting steevast ontkend iets met de dood van het slachtoffer te maken te hebben gehad. Ter terechtzitting heeft de verdachte dienaangaande verklaard dat hij weliswaar ’s ochtends op 10 september 2013 bij de woning van het slachtoffer is geweest, maar dat dit slechts gedurende enkele minuten is geweest. Daarna heeft hij naar eigen zeggen nog andere plekken bezocht die voor hem in verband met de verbroken relatie met het slachtoffer een bijzondere betekenis hadden, zodat hij zijn breuk met het slachtoffer af kon sluiten voordat hij op wereldreis zou gaan. Hij was van plan om de spullen die hij had meegenomen naar Den Bosch, waaronder de groene trui en de schoudertas, daar achter te laten. Hij kan zich alleen niet meer herinneren waar hij die spullen heeft achtergelaten.

xv.

De rechtbank hecht aan de door de verdachte gegeven lezing geen enkel geloof. Niet alleen wordt zijn verklaring op onderdelen weersproken door de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsvoering, maar ook is zij op onderdelen tegenstrijdig aan hetgeen hij eerder in het onderzoek heeft verklaard.

Zo kan zijn verklaring dat hij slechts enkele minuten bij de woning van het slachtoffer is geweest geen stand houden in het licht van de getuigenverklaringen over de persoon die vanaf 06:45 uur tot en met vlak voor de aanval rond 08:19 uur nabij de brandgang in de directe omgeving van de woning van het slachtoffer is gesignaleerd. Indien immers van de lezing van de verdachte zou moeten worden uitgegaan, dan zou dit betekenen dat - nadat de verdachte vanaf de woning van [slachtoffer] was vertrokken - een ander persoon, die er dan min of meer hetzelfde als de verdachte moet hebben uitgezien, de plek van de verdachte heeft ingenomen en naderhand het slachtoffer heeft neergestoken. Dat dit scenario zich heeft afgespeeld moet - mede in het licht van ook de overige bewijsvoering - als hoogst onwaarschijnlijk worden uitgesloten. Vooral ook, omdat dit scenario tevens impliceert dat deze persoon in het bezit moet zijn geweest van een foedraal en een knipmes met daarop celmateriaal van de verdachte en dat deze persoon die spullen op de plaats delict heeft achtergelaten. Dat het iemand anders dan de verdachte is geweest die daar ter plekke die spullen heeft achtergelaten, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Wat betreft de groene hoody en de schoudertas merkt de rechtbank op dat verdachte hieromtrent aantoonbaar tegenstrijdig heeft verklaard. Zo verklaart hij bij de politie dat hij de groene hoody en de schoudertas al een maand niet meer in zijn bezit heeft, terwijl hij daar ter terechtzitting op terugkomt en verklaart dat hij op de dag van 10 september 2013 die groene hoody heeft gedragen en de schoudertas bij zich had. Zijn ter terechtzitting gegeven verklaring voor deze tegenstrijdigheid, te weten dat hij bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie overrompeld was, overtuigt niet. Deze verklaring valt immers geenszins te rijmen met het uit de processen-verbaal van zijn verhoren bij de politie consequent rijzende beeld van een verdachte die stevig in zijn schoenen staat, de verhorende verbalisanten steevast van repliek dient, wedervragen stelt en uitdaagt en zich bij de meest confronterende vragen op zijn zwijgrecht beroept.

Ook verdachtes verklaring dat hij zich niet meer kan herinneren waar hij de groene hoody en de schoudertas in Den Bosch heeft achtergelaten, verdient geen geloof. Naar zijn eigen zeggen was de datum van 10 september 2013 een belangrijke dag, omdat hij op die datum twee jaar samen met het slachtoffer zou zijn geweest als zij de relatie niet had verbroken. Ook is hij naar zijn eigen zeggen langs allerlei plekken gelopen die voor hem een bijzondere betekenis hadden. Geconstateerd moet echter worden dat de verdachte, ondanks hun bijzondere betekenis, ter terechtzitting bitter weinig details over deze plekken heeft kunnen vertellen. De hoody had hij samen met het slachtoffer gekocht. Bij de politie verklaart de verdachte (p. 664) dat de schoudertas voor hem een bijzondere waarde had. Indien ervan moet worden uitgegaan dat de hoody en de schoudertas daadwerkelijk bijzondere waarde hadden voor de verdachte en hij deze spullen ter afsluiting van de relatie met het slachtoffer inderdaad in Den Bosch heeft willen achterlaten, dan valt dit tezelfdertijd toch moeilijk te rijmen met de beweerdelijk lacunaire herinnering van de verdachte over de plaatsen waar hij deze heeft achtergelaten. De rechtbank houdt het er bij gebreke van een aannemelijke en geloofverdienende verklaring van de zijde van de verdachte daarom voor dat hij zich van de hoody en de schoudertas heeft ontdaan, teneinde bewijsmateriaal voor zijn betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer weg te maken.

Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat de verdachte ook ten opzichte van het technische bewijs, zoals hiervoor weergegeven, geen adequate verklaring heeft kunnen geven.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de verdachte voor alle hem belastende en voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden geen die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. De rechtbank betrekt deze omstandigheid bij het waarderen van het voorhanden bewijs.

xvi.

De rechtbank acht op grond van al het vorenoverwogene wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door haar meermalen met een mes te steken. De rechtbank stelt de ontkennende verklaring van de verdachte terzijde en verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.

B. Voorbedachten rade

i.

Voor een bewezenverklaring van het voor moord vereiste bestanddeel "voorbedachten

rade" - in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met de tekst “na kalm beraad en rustig overleg” - moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

ii.

Bij de beoordeling van de vraag of te dezen sprake is geweest van handelen met voorbedachten rade door de verdachte stelt de rechtbank voorop dat hij - inherent aan zijn ontkenning iets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben gehad - de rechtbank geen informatie heeft verschaft over hetgeen in hem vóór en tijdens het plegen van het delict is omgegaan, bijvoorbeeld omtrent planvorming en besluitvorming. Of in dit geval voorbedachten rade bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de vraag of de hiervoor bedoelde gelegenheid tot beraad heeft bestaan en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

iii.

Eerst moet worden vastgesteld dat het mes waarmee het slachtoffer is gestoken niet is teruggevonden. Het strafdossier laat – in weerwil van verdachtes ontkennende verklaring ter terechtzitting – evenwel geen andere conclusie toe dan dat het slachtoffer is gestoken met een mes dat de verdachte die dag met zich heeft gevoerd toen hij vanuit Utrecht vertrok naar Den Bosch. Immers nergens blijkt uit dat de verdachte op een later moment en eerst kort voor de aanval in het bezit is gekomen van het steekwapen. Dat is op grond van de verklaring van de verdachte over zijn bewegingen na aankomst in Den Bosch in samenhang bezien met de waarnemingen van de getuigen ter plaatse, waaruit volgt dat hij kort na aankomst op het station van Den Bosch bij de woning van het slachtoffer is gekomen en daar niet eerder is vertrokken dan nadat het slachtoffer was neergestoken, evenmin aannemelijk geworden. Redenen waarom hij met een mes van huis is gegaan en naar Den Bosch is gereisd, heeft de verdachte niet gegeven.

iv.

Voorts stelt de rechtbank op grond van de verklaring van de moeder van het slachtoffer vast dat de verdachte in de tijd tussen het verbreken van de relatie door het slachtoffer begin juli 2013 en het gebeuren op 10 september 2013 meerdere keren bedreigende teksten heeft gestuurd naar het slachtoffer, waarvan het slachtoffer ergens tussen 20 en 24 augustus 2013 aangifte heeft gedaan bij de politie. Zo verklaart de moeder van het slachtoffer dat haar dochter onder meer een tekst van de verdachte toegestuurd had gekregen waarin hij haar in het Engels schrijft dat hij zou genieten van de laatste druppel bloed die uit haar lichaam zou vloeien.36 Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte toegegeven het slachtoffer meerdere keren te hebben bedreigd, ook dat zij “zou bloeden”.37

v.

De rechtbank wijst vervolgens op de tegenover de politie afgelegde verklaring van de vriend van de verdachte, [getuige 11], die onder meer inhoudt dat de verdachte vijf dagen vóór zijn aanhouding op de datum van het delict van 10 september 2013 aan hem had gevraagd of hij hem in staat achtte om iemand te vermoorden.38

vi.

De rechtbank trekt in het bijzonder uit verdachtes vraag aan [getuige 11] in samenhang bezien met het meenemen van het mes op de dag van het delict en de geuite bedreigingen richting het slachtoffer, het gevolg dat op de dag van het delict minstgenomen een begin van een voornemen had postgevat om het slachtoffer om het leven te brengen. De rechtbank acht het bij gebreke van een plausibele verklaring hierover van de verdachte niet aannemelijk dat de verdachte met die vraag iets anders tot uitdrukking heeft gebracht dan dat toen reeds dit voornemen door zijn hoofd speelde. Uit de verklaring van de [getuige 11] kan ook niet worden afgeleid dat de verdachte deze opmerking maakte binnen een context die tot een andersluidende conclusie zou kunnen leiden.

vii.

