Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:1272

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-03-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
14_2217
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Huishoudelijke verzorging. Indiceren in aandachtsgebieden. PGB.

De rechtbank is van oordeel dat door het indiceren in aandachtsgebieden voor zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden, mede gelet op de omschrijving van de aandachtsgebieden in de artikelen 10 en 13 van de Verordening, in zijn algemeenheid voldoende bepaalbaar en concreet is wat de inhoud van de aan de aanvrager toegekende indicatie is. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het uitgangspunt is dat de indicatie in aandachtsgebieden vervolgens in een specifiek plan wordt uitgewerkt waarbij dan in het individuele geval in samenspraak met de aanvrager wordt nagegaan wat nodig is om te komen tot een voldoende compensatie.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze mbt tot het PGB er toe leidt dat betrokkene met het aan haar toegekende PGB alleen dan voldoende wordt gecompenseerd als zij gebruik maakt van de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders. Nog daargelaten dat het verschil tussen kiezen voor Zin en PGB in dat geval vrijwel op hetzelfde neerkomt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met deze werkwijze feitelijk de keuzevrijheid om het PGB, binnen de daarvoor geldende regels, naar eigen inzicht te besteden, op een onaanvaardbare wijze inperkt.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Wet maatschappelijke ondersteuning 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/91
JWWB 2015/78
USZ 2015/207 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman en H. van Rooij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2217

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. dr. M.F. Vermaat),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landerd, verweerder

(gemachtigde: A. Morssinkhof).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de bestaande indicatie voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt ingetrokken per 11 februari 2014 en dat er per die datum een nieuwe indicatie geldt waarbij eiseres wordt geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB) met de aandachtsgebieden zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden. In het primaire besluit is voorts aangegeven dat het PGB wordt afgebouwd en dat daarvoor een overgangsregeling geldt.

Bij besluit van 27 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard in die zin dat in het bestreden besluit ten opzichte van het primaire besluit een nadere motivering wordt gegeven met betrekking tot het standpunt van verweerder dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden terwijl hetgeen in het primaire besluit is besloten overigens wordt gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde die werd bijgestaan door de zus van eiseres: [zus eiseres]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De zaak is vervolgens door de meervoudige kamer behandeld ter zitting van

10 februari 2015. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde die werd bijgestaan door de zus van eiseres: [zus eiseres]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiseres ontvangt sinds 1 januari 2007 hulp bij de huishouding op grond van de Wmo.

Aan haar was laatstelijk, voorafgaand aan het primaire besluit, een indicatie toegekend voor ondersteuning bij licht en zwaar huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden voor vijf uren per week. Deze indicatie liep tot
7 augustus 2017 en was gegeven in de vorm van een PGB voor een bedrag van € 3.640,00 per jaar (€ 303,35 per maand).

1.2

Onder meer bij brief van 6 januari 2014 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over een op handen zijnde verandering inzake de hulp bij het huishouden. Aangegeven is onder meer dat eiseres samen met haar zorgdienstverlener een zorgovereenkomst moet opstellen. Alleen hetgeen eiseres zelf echt niet kan regelen en wel onder de Wmo valt, neemt de zorgaanbieder over.

1.3

Na dossieronderzoek heeft verweerder op 7 februari 2014 vastgesteld dat eiseres moet worden gecompenseerd op de aandachtsgebieden voor huishoudelijke verzorging (HV) zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden.

1.4

Bij het primaire besluit van 11 februari 2014 is eiseres meegedeeld dat zij haar bestaande indicatie verliest per 11 februari 2014. Vanaf die datum geldt een nieuwe indicatie waarbij eiseres is geïndiceerd voor HV in de vorm van een PGB met de aandachtsgebieden zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden. Het PGB wordt bij wijze van overgangsregeling tussen 1 juli 2014 en 1 januari 2015 stapsgewijs afgebouwd van
€ 303,35 in januari 2014 naar € 187,50 vanaf november 2014 en € 168,75 per maand vanaf 1 januari 2015. Deze nieuwe indicatie loopt tot 1 januari 2016. Het PGB voor deze indicatie is gebaseerd op de kosten voor huishoudelijke verzorging in natura.