De rechtbank stelt op grond van de onder A weergegeven bewijsvoering ten slotte nog vast dat de verdachte op 10 september 2013 eerst omstreeks 06:45 uur bij de woning van het slachtoffer in de [adres 1] is aangekomen, dat hij zich aldaar gedurende ongeveer anderhalf uur heeft geposteerd tegenover de brandgang waar het slachtoffer kennelijk moest zijn en waar de verdachte haar kennelijk ook verwachtte, hetgeen valt te verklaren doordat de schuur behorende bij de woning van het slachtoffer in die brandgang was gelegen en de verdachte -naar eigen zeggen ter terechtzitting- wist39 dat de fiets van het slachtoffer wel eens in die schuur stond, om vervolgens, nadat het slachtoffer iets na acht uur ’s ochtends haar woning had verlaten40 en zich naar de brandgang begaf, onmiddellijk naar die brandgang te rennen, het slachtoffer aan te vallen en haar met een mes meerdere keren te steken.

viii.

De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat vaststaat dat de verdachte gedurende de tijd dat hij zich nabij de woning van het slachtoffer bevond gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij gebreke van een verklaring van de verdachte kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de verdachte ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid tot nadenken en beraad.

ix.

Op grond van al het vorenstaande, alsmede de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte, stelt de rechtbank vast en acht zij bewezen dat de verdachte vóór het plegen van het delict het plan heeft opvat om het slachtoffer van het leven te beroven, dat hij vervolgens met dat doel en met het steekwapen op zak naar de woning van het slachtoffer is gegaan en dat hij aldaar ter uitvoering van het door hem opgevatte plan het slachtoffer meermalen met een mes heeft gestoken. De hiervoor onder i weergegeven maatstaf hanterend, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aldus met voorbedachten rade het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Van contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte rade in de weg zouden kunnen staan, zoals een plotselinge hevige drift, een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of het ontstaan van een gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit, is niet gebleken. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aan het aannemen van de voorbedachten rade in de weg staan.

x.

De rechtbank acht de ten laste gelegde moord bewezen en verwerpt het verweer van de verdediging, nu dit zijn weerlegging vindt in het hiervoor overwogene.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling (tijds)verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 10 september 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met een mes gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht moord bewezen en vordert een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair verzocht verdachte vrij te spreken. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte in aanmerking komt voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Verder acht de raadsman onder verwijzing naar soortgelijke zaken de eis van de officier van justitie disproportioneel.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 10 september 2013 zijn 19-jarige ex-vriendin [slachtoffer], een jonge vrouw in de kracht van haar leven, op gruwelijke wijze, met messteken om het leven gebracht. Hij heeft haar daarmee het meest kostbare dat een mens bezit ontnomen.

Door deze moord is aan de naaste familie en vriendenkring van [slachtoffer] groot en onherstelbaar leed toegebracht. De moeder van [slachtoffer] heeft ter zitting uiting gegeven aan haar verdriet en onder woorden gebracht wat de dood van [slachtoffer] voor haar en het jongere zusje van [slachtoffer] nu en in de toekomst betekent. Verdachte heeft zich volstrekt niet bekommerd om deze gevoelens van de nabestaanden. Hij heeft geen enkele blijk van medeleven met hen getoond. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de verschillende gelegenheden die hem daartoe tijdens de behandeling ter terechtzitting zijn geboden. Ook heeft hij zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen voor de getuigen, die hebben gezien hoe hij met brute kracht op een jonge vrouw heeft ingestoken, tot de dood daarop volgde.

Verdachte heeft [slachtoffer] op klaarlichte dag en in een drukke wijk om het leven gebracht. Buurtbewoners gingen naar hun werk of brachten hun kinderen naar school. Daardoor zijn vele omwonenden getuige geweest van de moord. Verschillende omwonenden hebben verklaard dat hetgeen zij hebben gezien voor hen een zeer traumatische ervaring is geweest.

Verdachte heeft met de moord op [slachtoffer] één van de ernstigste misdrijven die ons Wetboek van Strafrecht kent, gepleegd. Een delict dat ook veel maatschappelijke onrust veroorzaakt en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad en geen inzicht gegeven in zijn beweegredenen. Hij heeft zich gedurende het gehele proces op het standpunt gesteld niets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben gehad.

In het Pieter Baan Centrum (PBC) is een onderzoek ingesteld naar de persoon van verdachte

Op grond van de bevindingen van dit onderzoek concluderen R. Havenman, psycholoog, en M.J. van Haaren, psychiater, dat bij betrokkene geen sprake is van psychiatrische problematiek in engere zin. Ook de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis kan niet worden onderbouwd. Wel kan op basis van de beschreven kwetsbaarheden (de gebrekkige identiteitsvorming en de beperkte emotionele belevingswereld) gesproken worden van persoonlijkheidsproblematiek en daarmee van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De onderzoekers menen dat een verband tussen betrokkenes pathologie en het ten laste gelegde niet kan worden onderbouwd. Zij zien derhalve geen argumenten voor een advies tot vermindering van de toerekeningsvatbaarheid.

Met betrekking tot de vraag naar het gevaar op recidive concluderen zij het volgende. Betrokkene is emotioneel kwetsbaar in relaties. Deze kwetsbaarheid geeft een verhoogde kans op relationele ontregelingen, zonder dat op basis van de beschikbare informatie ernstige vormen van geweld op basis hiervan voorzien kunnen worden. Over een pathologisch recidiverisico ten aanzien van soortgelijke feiten kan, nu geen verband kan worden gelegd tussen de pathologie en het ten laste gelegde, geen uitspraak worden gedaan.

Binnen de huidige strafzaak worden mede daarom onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor een advies tot begeleiding of behandeling van betrokkene in een strafrechtelijk kader.


De rechtbank neemt het advies van de deskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over en zal de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde volledig toerekeningsvatbaar beschouwen.

Zijdens de verdediging is verzocht om toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Toen verdachte [slachtoffer] om het leven bracht was hij 22 jaar. Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter voor adolescenten tot 23 jaar besluiten het adolescentenstrafrecht toe te passen, indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. In de bevindingen van de psycholoog en de psychiater in de Pro Justitiarapportage over de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan ziet de rechtbank geen indicaties voor berechting van verdachte onder het adolescentenstrafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande strafoverwegingen in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van zeer lange duur. Verdachte heeft een jonge vrouw [slachtoffer], een jonge vrouw die nog een heel leven voor zich had, op gruwelijke wijze, met voorbedachten rade, om het leven gebracht. Hij heeft zich totaal geen rekenschap gegeven van de gevoelens van de nabestaanden, de omwonenden en andere getuigen. Hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en geen inzage gegeven in zijn beweegredenen. En ten slotte weegt de rechtbank mee dat hem zijn handelen volledig is toe te rekenen.

De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen voor de duur van achttien jaar. Dat is een lichtere straf dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Het standpunt van de officier van justitie.

Met betrekking tot de reiskosten van familieleden die naar de begrafenis willen komen uit het buitenland stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de kosten van de reis van de opa, de oma en de tante van [slachtoffer] voor vergoeding in aanmerking komen. De vordering is voldoende onderbouwd en als redelijk te beschouwen.

De begrafeniskosten en hiermee samenhangende kosten van de bloemen en fotolijstjes zijn toewijsbaar. De kosten van de ketting, glazen bol en “vingerafdruk” zijn niet te scharen onder kosten van de lijkbezorging ex artikel 51f lid 2 Sv jo 6:108 BW. De gevraagde kostenvergoeding staat in een te ver verwijderd verband met het delict. In totaal kan derhalve aan [benadeelde partij] een bedrag van € 7.687,20 worden vergoed met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat - nu geconcludeerd is tot vrijspraak – de vorderingen benadeelde partij niet aan bod komen.

Mocht de rechtbank hier anders over denken, dan voert de verdediging - subsidiair - het volgende aan ter zake van deze ingediende vorderingen.

De kosten van de uitvaartverzorging en bijbehorende kosten, zoals de aangeschafte bol, waarin de as wordt bewaard, staan niet ter discussie. De kosten voor aangeschafte fotolijstjes en kettingen, evenals aangeschafte medicatie staan te ver af van de kosten die bij de uitvaartverzorging horen. Derhalve is er onvoldoende rechtstreeks verband en dient vergoeding hiervan afgewezen te worden.

De verdediging betwist dat ook de reiskosten van de grootouders en de tante voor vergoeding vatbaar zijn. Wanneer de rechtbank daar anders over denkt en van oordeel is dat deze reiskosten wel voor vergoeding vatbaar zouden zijn, dienen deze geclaimd te worden door diegene die deze kosten heeft gemaakt. Dit zijn de grootouders en de tante en niet de moeder van het slachtoffer, mevrouw [benadeelde partij]. Derhalve dient naar de mening van de verdediging de kostenpost vergoeding reiskosten grootouders en tante niet ontvankelijk te worden verklaard, althans afgewezen te worden.