1.5

Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiseres advies gevraagd aan de bezwaarschriftencommissie (de Commissie). De Commissie geeft in haar advies aan dat de herindicatie inhoudt dat eiseres samen met de zorgdienstverlener de HV concreet invult en laat uitvoeren, waartoe een zorgovereenkomst wordt aangegaan, maar dat de herindicatie ook een forse vermindering van het PGB van eiseres betekent. De commissie geeft voorts aan dat zij de gehanteerde overgangstermijn redelijk acht en dat verweerder eiseres heeft voorzien van alternatieven in de vorm van een drietrapsraket indien zij niet uitkomt met het PGB, te weten: met een lager budget de HV zelf regelen, het PGB omzetten naar zorg in natura of met het nieuwe PGB de HV inkopen bij door verweerder geselecteerde zorgdienstverleners. De commissie is van mening dat de forse vermindering van het PGB van eiseres, gelet op de grillige bezuinigingsrealiteit waarbij 40% moet worden bezuinigd en in het licht van de door verweerder aangedragen alternatieven (drietrapsraket), niet onredelijk is. De commissie is wel van mening dat verweerder in het besluit niet of onvoldoende rekening heeft gehouden met de situatie, zowel geestelijk als fysiek, van eiseres. Verweerder heeft onvoldoende beoordeeld of in dit concrete geval, mede gelet op de forse indicatiestelling van eiseres en het feit dat zij moeilijk went aan nieuwe situaties van de Normenlijst moet worden afgeweken. Het is daarom volgens de Commissie onduidelijk of verweerder heeft voldaan aan de wettelijke compensatieplicht en het verrichten van maatwerk op grond van de Wmo. De Commissie wijst daarbij specifiek op de inhoud van het gesprek op 4 februari 2014 met de zus van eiseres en het feit dat eiseres geen bijzonderheden heeft aangegeven op het formulier van 6 januari 2014 omdat haar situatie reeds ernstig is en verweerder hiermee bekend is.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat naar aanleiding van het advies van de Commissie onderzoek is gedaan naar de omstandigheden van eiseres, maar dat bij dat onderzoek geen omstandigheden of bijzonderheden naar voren zijn gekomen die reden geven om af te wijken van het beleid of om de hardheidsclausule toe te passen. Verweerder heeft hetgeen in het primaire besluit is besloten overigens gehandhaafd.

3. Eiseres brengt tegen het bestreden besluit in dat zij onvoldoende wordt gecompenseerd. Eiseres stelt dat niet nader is geconcretiseerd wat in relatie tot artikel 4 van de Wmo in haar geval de mogelijkheden zijn. Zij wijst er op dat het herhaaldelijk door haar naar voren gebrachte bezwaar dat het voor haar van groot belang is dat de geboden hulp steeds door dezelfde persoon geschiedt, hetgeen één van de factoren is die verweerder op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo bij de besluitvorming moet betrekken, niet wordt besproken. Eiseres wijst er verder op dat nergens uit blijkt dat is onderzocht of de huidige hulp van eiseres, die tegen een tarief van € 20,16 per uur werkt, het huis in nog geen twee uur per week schoon kan houden. De gemeenteraad en het college hebben beleidskeuzes gemaakt, dat kan en mag, maar als die niet resulteren in maatwerk, zoals in het geval van eiseres, dan zal de rechter dat resultaat volgens eiseres indringend moeten toetsen en moeten beoordelen of de geboden compensatie als resultaat mag gelden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader compensatie

5. Op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, van de Wmo, zoals die wet luidde ten tijde van het bestreden besluit, treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.

Op grond van het tweede lid houdt het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van de kosten zelf in de maatregelen te voorzien.

6. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wmo, zoals die wet luidde ten tijde van het bestreden besluit, stelt de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. Ter uitvoering van deze bepaling is door de gemeenteraad de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2014 (de Verordening) vastgesteld.

7. In artikel 2 van de Verordening is het volgende bepaald:

De op basis van artikel 4 lid 1 van de wet via compenserende maatregelen te bereiken resultaten zijn:

  1. in het kader van de leefbaarheid gerealiseerde huishoudelijke verzorging in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijke werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning;

  2. wonen in een geschikte woning;

  3. adequaat gebruik kunnen maken van goederen voor primaire levensbehoeften;

  4. adequaat gebruik kunnen maken van schone, draagbare en doelmatige kleding;

  5. het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

  6. zich verplaatsen in en om de woning;

  7. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;

  8. de mogelijkheid om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

8. In paragraaf 2 van de Verordening zijn deze resultaatgebieden verder uitgewerkt. Van belang in onderhavige zaak zijn in dat kader de artikelen 10 en 13. Deze artikelen luiden als volgt:

Artikel 10 In het kader van de leefbaarheid gerealiseerde huishoudelijke verzorging in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning

  1. Het te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit in het kader van de leefbaarheid gerealiseerde huishoudelijke verzorging in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning.