Ten aanzien van de vordering eigen bijdrage in verband met ambulancevervoer wordt gesteld dat [persoon 1] de verzekerde is en niet de [benadeelde partij].

De verdediging verzoekt de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, althans de vordering af te wijzen, dan wel tot gedeeltelijke niet ontvankelijkheid dan wel gedeeltelijke afwijzing over te gaan.

Beoordeling. Artikel 6:108 BW geeft een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is. Degene die de kosten voor lijkbezorging heeft gedragen kan deze kosten van de aansprakelijke vorderen.

De rechtbank acht toewijsbaar als kosten voor lijkbezorging de begrafeniskosten die in rekening zijn gebracht door de begrafenisonderneming Dela, de kosten voor de glazen bol, nu deze niet zijn weersproken, en de kosten voor extra bloemen.

Voorts acht de rechtbank toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering materiële schadevergoeding:

de in rekening gebrachte kosten voor ambulancevervoer en de reis- en parkeerkosten. Ten aanzien van de kosten voor ambulancevervoer is naar het oordeel van de rechtbank evident dat de moeder van het slachtoffer als erfgenaam onder algemene titel ten aanzien van deze kostenpost een vordering heeft verkregen. Dit betreft immers een vordering voor schade veroorzaakt bij het (inmiddels overleden) slachtoffer waardoor een derde, de moeder van het slachtoffer, aansprakelijk is. Door erfopvolging treedt de moeder als erfgenaam in de positie van het overleden slachtoffer en is verdachte aansprakelijk voor deze schade jegens de moeder als erfgenaam.

Het totaalbedrag van € 6.545,88 dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de vordering, te weten 11 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de volgende onderdelen van de vordering, omdat er geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade: het maken van een vingerafdruk, het klavertje vier in zilver, de vlinder in geel goud, twee kettingen en de fotolijstjes.

De rechtbank zal de benadeelde partij voorts niet ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de reiskosten van de opa, oma en tante van het slachtoffer, omdat de rechtbank van oordeel is dat de oma, opa en tante van het slachtoffer geen directe nabestaanden van het slachtoffer zijn, als wel het geval is in ouder-/broer-/zus- of kindrelatie. Dat de benadeelde partij heeft toegezegd deze kosten voor haar rekening te nemen, maakt voor de beoordeling geen verschil.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de [benadeelde partij 2].

Het standpunt van de officier van justitie.

Omdat er sprake is van zogeheten “shockschade” is de vordering van [benadeelde partij 2] tot vergoeding van smartengeld toewijsbaar, dit onder verwijzing naar de informatie van haar behandelaar in het UMC. Het gevorderde bedrag is ook een redelijk bedrag.
De reis- en parkeerkosten zijn bekostigd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige en komen dus niet voor vergoeding bij deze belanghebbende in aanmerking. De kosten van de herinrichting van de slaapkamer dienen in samenhang met de onderbouwing voor de shockschade beoordeeld te worden Deze kosten zijn eveneens toewijsbaar. In totaal kan derhalve aan [benadeelde partij 2] € 20.669,= vergoed worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Het is mogelijk om in Nederland shockschade te vorderen. Er moet dan wel sprake zijn van waarneming van het ongeval of van directe confrontatie met de ernstige gevolgen er van door een ander. Ook dient de hier uit voortkomende emotionele schok tot geestelijk letsel te leiden in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De verdediging stelt dat niet, althans onvoldoende vaststaat dat zus [benadeelde partij 2] is geconfronteerd met het slachtoffer. Er is geen enkel nader proces-verbaal waaruit dit blijkt.

Derhalve concludeert de verdediging dat niet voldaan wordt aan het confrontatievereiste, zodat de vordering ten aanzien van het smartengeld van € 20.000,- reeds hierom dient te worden afgewezen.

Subsidiair stelt de verdediging dat niet is voldaan aan het vereiste dat er sprake is van door een psychiater vastgesteld ernstig psychisch letsel. Er bevindt zich een brief bij de stukken, waaruit blijkt dat [benadeelde partij 2] psychologisch wordt behandeld. Het is zeer begrijpelijk en het spreekt voor zich dat nabestaanden die op deze wijze worden geconfronteerd met het plotselinge verlies van een dierbare psychologische hulp zoeken. Maar daarmee staat niet vast dat er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zoals vereist voor toekenning van shockschade. De overgelegde brief biedt hieromtrent geen duidelijkheid en is ook niet afkomstig van een psychiater.

De verdediging is ook in deze van mening dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient teworden verklaard, nu gezien de juridische en bewijsrechtelijke problemen, deze vordering een onevenredige belasting oplevert van het strafproces.

Met betrekking tot de aanpassing van de slaapkamer stelt de verdediging dat deze kosten

niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat ook hier sprake is van onvoldoende rechtstreeks verband.

Beoordeling. De vordering die ziet op een tegemoetkoming wegens shockschade komt eerst voor toewijzing in aanmerking indien sprake is van ernstig geestelijk letsel, dat het directe gevolg is van het bewezen verklaarde strafbare feit. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de toelichting op de vordering blijkt wel dat [benadeelde partij 2] wordt behandeld, maar niet dat er daadwerkelijk de diagnose van PTSS is gesteld. Om die reden zal de rechtbank deze post niet ontvankelijk verklaren.

Het onderdeel van de vordering betrekking hebbend op de aanpassing van de slaapkamer,

zal eveneens niet ontvankelijk worden verklaard, omdat er sprake is van een te ver verwijderd verband met het strafbaar feit.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering voor zover betrekking hebbend op de post reis- en parkeerkosten toewijzen tot een bedrag van € 467,98, nu deze post is voorzien van onderbouwing en voorts niet is weersproken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2014 (datum indienen van de vordering) over een bedrag van € 401,41 en vanaf 24 februari 2015 (datum indienen aanvulling op vordering) over een bedrag van

€ 66,57, telkens tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2014 over een bedrag van € 401,41 en vanaf 24 februari 2015 over een bedrag van € 63,57, telkens tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de [benadeelde partij 3].

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering betreft de schade van de vader die is overgekomen voor de begrafenis van zijn dochter in Nederland gedurende 4 dagen. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Reiskosten ten behoeve van en samenhangende kosten met de begrafenis komen voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde bedragen zijn goed onderbouwd. Tevens wordt immateriële schade gevorderd in de zin van smartengeld in de vorm van affectieve schade en shockschade bij nabestaanden. Bij beoordeling van deze vordering dient het volgende als beoordelingskader genomen te worden: “Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd, is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.” Op grond van de door de benadeelde partij overgelegde stukken kan thans niet in voldoende mate worden vastgesteld dat daarvan sprake is. Er zal een nadere onderbouwing noodzakelijk zijn. Om die reden zal de rechtbank de post shockschade, deze in al haar onderdelen, niet-ontvankelijk dienen verklaren omdat de verdere voorbereiding, bespreking en beoordeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
In totaal kan derhalve aan [benadeelde partij 3] € 1.372,62 vergoed worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de reiskosten stelt de verdediging vast dat deze voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze gemaakt zijn door de vader zelf. De geclaimde lunchkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, daar deze niet behoren tot de kosten van lijkbezorging. Er is hier onvoldoende sprake van rechtstreeks of functioneel verband.

Voorts claimt de vader smartengeld. De verdediging stelt vast dat de Nederlandse wet en

rechtspraak geen smartengeld toekent aan nabestaanden, tenzij er sprake is van shockschade. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat bij de vader voldaan is aan het confrontatievereiste en het bestaan van een psychiatrisch ziektebeeld, dient deze smartengeld component van de vordering afgewezen te worden. Derhalve concludeert de verdediging ten aanzien van de vordering van vader tot toewijzing van de reiskosten en niet ontvankelijk verklaring, althans afwijzing van de overige posten.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering tot een totaalbedrag van

€ 1.022,89: het vliegticket, de bagagekosten, treinkaartjes, taxi-kosten en hotelkosten, voor zover deze schadeposten zien op kosten gemaakt door [benadeelde partij 3], de vader van het slachtoffer. Voor zover de schadeposten zien op de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van een derde, mogelijk [persoon 2] als vermeld op een van de ticketgegevens, kan de rechtbank niet vaststellen in welke relatie deze derde persoon tot het slachtoffer stond en of deze persoon als directe nabestaande kan en dient te worden aangemerkt. Om die reden zal de rechtbank voormelde kostenposten voor zover gemaakt door deze persoon, niet ontvankelijk verklaren (vliegticket en twee treinkaartjes).

De rechtbank zal de benadeelde partij voorts niet-ontvankelijk verklaren in de vordering betreffende de lunchkosten, aangezien geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal verder de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren voor wat betreft de immateriële schade, nu de rechtbank van oordeel is dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Ook hier geldt dat voor zover de vordering ziet op een tegemoetkoming wegens shockschade, deze eerst voor toewijzing in aanmerking komt indien sprake is van een ernstig geestelijk letsel, dat het directe gevolg is van het bewezen verklaarde strafbare feit. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het ontbreekt op dit punt volledig aan onderbouwing.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [getuige 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

Het betreft hier een verzoek van een getuige om vergoeding van zowel materiële schade als vergoeding van “shockschade”. Die kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het betreft hier immers geen schade die benadeelde rechtsreeks als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft geleden. Derhalve dient dit verzoek niet ontvankelijk verklaard te worden.