  2. Met het oog op het bepaalde in lid 1 van dit artikel kan compensatie worden geboden voor het lichte en/of het zware huishoudelijke werk.

  3. Voor zover de in paragraaf 1 genoemde mogelijkheden beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van het te bereiken resultaat geen voorzieningen verstrekt.

Artikel 13 Gebruik kunnen maken van schone, draagbare en doelmatige kleding

  1. Het te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van kleding in gewassen en zo nodig gestreken, opgevouwen of opgehangen staat.

  2. Met het oog op het gebruik kunnen maken van schone, draagbare en doelmatige kleding kan compensatie worden geboden ten aanzien van het wassen, drogen en strijken en opruimen van de was.

  3. Voor zover de in paragraaf 1 genoemde mogelijkheden beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van het te bereiken resultaat geen individuele voorzieningen verstrekt.

Onderwerp van geschil

9. In dit geschil staat de vraag centraal of eiseres door verweerder voldoende wordt gecompenseerd als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Wmo met de indicatie per 11 februari 2014 voor HV met de aandachtsgebieden zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden, in de vorm van een PGB met een overgangsregeling waarbij het PGB stapsgewijs wordt afgebouwd van € 303,35 in januari 2014 naar € 187,50 vanaf november 2014 en € 168,75 per maand vanaf 1 januari 2015.

Nieuwe werkwijze van indiceren verweerder

10. Verweerder hanteert sinds 2014 bij het bepalen van de indicaties op grond van de Wmo de Verordening en de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2014 (de Beleidsregels). Met de Verordening en de Beleidsregels heeft verweerder een nieuwe wijze van indiceren geïntroduceerd. In deze nieuwe werkwijze wordt niet meer geïndiceerd in uren en minuten maar worden aandachtsgebieden voor de huishoudelijke verzorgingsactiviteiten (HV) aangegeven waarop compensatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Wmo moet plaatsvinden. De concrete invulling, omvang en uitvoering van de HV wordt in de nieuwe manier van werken vormgegeven door (de door verweerder gecontracteerde) zorgverleners. Dit betekent dat verweerder bepaalt in welke aandachtsgebieden huishoudelijke verzorging nodig is en dat de geïndiceerde samen met de zorgaanbieder of de huishoudelijke hulp nieuwe afspraken maakt over wat nodig is om zelfstandig te blijven.

11. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de compensatieplicht van artikel 4, eerste lid, van de Wmo onveranderd als uitgangspunt geldt bij het indiceren. Binnen de gemeente Landerd is echter ook het concept van de 'kanteling' omarmd, hetgeen betekent dat er meer wordt gerekend op de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Ook speelt dat de gemeente Landerd omvangrijke bezuinigingen op het door het Rijk verstrekte budget voor Wmo verwachtte. Uit gesprekken met onder meer de zorgaanbieders is de gemeente Landerd voorts gebleken dat de indicaties voor de Wmo in een aanzienlijk aantal gevallen te ruim zijn in die zin dat de zorgaanbieder of de huishoudelijke hulp soms een woning aantrof die eigenlijk al 'schoon' was, zodat er overbodig werk werd verricht. Ook waren er gevallen waarin de zorgaanbieder of de huishoudelijke hulp voor de geïndiceerde taken uitvoert die niet behoren tot Wmo-zorg, zoals bijvoorbeeld gezamenlijk koffie drinken en een praatje maken, kleine klusjes doen en werk buiten het huis.

12. De 'kanteling', de te verwachten bezuiniging en de gesprekken met de zorgaanbieders hebben de gemeente Landerd er toe gebracht om, met enkele andere gemeenten, de wijze van indiceren anders in te richten. De gemeente Landerd is daarbij uitgegaan van de totale kosten die eerder per jaar voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo werden gemaakt. Daarop werd de te verwachten bezuiniging van 40% in mindering gebracht. De gemeente Landerd heeft vervolgens samen met enkele andere gemeenten met de zorgaanbieders gesproken. Het resultaat daarvan was dat de gemeente Landerd en de andere gemeenten met de zorgaanbieders zijn overeengekomen dat de zorgaanbieders met de individuele geïndiceerden/aanvragers zullen bespreken op welke wijze voor iedere geïndiceerde afzonderlijk compensatie op de aandachtsgebieden moet worden gerealiseerd. De zorgaanbieders hebben zich daarbij contractueel tot die compensatie verplicht ongeacht het aantal uren dat daar in het individuele geval voor nodig is. De zorgaanbieders krijgen voor elke geïndiceerde, met een indicatie op dezelfde aandachtsgebieden, een vast bedrag ongeacht het aantal uren dat de zorgaanbieders in het individuele geval nodig hebben om tot compensatie te komen.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat voor de zorgaanbieders geldt dat zij bij de ene geïndiceerde meer en bij de andere minder tijd zullen hoeven te besteden om tot compensatie te komen. Daardoor is een vast bedrag, een gemiddelde, mogelijk. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat voor de zorgaanbieders geldt dat zij er bij dit vaste bedrag belang bij hebben om 'slim te werken'. Dat kan doordat de zorgaanbieder zijn eigen organisatie zo goed mogelijk inricht, door het slim organiseren van de zorg, het inzetten van vrijwilligers, het opzetten van collectieve voorzieningen en het versterken van de zelfredzaamheid van de geïndiceerde.