Het standpunt van de verdediging.

De vordering van shockschade van € 500,-- dient te worden afgewezen, daar deze niet voldoet aan de vereisten voor toekenning van shockschade. Er is niet voldaan aan het confrontatievereiste en het vereiste dat het bestaan van geestelijk letsel in de vorm van een door de in de psychiatrie erkend ziektebeeld moet zijn vastgesteld.

Bovendien geeft artikel 6:108 BW slechts een beperkt aantal gerechtigden aan die bij overlijden van een naaste of dierbare aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. Dit geldt met name voor iemand tot wie de gedode persoon in een nauwe affectieve relatie staat. Nu dit hier niet het geval is, deze benadeelde partij is een buur, is vergoeding van shockschade niet mogelijk.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade en de benadeelde partij niet als directe nabestaande kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt

De vordering van de benadeelde partij [getuige 3].

Het standpunt van de officier van justitie.

Het betreft hier een verzoek van een getuige om vergoeding van zowel materiële schade als vergoeding van “shockschade”. Die kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het betreft hier immers geen schade die benadeelde rechtsreeks als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft geleden. Derhalve dient dit verzoek niet ontvankelijk verklaard te worden.

Het standpunt van de verdediging.

De vordering van shockschade van € 500,-- dient te worden afgewezen, daar deze niet voldoet aan de vereisten voor toekenning van shockschade, te weten het confrontatievereiste en vereiste dat het bestaan van geestelijk letsel in de vorm van een door de in de psychiatrie erkend ziektebeeld moet zijn vastgesteld.

Bovendien geeft artikel 6:108 BW slechts een beperkt aantal gerechtigden bij overlijden van een naaste of dierbare recht op schadevergoeding. Dit geldt met name voor iemand tot wie de gedode persoon in een nauwe affectieve relatie staat. Nu dit hier niet het geval is, deze benadeelde partij is een buur, is vergoeding van shockschade niet mogelijk.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade en de benadeelde partij niet als directe nabestaande kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf :

Moord Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

Gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27Wetboek van Strafrecht

Maatregel van schadevergoeding van EUR 6.545,88 subsidiair 67 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] van een bedrag van EUR 6.545,88 (zegge: zesduizend vijfhonderdvijfenveertig euro en achtentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 67 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post begrafeniskosten Dela, glazen bol, extra bloemen, ambulancevervoer en reis- en parkeerkosten).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2014

tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], van een bedrag van EUR 6.545,88 (zegge: zesduizend vijfhonderdvijfenveertig euro en achtentachtig euro cent), te weten materiële schadevergoeding (post begrafeniskosten Dela, glazen bol, extra bloemen, ambulancevervoer en reis- en parkeerkosten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 467,98 subsidiair 9 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het [benadeelde partij 2] van een bedrag van EUR 467,98 (zegge: vierhonderdzevenenzestig euro en achtennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (reis- en parkeerkosten).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Een bedrag van EUR 401,41 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2014 en een bedrag van EUR 66,57 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2015, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de [benadeelde partij 2], van een bedrag van EUR 467,98 (zegge: vierhonderdzevenenzestig euro en achtennegentig eurocent), te weten materiële schadevergoeding (reis- en parkeerkosten).

Een bedrag van EUR 401,41 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2014 en een bedrag van EUR 66,57 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2015, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.022,89 subsidiair 20 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] van een bedrag van EUR 1.022,89 (zegge: een duizend tweeëntwintig euro en negenentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post vliegticket, treinkaartjes, hotelkosten en taxikosten voor zover deze zijn gemaakt door de benadeelde partij zelf).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3], van een bedrag van EUR 1.022,89 (zegge: een duizend tweeëntwintig euro en negenentachtig eurocent), te weten materiële schadevergoeding (post vliegticket, treinkaartjes, bagage, hotelkosten en taxikosten voor zover deze zijn gemaakt door de benadeelde partij zelf).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [getuige 1] in de vordering.

Compensatie van de kosten van partijen aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [getuige 3] in de vordering.

Compensatie van de kosten van partijen aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 AH-kaart en 2 gamekaarten, 1 ov-chipkaart en 1 HTC smartphone.

Teruggave aan [getuige 11] van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 set bestek en 1 tablet (computer).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 16 maart 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie regio Oost-Brabant, TGO Ananke, dossiernr. 60-447552, bestaande uit 860 bladzijden, verdeeld over 2 mappen.

2 Pv bevindingen, p. 249-250 (map 1).

3 Pv bevindingen, p. 123 en pv bevindingen, p. 126 (map 1).

4 Pv bevindingen, p. 144 (map 1).

5 Pv bevindingen, p. 123-124 en het proces-verbaal confrontatie stoffelijk overschot, p. 188 (map 1).

6 Pv van verhoor van [benadeelde partij], p. 328 (map 1).

7 Pv sporenonderzoek met proces-verbaalnr. PL21R3-2013095210-35, p. 5 en 6 (bijlage 3 van het in een afzonderlijke map opgenomen proces-verbaal forensisch onderzoek, nr. 2013095210, met bijlagen).

8 Pv van verhoor getuige [getuige 1], p. 403 en p. 406 (map 1) en pv van verhoor getuige [getuige 2], p. 483,484 en 490 (map 2).

9 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), d.d. 24 september 2013, opgemaakt en ondertekend door de NFI-deskundige forensische pathologie dr. B. Kubat, arts en patholoog, p. 174-177 (map 1).

10 Pv van verhoor getuige [getuige 1], p. 403 (map 1).

11 Pv van verhoor getuige [getuige 2], p. 483 en 493 (map 2).

12 Pv van verhoor [getuige 3], p. 424 (map 1).

13 Pv van verhoor getuige [getuige 2], p. 483, p. 487 en 489 (map 2).

14 P. 306 t/m 310 (map 1).

15 Pv sporenonderzoek met proces-verbaalnr. PL21R3-2013095210-35, p. 2 en de fotografische opname van de plaats delict, opgenomen als bijlage 1 bij voornoemd proces-verbaal (bijlage 3 van het in een afzonderlijke map opgenomen proces-verbaal forensisch onderzoek, nr. 2013095210, met bijlagen).

16 Pv verhoor getuige [getuige 2], p. 483 (map 2).

17 Pv verhoor getuige [getuige 2], p. 483-484 en 489-490 (map 2).

18 P. 860 (map 2).

19 Pv bevindingen, p. 166 (map 1).

20 Pv bevindingen, p. 128 (map 1) met als bijlagen de door getuige [getuige 2] genomen foto’s.

21 Pv ter terechtzitting van 30 september 2013.

22 Pv bevindingen, p. 272 met als bijlage de op p. 277 tot en met 280 opgenomen stills van de camerabeelden (map 1).

23 Pv verhoor [getuige 4], p. 358 (map 1).

24 Pv verhoor [getuige 5], p. 432-433 en p. 435 (map 2).

25 Pv verhoor [getuige 6], p. 441 (map 2).

26 Pv verhoor [getuige 7], p. 167-168 en p. 380 (map 1).

27 Pv verhoor [getuige 8], p. 450 en p. 455-456 (map 2).

28 Pv verhoor [getuige 9], p. 461 en 464 (map 2).

29 Pv verhoor [getuige 10], p. 377-378 (map 1).

30 Pv verhoor [getuige 3], p. 424 (map 1).

31 Pv sporenonderzoek met proces-verbaalnr. PL21R3-2013095210-35, p. 5 (bijlage 3 van het in een afzonderlijke map opgenomen proces-verbaal forensisch onderzoek, nr. 2013095210, met bijlagen).

32 Rapport van het NFI, d.d. 30 oktober 2013, p. 246-248 (map 1).

33 Delictproces-verbaal, p. 90 (map 1), Pv sporenonderzoek met proces-verbaalnr. PL21R3-2013095210-106, p. 2en een tweetal pv’s relaterende sporenonderzoek in TGO “Ananke”, proces-verbaalnummers 2013095210, telkens p. 2,(bijlagen 6, 8 en 10 van het in een afzonderlijke map opgenomen proces-verbaal forensisch onderzoek, nr. 2013095210, met bijlagen).

34 Pv terechtzitting van 30 september 2014.

35 Rapport van het NFI, d.d. 24 september 2013, p. 311-312 en het rapport van het NFI, d.d. 21 oktober 2013, p. 362 (map 1).

36 Pv van verhoor getuige [benadeelde partij], p. 332 (map 1).

37 Pv terechtzitting van 30 september 2014.

38 Pv van verhoor getuige [getuige 11], p. 418 (map 1).

39 Pv terechtzitting van 30 september 2014.

40 Pv van verhoor getuige [persoon 1], p. 502 (map 2).