Oordeel rechtbank over indiceren in aandachtsgebieden

13. De rechtbank is van oordeel dat door het indiceren in aandachtsgebieden voor zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de organisatie van het huishouden, mede gelet op de omschrijving van de aandachtsgebieden in de artikelen 10 en 13 van de Verordening, in zijn algemeenheid voldoende bepaalbaar en concreet is wat de inhoud van de aan de aanvrager toegekende indicatie is. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het uitgangspunt is dat de indicatie in aandachtsgebieden vervolgens in een specifiek plan wordt uitgewerkt waarbij dan in het individuele geval in samenspraak met de aanvrager wordt nagegaan wat nodig is om te komen tot een voldoende compensatie.

Wettelijk kader PGB

14. Artikel 6 van de Wmo, zoals die wet luidde ten tijde van het bestreden besluit, bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze biedt tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar PGB, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

15. Artikel 18 van de Verordening bepaalt dat de te treffen voorzieningen als voorziening in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming kunnen worden verstrekt.

16. Artikel 23, tweede lid, van de Verordening bepaalt dat het college voor de uitvoering van de Verordening nadere regels en beleidsregels kan vaststellen. Ingevolge de aanhef en het derde lid onder a, van artikel 23 van de Verordening stelt het college in elk geval regels met betrekking tot de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld.

Werkwijze verweerder bij PGB

17. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat de geïndiceerde de keuze heeft tussen zorgverlening via Zin en een PGB. Bij Zin kan hij zich na het indicatiebesluit tot één van de acht door verweerder geselecteerde zorgaanbieders wenden en met de gekozen zorgaanbieder bespreken op welke wijze compensatie op de aandachtsgebieden moet worden gerealiseerd. De door verweerder geselecteerde zorgaanbieders hebben een acceptatieplicht en garanderen het te bereiken resultaat op de aandachtsgebieden.

18. Indien de geïndiceerde kiest voor een PGB kan hij zich desgewenst ook wenden tot de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders. Op grond van de zogeheten ‘PGB-clausule’ die in de contracten tussen de gemeente en de zorgaanbieders is opgenomen, is de zorgaanbieder in dat geval gehouden om de geïndiceerde met een PGB, tegen het door verweerder aan de geïndiceerde toegekende PGB, op dezelfde wijze ondersteuning te bieden als aan degenen die hebben gekozen voor Zin. Daarmee is volgens verweerder gegarandeerd dat de geïndiceerde die kiest voor een PGB op dezelfde wijze wordt gecompenseerd als degene die kiest voor Zin. De zorgaanbieder ontvangt dus hetzelfde vaste bedrag, ongeacht of de geïndiceerde heeft gekozen voor Zin dan wel voor een PGB en heeft dezelfde plicht tot compensatie.

19. In Bijlage 6, de ‘Normenlijst’, bij de Beleidsregels is onder 1 de hoogte van het PGB geregeld. Daar is, onder meer, vermeld:

“Het PGB jaartarief is in 2014 maximaal het gemiddeld indicatietarief in natura ad
€ 2.763,00 dat gemeenten betalen aan de zorgdienstverleners. Behalve wanneer dat bedrag in het individuele geval aantoonbaar te hoog is. In deze gevallen wordt teruggegrepen op het in het verleden gehanteerde uurbedrag van € 14,00.

Aangezien het hier maatwerk betreft (afhankelijk van de omstandigheden (aandachtsgebieden) van het concrete geval) maar in totaliteit nooit meer dan € 2.763,00.

Hoogte PGB 2015: afhankelijk van de omstandigheden (aandachtsgebieden) van het concrete geval, maar in totaliteit nooit meer dan € 2.025,00. Dit laatste bedrag is overeengekomen met de zorgaanbieders.”.

Oordeel rechtbank over compensatie eiseres met PGB

20. Verweerder heeft niet betwist dat de medische situatie van eiseres ten opzichte van de eerdere indicatie niet is gewijzigd. Ook is niet in geschil dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres ongewijzigd zijn. Eiseres maakt gebruik van een door haar zelf ingeschakelde hulp en zij wenst dat voort te zetten met het PGB.

21. Vast staat dat eiseres eerder een indicatie had voor vijf uur huishoudelijke hulp en een PGB van € 303,35 per maand. Nu de medische situatie en de persoonlijke omstandigheden van eiseres niet zijn gewijzigd, moet er naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog van worden uitgegaan dat voor het bereiken van compensatie op de door verweerder bij het primaire besluit geïndiceerde aandachtsgebieden, nog steeds vijf uur per week huishoudelijke hulp nodig is. Het door verweerder vanaf 1 januari 2015 aan eiseres toegekende PGB van € 168,75 per maand, leidt er dan toe dat eiseres, zo zij haar eigen hulp wil aanhouden en zich niet tot de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders wil wenden, haar hulp nog slechts ongeveer € 7,90 per uur kan betalen (uitgaande van 21,4 uur per maand) of dat eiseres zelf zal moeten bijbetalen of met minder zorg genoegen zal moeten nemen. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop niet kan worden gesteld dat eiseres met het aan haar toegekende PGB voldoende wordt gecompenseerd. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook verweerder een uurloon van € 7,90 kennelijk niet reëel acht, getuige de verwijzing in Bijlage 6 naar het in het verleden gehanteerde uurbedrag van
€ 14,00.

22. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat eiseres niet verplicht is om haar eigen hulp te blijven houden maar met het PGB ook gebruik kan maken van de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders die immers gehouden zijn haar dezelfde compensatie te bieden als in het geval van Zin.

23. De rechtbank is daarover van oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze er toe leidt dat eiseres met het aan haar toegekende PGB alleen dan voldoende wordt gecompenseerd als zij gebruik maakt van de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders.

Nog daargelaten dat het verschil tussen kiezen voor Zin en PGB in dat geval vrijwel op hetzelfde neerkomt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met deze werkwijze feitelijk de keuzevrijheid om het PGB, binnen de daarvoor geldende regels, naar eigen inzicht te besteden, op een onaanvaardbare wijze inperkt.

24. Verweerder heeft voorts gesteld dat op grond van artikel 6 van de Wmo slechts de keuze moet worden geboden tussen Zin en een hiermee vergelijkbaar PGB. Verweerder betaalt voor Zin in het geval van eiseres aan de zorgaanbieders het vaste bedrag van
€ 2.025,00 en stelt dat eiseres dus ook, in ieder geval vanaf 1 januari 2015, slechts aanspraak kan maken op dat bedrag.

25. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de achtergrond van de nieuwe werkwijze van verweerder (vgl r.o. 12) blijkt dat voor de door verweerder geselecteerde zorgaanbieders geldt dat zij bij de ene geïndiceerde meer en bij de andere minder tijd zullen hoeven te besteden om tot compensatie te komen en dat daardoor een vast bedrag per geïndiceerde, een gemiddelde, mogelijk is. De situatie van eiseres is daarmee echter niet vergelijkbaar. Voor eiseres staat immers vast dat zij vijf uur huishoudelijke hulp per week nodig heeft.

Conclusie

26. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

27. De rechtbank ziet thans onvoldoende grond voor het toepassen van de bestuurlijke lus en ook onvoldoende mogelijkheden om zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank merkt hierbij op dat het verweerder, gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie onder meer CRvB 17 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5008) vrij staat de hoogte van het uurtarief waarvoor verweerder de huishoudelijke verzorging in de zin van de Wmo krachtens aanbesteding heeft gecontracteerd als uitgangspunt te nemen. Dit evenwel afgezet tegen het feitelijk door eiseres benodigde aantal uren HV (thans 5 uren).

28. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.461,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zitting (twee maal) met een waarde per punt van € 487,00, en een wegingsfactor 1).

29. De rechtbank zal bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 45,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te

nemen metinachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag

van € 1.461,00;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van

€ 45,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, voorzitter, en mr. A.H.N. Kruijer en
mr. C.F.E. van Olden-Smit in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.